De kritiek van de twijfel
1.1 De doctrine van twijfel
Het principe van filosofische twijfel vertrouwt erop dat na het opgeven van alle ongefundeerde meningen uiteindelijk een residu van kennis overblijft dat volledig wordt bepaald door het objectieve bewijsmateriaal daarvoor. Dit principe is gedurende de gehele kritische periode van de filosofie ingezet, van Descartes, naar Hume en Kant. Hume gaf aan dat hij zijn filosofische scepticisme in het dagelijkse leven niet werkbaar achtte, zonder daarmee zijn eigen filosofische systeem te heronderzoeken. Het was Kant die deze tegenstelling tussen filosofisch scepticisme en praktisch leven inzet van zijn filosofie maakte. Echter, fundamentele overtuigingen zijn zowel onweerlegbaar als onbewijsbaar.
1.2 Gelijkwaardigheid van overtuiging en twijfel
[A measure of such tacit doubt is present in all articulate forms of intelligence within the act of assertion, ( …). (272)
Een zekere mate van een dergelijke impliciete twijfel (namelijk aarzeling) is aanwezig in alle uitgesproken vormen van intelligentie binnen de daad van bevestiging. Bijv. Een schutter die even twijfelt alvorens te schieten, een dichter die een regel van een gedicht aan het verbeteren is.]
1. Expliciete uitingen van twijfel aan uitspraak p.
1.1. Ontkennende twijfel. Ik geloof p --> ik geloof niet-p. Geen agnosticisme dus.
2. Agnostische twijfel
2.1. Niet radicaal, in feite een vorm van ontkennende twijfel. Hier wordt de aannemelijkheid van p op zich niet betwijfeld.
2.1.1. Tijdelijke agnostische twijfel – Ik geloof dat p nog niet is bewezen.
2.1.2. Ik geloof dat p niet bewezen / aangetoond kan worden.
2.1.3. Beiden impliceren uiteraard bepaalde overtuigingen t.a.v van wat wel en niet bewezen kan worden en wat wel en niet als een bewijs voor iets kan gelden. Vanwege deze overtuigingen is hier dus sprake van een beperkte vorm van agnosticisme.
Ofwel, strikt agnosticisme is onhoudbaar, er is altijd een vertrouwenselement aanwezig.
Het blijkt dus dat het op deze wijze betwijfelen van een uitspraak, impliciet de bevestiging van andere overtuigingen inhoudt die op dat moment niet worden betwijfeld.
JV. Ik geloof dat het niet bewezen kan worden dat God bestaat, noch dat God niet bestaat. Aardig agnostisch toch? Echter, hier ligt wél degelijk een op het moment van de uitspraak onkritische aanname aan ten grondslag met betrekking tot wat bewezen en niet bewezen kan worden.
JV: We kunnen niets weten.
1.3 Redelijke en onredelijke twijfel
Twijfel moet ‘redelijk’ zijn, ofwel er is iets dat naar alle redelijkheid niet betwijfeld kan worden. Voorbeeld Astrologie. Natuurwetenschappers zijn alleen kritischer dan astrologen als we er al vanuit gaan dat de natuurwetenschap een juistere opvatting van de werkelijkheid heeft dan de astrologie. Het ontkennen van de geloofwaardigheid van horoscopen, gebeurt alleen omdat men nu eenmaal gelooft dat de bewijzen ervoor beter door de wetenschappelijke zienswijze verklaard kunnen worden. Ook natuurwetenschappers moeten nu eenmaal van bepaalde zaken uitgaan, zoals aan diverse blunders is te zien. Zo werd een tijd lang het bestaan van meteorieten en het bestaan van hypnose door de gevestigde wetenschap ontkend, weggeredeneerd. Men was in dit geval wat al te sceptisch.
1.4 Scepticisme binnen de natuurwetenschappen
Een wetenschapper moet een positie innemen ten opzicht van een belangrijke uitspraak die binnen zijn kennisveld wordt gedaan. Als hij de uitspraak negeert impliceert hij daarmee dat hij denkt dat het een ongegronde bewering is. Hij kan in feite alleen een agnostische houding aannemen t.o.v. onderwerpen waar hij weinig van afweet en niets om geeft.
1.5 Is twijfel een heuristisch principe?
Voorbeelden die aantonen dat er in de praktijk van het onderzoek geen regel is waarmee duidelijk gekozen kan worden tussen twijfel die roekeloosheid aan banden legt en later als behoedzaamheid uit de bus komt en twijfel die gedurfdheid in de kiem smoort en later als fantasieloos dogmatisme gezien wordt. Kortom, twijfel kan niet als heuristisch principe worden gebruikt.
Bijv. Vesalius die ‘moedig’ het heersende idee verwerpt dat er verbindingen tussen de twee hartkamers zijn en Harvey die ‘moedig’ aanneemt dat er onzichtbare verbindingen tussen de aders en slagaders aanwezig zijn.
JV: De eerste zette zijn voorgangers te kijk omdat ze al te roekeloze aannames hadden gedaan, de tweede omdat ze te fantasieloos waren. Wanneer je aan iets moet twijfelen, of juist iets moet aannemen is echter vooraf niet duidelijk; het lijken eerder ‘lucky guesses’.
1.6 Agnostische twijfel in de rechtszaal
De wet schrijft voor dat iemand onschuldig moet worden gehouden, totdat het tegendeel is bewezen. Niet bepaald een open geest. De rechtspraak probeert niet zozeer achter de waarheid in wetenschappelijke zin te komen, bepaalde feiten en onderzoeksmethoden worden bewust buitengesloten, als onwettig verkregen gezien, de jury dient bepaalde feiten ‘te vergeten’ en dergelijke. In die zin kunnen wetenschappelijke waarheid en de feiten zoals bevonden door de rechtspraak niet met elkaar in tegenspraak zijn; ze gaan eerder langs elkaar heen.
1.7 Religieuze twijfel
Religie – gezien als een daad van eerbetoon – is eerder een verblijfplaats (indwelling), dan een bevestiging (affirmation), net zoals kunst en wetenschap dat zijn. ‘God bestaat’ is geen feitelijke uitspraak en kan dan ook niet dan op impliciete wijze worden betwijfeld, zoals de schutter die aarzelt alvorens te schieten. Men kan aarzelen in het geloof te stappen, zoals niet iedereen moderne kunst als verblijfplaats voor de geest verkiest. Echter, we danken onze mentale bestaan grotendeels aan kunst, moraliteit, religie, wetenschap en andere systemen om ons uit te drukken, die we als onze verblijfsplaats accepteren en als de grond voor onze mentale ontwikkeling.
1.8 Impliciete overtuigingen
Overtuigingen in de vorm van het conceptuele raamwerk, zoals uitgedrukt in onze taal. Evans-Pritchard onderzoek naar de Azande. Verbaasd over de intellectuele kracht waarmee aan overtuigingen wordt vastgehouden tegenover feiten waarvan de Europeaan vindt dat ze die ondermijnen.
‘Ze kunnen uistekend binnen het idioom van hun overtuigingen redeneren, maar daarbuiten of daartegenin niet, want ze hebben geen ander idioom om hun gedachten in weer te geven’ (cit. E-P).
Bijvoorbeeld.
Een orakel gebruikt het effect op een kip van een op een traditionele wijze uit een plant verkregen gif (‘benge’) om antwoorden op vragen te geven. Stel dat hij ‘Ja’ heeft gezegd op een bepaalde vraag en later blijkt het ‘Nee’ te zijn. Dan kunnen er allerlei redenen voor zijn: de benge was niet geheel ritueel juist gewonnen, de bosbewoners waar het benge gewonnen is zijn kwaad op degenen die het gif hebben gewonnen en hebben het gif (met magie) verpest, etc etc ..
1.9 Drie aspecten van stabiliteit
De stabiliteit van het raamwerk van overtuigingen van de Azande, maar ook dat van Marxisten of Freudianen kan verklaard worden aan de hand van de volgende kenmerken ervan.
1.9.1 Circulariteit
Elk onderwerp wordt geïnterpreteerd in het licht van de interpretatie van alle andere onderwerpen. Zoals in het woordenboek elk woord verklaard wordt met andere woorden. Er zijn geen basiswoorden.
1.9.2 Automatische uitbreiding van het domein
Uitbreiding van het systeem i.g.v. moeilijkheden. Ook genoemd ‘epicycliciteit’ (naar de epicykels waarmee de planetenbanen werden verklaard). Reserve aan ondersteunende verklaringen, waarmee afwijkende situaties het hoofd geboden kan worden.
1.9.3 Rivaliserende concepten worden ongegrond verklaard
Ook ‘onderdrukte nucleatie’, verhindert het postvatten van alternatieve concepten en verklaringen.
1.10 De stabiliteit van wetenschappelijke overtuigingen
De stabiliteit van het natuurwetenschappelijke bouwwerk berust op dezelfde stabiliserende mechanismen als dat van de Azande.
Circulariteit. Afwijkingen worden met wetenschappelijke concepten (en niet met die van de Azande bijv) verklaard. Het is ondenkbaar om buiten de als wetenschappelijk aanvaarde verklaringskaders te treden.
Epicicliciteit. Contradicties vaak afgedaan als anomalie, zonder een duidelijke verklaring. Men houdt aan de theorie vast.
Onderdrukte nucleatie.
Conclusie: Het waarheidscriterium van coherentie is slechts een criterium van stabiliteit. Stabiliseringmechanismen kunnen zowel ware als onware theorieën helpen voortbestaan.
1.11 Universele twijfel
Elke heroverweging van een bepaalde overtuiging wordt gedaan tegen een overweldigende achtergrond van onbetwiste overtuigingen. Die achtergrond kan niet tegelijkertijd betwijfeld worden.
Gedachte-experiment. Steeds meer achtergrond overtuigingen / raamwerken / theorieën laten vallen. Je houdt dan de echte ‘maagdelijke’ geest over. Punt is dat zodra deze geest gaat waarnemen, bijvoorbeeld via de ogen, er sprake is van interpretatie. Zoals elders aangetoond, zelfs het waarnemen van een kleur is theoriegebonden. Of neem het begrip stilstand / beweging. Eenvoudige waarneming laat zien dat de zon om de aarde draait, maar dat blijkt achteraf niet ‘de waarheid’ te zijn.
Polanyi geeft nog eens enkele voorbeelden waaruit blijkt dat ‘rationele twijfel’ eerder een retorisch inzetbaar middel is (JV), dan een middel om tot de onbetwijfelbare waarheid te komen:
• De inquisitie die Galilei beschuldigd van overhaaste conclusies.
• Russel die de kerk en Lenin bestrijd met rationele twijfel, maar z’n eigen overtuigingen ongemoeid laat.
• De kerk die stelt dat de evolutietheorie nog niet bewezen is.
• (JV) Twijfel aan de universele geldigheid van de mensenrechten.
posted on Friday, February 01, 2008 5:22 PM