Saturday, October 31, 2009
#
voortaan maar weer via
blogspot
namelijk, plaatjes te lastig en het template werkte niet meer.
+ in diverse browsers is het moeilijk om het bericht goed op te maken (zoals je ziet).
see you!
Tuesday, October 20, 2009
#
Sunday, September 13, 2009
#
Hallo M,
Heb inmiddels Elegant als een Egel met veel plezier gelezen.
Ik ben altijd een beetje een slechte ontvanger van cadeaus: ik ben een tikkeltje te zenuwachtig dat ik niet goed reageer of een boodschap niet goed oppik of te lang de aandacht naar me toe trek. Ik had eerst 'engel' i.p.v. 'egel' gelezen en op je kaartje had ik niet gezien dat I er bijstond (bedankt, I). Kortom.
Tot mijn verrassing werd ik op enkele momenten echt geëmotioneerd.
Bijvoorbeeld als Renée voor het eerst bij Kakuro komt en het stilleven ziet. Tot mijn verrassing omdat in eerste instantie Renée niet helemaal geloofwaardig overkomt met haar angst om 'ontdekt' te worden. Pas later in het boek wordt dat middels het trauma t.a.v. haar zus geloofwaardiger. Hoewel daar ook verschillen tussen de Franse en Nederlandse samenleving een rol zullen spelen. Nederland kent zulke conciërges niet en wordt ook het klassenverschil wellicht niet zo groot (de conciërge is minder een stereotype). Amerikanen lijken er al helemaal niets van te begrijpen als ik afga op de recensies op Librarything. Ondertussen identificeer ik me toch ook wel weer een beetje met Renée: Jongen uit de arbeidersklasse (há), mijn werk als onderduikadres en daarbij aardig snobistisch als het gaat om de veel diepzinniger boeken die ik lees (t.o.v. collega’s en de gemiddelde mens die je ontmoet). Terwijl daaronder een emotionele vulkaan sluimert (waarbij uiteindelijk toch mensen een rol spelen). Zie het maar eens consistent te maken allemaal!
Of filosofie nut heeft voor het dagelijks leven? Qua inhoud vaak nauwelijks geloof ik, maar wat mij betreft wel qua ruimheid van denken die je erdoor krijgt. Maar datzelfde geldt voor de literatuur denk ik. Of meer nog. Of moet je het dagelijks leven niet te nauw opvatten (en filosofie ook niet). Ikzelf ben bijvoorbeeld bepaald gelukkig met het feit dat ik de graaicultuur van de managers (ook in ons bedrijf tegenwoordig een issue) in verband kan brengen met de mimetische begeerte van Rene Girard. Om maar iets te noemen. Of dat iemand een verband legt tussen de regering Bush en wat er op Paaseiland is gebeurd. En zo is er veel meer denk ik. Ideeën die je blik op de wereld vormen, zodat je je niet helemaal verloren voelt ronddobberen.
Enfin, ik wil je bedanken voor het interessante en bij tijden hilarische boek. Hopelijk hoor ik nog eens jouw mening over deze onderwerpen.
Liefs en tot ziens, Jan
Ik geloof niet dat dit boek over een moreel dilemma gaat, of dat Serge uiteindelijk verrassend de goede keuze in dit morele dilemma zou doen. Het gaat eerder over wat je doet om je gezin te beschermen als er een ramp plaats vindt, in een samenleving waarin moraliteit een achterhaald begrip is.
Voor dat laatste lijken me de bewerkingen van het filmpje op youtube te staan (met applaus ed.). En iedereen die daar wel eens kijkt, weet dat er genoeg van dit soort filmpjes te zien zijn. Boodschap: we leven in een samenleving die weinig medelijden met de zwakken heeft.
Daar doet de morele verontwaardiging via Opsporing Verzocht helemaal niets aan af. Het is lekker makkelijk om vanachter de TV moreel verontwaardigd te zijn: ook dat is eerder een vorm van geweld; jezelf eens goed opzwepen over de slechtheid van de wereld en een gevoel van gerechtvaardigde boodsheid krijgen.
Ik denk niet dat we echt nog geloven in schuld&boete en een samenleving waar de rechtvaardigen aan het langste eind trekken. Boete die inhoudt dat je zoon een paar jaar in een jeugdgevangenis terecht zou komen. Wie gelooft nou echt dat ie daar beter van zou worden? Ik denk dat er maar weinig mensen in mijn omgeving zijn die niet zouden denken dat daar een ander slag mensen thuis hoort en dat ze er zelf alles aan zouden doen om hun kroost eruit te houden.
Bij deze interpretatie is de presentatie van het geweld als veroorzaakt door een aantoonbare ziekte dan ook helemaal geen ontkrachting. Die ziekte staat voor een medicalisering van de persoonlijkheid; voor alles wat afwijkend is, wordt vroeg of laat wel een gen of iets anders chemisch/biologisch gevonden. Met als resultaat dat moraliteit betekenisloos wordt.
Daar komt nog bij dat mensen alleen een moreel bewustzijn kunnen ontwikkelen als ze de kans krijgen om zelf na te denken en met afwijkende meningen te komen (Kant / Verlichting: heb de moed je van je iegen verstand te bedienen). Maar als je dat doet, wordt er niet op argumenten ingegaan of de principiele vrijheid van denken, maar wordt je vader bij de rector geroepen, in een sfeer van politieke correctheid.
Kortom, of je nu wel of niet vind dat de samenleving voorbij goed en kwaad is, dit boek gaat m.i. in ieder geval niet over morele keuzes.
Friday, August 28, 2009
#
Fromm (Angst voor de vrijheid) vraagt zich af in hoeverre de geïntegreerde persoonlijkheid met anarchisme te maken heeft en daartoe leidt (198). Immers deze persoonlijkheid erkent geen enkele vorm van gezag meer, en wel omdat ze deze niet meer nodig heeft. Een dergelijke persoonlijkheid is in een bepaalde zin onafhankelijk van de samenleving geworden, wat anderen van hem denken en de macht die men over hem wil uitoefenen.
Dit lijkt overigens vrij sterk op Bakoenin, die de anarchist ziet als iemand die de ‘natuurlijke maatschappij’ in zichzelf heeft overwonnen (c.q. moet overwinnen). ‘Haar werking is zachter, indringender, onmerkbaarder, maar des te machtiger dan die van de staatsautoriteit. Zij beheerst de mens door de gebruiken en zeden, de massa sentimenten, vooroordelen en gewoonten … ‘ (Staat en Maatschappij, vert. Arthur Lehning).
Fromm stelt echter dat er in een samenleving met geïntegreerde persoonlijkheden wel degelijk plaats is voor ‘rationeel gezag’, dat juist de ontwikkeling van deze persoonlijkheid hoog in het vaandel heeft staan.
Later is Fromm zich ook meer met Zen boeddhisme gaan bezig houden. Waarschijnlijk vanwege de oriëntatie daarvan op de geïntegreerde persoonlijkheid. Een conclusie die ik ook heb getrokken. Om anarchist te zijn, heb je moed nodig die bij een geïntegreerde persoonlijkheid het meest aanwezig is en de enige praktische en levende weg daar naartoe wordt geleverd door verschillende nog praktiserende boeddhistische monniken c.q. het boeddhisme. Let wel, niet de moed om bommen te gooien, maar de moed om anders te zijn, een afwijkende mening van de groep te hebben (e.a.)
Deed Fromm dat uit teleurstelling met de politiek en politieke filosofie? Het wordt toch eerder gezien als een vlucht in het individualisme, in plaats van een keuze voor maatschappelijke actie, het verbeteren van de samenleving.
Toch is er niets op tegen om het alle twee te doen. Daarbij levert het boeddhisme een bescheidenheid op twee aspecten:
- Zolang je ego je nog in de weg zit, nog bang bent voor je eigen hachje, graag erkend wil worden voor je geweldige prestaties, is het lastig om een echte bijdrage aan het verbeteren van de wereld te leveren. Dat kan zomaar uitlopen op laf verraad van je principes, toch je mond maar houden, het ‘Wir haben es nicht gewusst’, dan wel megalomanie van het type Stalin / Chavez.
- De wereld kan nauwelijks worden verbeterd. Maar we doen ons best er iets van te maken. Individuele mensen kunnen wijs worden, een cultuur kan een tijd lang die wijsheid bevorderen. Maar alles wat ontstaat, verdwijnt ook weer. Een cultuur is nu eenmaal een open systeem dat zeer afhankelijk is van een evenwicht tussen allerlei subtiele krachten. Vroeg of laat raken die uit balans door gebeurtenissen van buitenaf. Kortom, uiteindelijk een cyclische kijk op de geschiedenis. Die overigens van alle tijden en culturen is. Slechts het Westen heeft een lineaire kijk op de geschiedenis ontwikkeld.
Zes pagina's Fromm en commentaar op scribd
Hoewel fascinerend om te lezen en een overstelpend feitenmateriaal, is dit boek onevenwichtig in z’n analyse van de huidige situatie en wat eraan te doen.
Uit zijn stelling dat we de problemen best kunnen oplossen omdat we ze zelf hebben veroorzaakt, spreekt een ongelofelijke (of strategische?) sociologische naïviteit. Het gaat uit van de samenleving als subject dat – naar het evenbeeld van de mens als subject – verantwoordelijk is voor z’n doen en laten, zichzelf begrijpt en rationeel kan bijsturen. Het geldt voor de mens niet en voor de samenleving al helemaal niet. Zo’n naïviteit kan alleen leiden tot advies over consumenten activisme. Nogal een povere conclusie uit zo’n schitterende beschrijving van de geschiedenis van de mensheid.
Waarom doet Diamond niets met zijn conclusies t.a.v. de korte termijn belangen van de elite? Schrikt hij daarvoor terug? Vindt hij het te moeilijk om z’n geloof in burgerlijke waarden en het kapitalisme af te leggen? In ieder geval lijkt hij te weinig socioloog en politiek filosoof om zich af te vragen hoe de waarden dan wel omgebogen kunnen worden en hoe lange termijn belangen wat meer in ons doen en laten (en die van de elite) ingebakken kunnen worden. Als je concludeert dat winst nu eenmaal op korte termijn gemaakt moet worden, zou je dan tenminste niet de vraag moeten onderzoeken of die dan niet afgeschaft moet worden?
Twee besprekingen en een lecture op youtube van Jared Diamond:
http://www.grenzeloos.org/artikel/viewartikel.php/id/794.html
http://www.grenzeloos.org/artikel/viewartikel.php/id/1142.html
http://www.youtube.com/watch?v=IESYMFtLIis
Langere bespreking van mij op scribd
http://www.scribd.com/doc/19189447/DiamondJared-2005-CollapseReviewNL
En jij? Heb jij nog korte termijn belangen die botsen met het voortbestaan van de samenleving?
Sunday, April 05, 2009
#
Het moderne westen. Culturele ontwikkeling na 1945. Jean Améry
Het Spectrum, 1963 (oorspr. Duits, 1961. Dit is m.i. een vertaling van een later bijgewerkte editie)
Na de 2de Wereldoorlog is de Westerse samenleving in een jaar of vijftien sterk verandert. Het is in die relatief korte periode een door de massamedia bepaalde consumptiemaatschappij geworden. De facto is er zo een culturele eenheid in het westen ontstaan. Améry benadrukt dat het westen niet zozeer gekenmerkt wordt door een gemeenschappelijke mythe c.q. ideologie, als wel door de feitelijke eenheid van de (cultuur)industrie.
‘De Euramerikaanse beschaving (…) heeft slechts één voedingsbron: het verbruik. De rest is illusie’. (269)
‘Naar de grote Euramerikaanse mythe zoeken wij echter vergeefs. De bindende en verbindende leidende idee ontbreekt – of blijft beperkt tot feuiletonistische vaagheden’. (269)
De koude oorlog was in 1953 al over z’n hoogtepunten heen en was als ‘mythe’ een zuiver negatief bepaalde. Aan de ook via de NATO vigerende verdediging van de vrijheid, kon of werd nauwelijks een invulling gegeven. De ideologie die er met betrekking tot ‘vrijheid’ was, droeg het spoor van een ad hoc filosofie, die nu eenmaal tegenover de marxistisch-leninistische ideologie van de Sovjet-Unie in stellingen gebracht moest worden. Ze werd dan ook voornamelijk door ‘de kruisvaarders’ ingebracht; voorheen fanatieke communisten – vaak van achter het IJzeren Gordijn - die zwaar in de praktijk ervan teleurgesteld waren. Zoals bijvoorbeeld Arthur Koestler (Darkness at Noon, The Yogi and the Commissar).
Duidelijk is dat het eigenlijke (anti-) ideaal voor het eerst in de geschiedenis uitsluitend de verhoging van de levensstandaard wordt.
Een goed leesbaar geschreven analyse uit een tijd dat alles nog nieuw was. En veel van wat er toen al is gezegd, wordt nu nog steeds herkauwd of opnieuw ontdekt. Terwijl nota bene televisie in Europa nog aan zijn opmars moest beginnen … Een must-read voor iedereen die onze huidige samenleving wil begrijpen. Zou verplichte kost voor het geschiedenis onderwijs moeten zijn.
Op Scribd meer.
When this book hit the Dutch market in 1972 (was there a market at that time?), i almost immediately bought and read it.
Fifteen years old, the only reason i could afford it, was because the publisher priced it at 2,50 Dutch guilders (about a US dollar). This, because it was the fifth hundred publication in the Aula series of Het Spectrum (the publisher). No wonder half of the world sales came from the Netherlands.
And again, fifteen years old, the reason i bought it was because i had read about it in the woman’s magazine Margriet. It did some articles on environmental pollution and the world going down the drain. My motives being a mixture of interest in the possibilities of computer modeling and worry about the environment (mainly the first though, although my über-ich sticks to the second).
Now I reread it. So, is this a readable book? It is actually. It is well written and well composed; rhetoric means well used to make sure that its message hits the fan. Stated in an absurdly shorted form, the book tells us this:
Objective science to effective policies
If ever science was used to get a moral lesson home, it’s here. After all, the main ‘scientific’ message – there’s no way finite systems can support limitless growth – is almost a tautology. This leaves the ‘moral’ message – so stop growing – with some firm footage. And if we add if you don’t want to die, it’s just a matter of enlightened self-interest to do so.
No matter how simple this message, it is far from clear how to get there. The report – which includes a presentation and afterword by members of the Club of Rome itself, does not even begin to suggest this in any concrete way. It just states that we need fundamentally different philosophies for our lives. It also states that customary government systems are failing when confronted with such complex situations.
And the world itself? It would not be to cynical to say that it plunged headway in an orgasmic feast of growth and consumerism by opting for neoliberal economic politics, giving free way to all the forces of darkness that Limits to Growth identifies, not only in its practice but all the more in its ideology. The human being a rational animal? It’s just one more count on the dialectics of Enlightenment.
But to be somewhat less cynical; the report warns against just going after the negative feed-backs. Just fighting pollution, malnutrition and building longer lasting machines, will not get us anywhere in the end as long as industry and population are allowed to grow (exponentially). With all the ‘green’ parties, all effort put in climate conferences and cutting back on environmental pollution, we have just done the less half of what the report told us to do. The most central tenets of the report where disregarded: industry and population growing like never before.
I placed a full account on sribd which goes into more details of the computer model.
So. have you stopped growing?
Saturday, March 21, 2009
#
Having been a member of the Dutch social-democratic party with Marxist tendencies when I was in my twenties, of course I should have read this book at that time. It was mentioned a lot at that time, but always with a certain disdain.
But actually it is well informed, well written and raises important issues. Already in 1947 it gives a lot of facts about the Soviet Union that makes it very clear that it in no way can be understood as a socialist state or even a state that is striving to become one. Rather, under Stalin it was reformed back to a Tsarist - but now totalitarian – regime. Koestler paints a very specific picture about changes in the law and assigning state heroes from the old regime that leave no doubt about how Stalin saw himself. Even now worth the read I think.
Still, Koestler defines himself as a socialist at that time. In his analysis about what went wrong and how to escape, he points to the ethics of the Commissar as against that of the Yogi. Ethics has been reduced to psychology (Freud – Superego), physiology, self-interest etc. This leads of course to cynicism and a practice where attaining a goal justifies the use of any means. It leads to the power politics of the Commissar.
Using insights from science about the irreducibility of complex phenomena to ‘lower’ levels – insights that are broadly in line with contemporary ideas about it -, Koestler argues for the irreducibility of ethics as an experience of human beings in society. Now, whereas normally our practices are done in a specific level of complexity, Koestler sees the Yogi as looking ‘sideways’ at these levels and thus having a broad view of reality. Koestler argues that such a view is needed to transcend being stuck in the view of the Commissar and in power politics.
Although not very convincing in it self, Koestler’s Commissar / Yogi view points to difficulties in ethical practices in modern society that are very real. In this sense this part of the book is a forerunner of Peter Sloterdijk’s Critic of Cynical Reason. The problems can be summed up as the decline of ‘good will’ under the force of circumstance; everyone really wants to act ethically correct, but the force of circumstance dictates otherwise.
Said differently, we are trapped in subsystems for which ethics is not a meaningful way of communication. We have to act according to the practices of the subsystem or radically step out of it (unthinkable). We don’t want to pollute the environment, but we need a car to get to work. Our company wants to use non-slave-produced materials, but it has to compete with other companies in the field. The commissar does not want to chop off heads, but the damned capitalists are after his throat.
All in all this book is a better read for its facts and the questions that it raises, than for its analysis of them.
So, would you use power politics if your life is in danger?
Sunday, March 15, 2009
#
Beschouwing n.a.v. Erich Fromm - De angst voor de vrijheid.
‘Voorwaarde voor deze spontaniteit is de aanvaarding van de gehele persoonlijkheid en de overwinning op de breuk tussen “rede” en “natuur”, want alleen dan, wanneer de mens geen essentiële delen van zijn persoonlijkheid verdringt, wanneer hij voor zichzelf doorzichtig geworden is en wanneer de onderscheiden gebieden van het leven een fundamentele integratie bereikt hebben, is spontaan handelen mogelijk’. (190/191).
Het individuele karakter (persoonlijkheid) kan als een open systeem worden gezien dat zich aanpast aan de maatschappelijke werkelijkheid. Of liever de neiging heeft zich aan te passen. Dit vanwege de neiging tot angstreductie. Hieronder is op een zeer simplistische wijze aangegeven hoe de autoritaire persoonlijkheid een suboptimalisering van de angstreductie kan opleveren, terwijl streven naar meer integratie in eerste instantie meer angst zou kunnen opleveren.

De vorm die deze curve aanneemt, is (mede) maatschappelijk bepaald. In een samenleving waar eerlijkheid over de eigen emoties een enorm taboe is, of waar twijfelen aan de grootsheid van de leider tot doodstraf leidt, zal het voor een autoritaire persoonlijkheid moeilijker zijn om iets met emoties en twijfels te doen. Het zal meer angst opleveren; het dal is dieper, de piek is hoger dan in andere samenlevingen.
Persoonlijkheid is een multidimensionaal gegeven. Terwijl hier alleen een ééndimensionele doorsnede wordt gegeven, waarbij de autoritaire persoonlijkheid een onvermijdelijk tussenstation lijkt op de weg naar integratie. Dat is natuurlijk niet zo. Er zijn ook routes mogelijk waarbij deze kuil wordt vermeden.
Hoe het ‘angstlandschap’ er precies uitziet, is echter maatschappelijk afhankelijk. Er kunnen maatschappijen zijn waar een hele brede omgeving rond de autoritaire persoonlijkheid naar beneden glooit, richting valkuil. Er kunnen ook samenlevingen zijn waarin dat een betrekkelijk geïsoleerd gebied is.
Maar zelfs als er paden zijn waarbij de autoritaire persoonlijkheid gemakkelijk vermeden kan worden op weg naar de geïntegreerde persoonlijkheid, wil dat niet zeggen dat die ontwikkeling voor het individu vanzelf gaat. In die zin is dit een wezenlijk andere curve dan die van de potentiaal kromme van bijvoorbeeld een geladen deeltje in een magnetisch veld. Daar wordt het deeltje hoe dan ook naar de toestand van laagste energie gedreven. De karakterontwikkeling richting geïntegreerde persoonlijkheid blijft echter altijd afhankelijk van de inspanning en inzichten van het individu.
Dus hoe geintegreerd ben jij eigenlijk?
Tijdens de ‘Mama Appelsap Compilatie’ (zie YouTube) krijg je buitenlandse songs te horen, waarin degene aan te telefoon een stukje Nederlandse tekst meent te herkennen. Zoals ‘luilak hang je jas op’, of ‘ik zat in de buik van een vuile kameel’. Wetenschapsfilosofisch / sociologisch gezien een interessant fenomeen.
Iedereen gaat er natuurlijk vanuit dat de tekst buitenlands is en dat de telefonist het mis heeft. Op een onbegrijpelijke werkelijkheid worden spontaan de interpretatieschema’s geprojecteerd die de waarnemer tot zijn beschikking heeft. Mensen vinden het maar moeilijk om iets onbegrijpelijk te laten.
Een andere mogelijkheid is echter dat de stukjes tekst wel degelijk Nederlands zijn. Bijvoorbeeld, omdat de artiest die dag toevallig z’n nichtje uit Nederland op bezoek had en voor de grap een stukje – niet al te duidelijk- Nederlands heeft gezongen, met uiteraard – het is een grap – absurdistische teksten. In dit geval wordt de ‘begrijpelijke’ werkelijkheid niet gezien door de toeschouwer, omdat hij die werkelijkheid niet verwacht. Er is sprake van cognitieve dissonantie.
Of heeft de meerderheid altijd gelijk? Die hoort een vreemde taal, dus is het een vreemde taal. Ook al zegt de artiest wat anders? Of heeft de artiest het laatste woord? Maar hoe weten we of hij niet liegt (of een grap uithaalt)? Tenslotte kan hij ook onwetend iets in het Nederlands hebben gezongen, negen van de tien gebruiken regelmatig drugs tenslotte.
Het beste is om e.e.a. objectief wetenschappelijk te onderzoeken. We halen er een oscilloscoop bij om de door de song geproduceerde geluiden te vergelijken met wat we denken dat er in het Nederlands wordt gezegd. Een audio opname programma als Audacity kan hier overigens ook goede diensten bewijzen. Nog mooier is natuurlijk als de song golven tevens worden vergeleken met de tekst in de taal waarin het lied is gesteld.
Je hoeft nu alleen maar te kijken waar de golven uit de song het meest op lijken, om een objectieve vaststelling van de taal te krijgen. De song-golf lijkt bijvoorbeeld 30% op de Nederlandse golf en 70% op de buitenlandse golf. Eitje dus.
Maar hoe kom je eigenlijk aan die dertig procent? Hoe stel je eigenlijk de mate vast waarin twee golven op elkaar lijken? Wie bepaalt daar eigenlijk de regels voor? Zijn die niet wat willekeurig?
De verschillende golven zullen toch wel enigszins op elkaar lijken anders zou de luisteraar ze niet met elkaar verwarren. Dus met een andere meetmethode voor de overeenkomstigheid, kom je misschien wel op heel andere cijfers. En als het dan 49% en 51% wordt (en die meetmethode is er gegarandeerd), durft de wetenschapper dan nog een uitspraak te doen?
Kortom, je zakt hier weg in het drijfzand van de theoriegeladen waarneming, de sociologie van bestaande praktijken voor meetmethoden en hun gevestigde belangen. Zeg maar dag dag tegen de hoop om er ooit achter te komen hoe het nu werkelijk zit.

En zing jij wel eens een liedje?
Wednesday, February 18, 2009
#
In 1973 was er de oliecrisis, in 1975 werd ik 18, in 1977 werd ik actief bij de Jonge Socialisten van de PvdA, vlak daarna kwam het nieuwe beginselprogramma uit.
Mijn beeld was, dat globaal genomen het democratisch socialisme werd onderbouwd door de vrijheidsfilosofie van Erich Fromm / Christian Bay. Namelijk, dat de samenleving zo ingericht kan worden dat het ontwikkelen van een geïntegreerde persoonlijkheid wordt bevorderd. Dat termen als zelfontplooiing, mondigheid en zelfs de ‘spreiding van macht, kennis en inkomen’ daar uiteindelijk naar verwijzen. In mijn beeld was dat de basisvoorwaarde voor de economische herinrichting, maar ook het uiteindelijke doel ervan.
De globale analyse van het beginselprogramma is, dat we in het licht van milieu ontwikkelingen toe moeten naar selectieve groei. De uitsluitende gerichtheid op materiële welvaart moet worden omgebogen. Een duidelijke echo van het de buikriem aanhalen van den Uyl.
In het beginselprogramma wordt in het eerste deel, bij de diagnose van het Westerse kapitalisme gesteld: ‘van vrije ontplooiing van de mensen tot mondige individuen is vrijwel geen sprake’.
In het eigenlijke programma komen de begrippen democratisering en medezeggenschap vaak terug als doelstelling; in die tijd een levende kwestie. Bij de paragrafen over Onderwijs en Kultuur en die over Welzijn, wordt gesproken over het ontwikkelen van oorspronkelijkheid en kritische zin. Ook heeft men oog voor de noodzaak tot samengaan van verstandelijke en emotionele ontwikkeling. Onderwijs en vorming moeten dienstbaar worden gemaakt aan mondigheid en democratisering. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de benodigde diversiteit van de media en dreigende commercialisering.
In Deel IV, De Lange Weg, wordt ten slotte gesteld dat de snelle economische groei van de jaren daarvoor voornamelijk gericht was op de groei van de materiële welvaart en dat deze plaats moet maken voor selectieve groei met een nadruk op collectieve voorzieningen. Dit vooral vanwege het milieu. Vanuit die verdedigende positie wordt benadrukt dat zoiets alleen aanvaardbaar is als dit gepaard gaat met grotere gelijkheid en democratisering. Er wordt hier zelfs van zelfbestuur in bedrijven gesproken.
We kunnen gerust stellen dat van het hele beginselprogramma niet veel terecht is gekomen. Op de golven van het neoliberalisme zijn een aantal inzichten drastisch gewijzigd en in ieder geval het taalgebruik bijgesteld. Je zult een PvdA’er vandaag de dag niet gauw meer over de strijd tegen het kapitalisme horen praten. De markt als beste coördinatiemechanisme is aanvaard. Wouter Bos heeft niets tegen private equity.
Het beginselprogramma is niet inspirerend om te lezen. Er zit een analyse achter van de situatie op dat moment in het licht van de oude sociaal democratische waarden, maar het lijkt een weinig doorleefd en doordacht geheel. Vooral als het op oplossingen en concrete uitwerking aankomt, geeft het een hoog ‘o, ja, en dit puntje ook nog even’ gevoel.
Het is ontegenzeggelijk zo dat (ook) de PvdA geen idee had hoe je van een uitsluitend op materiële welvaartsgroei gerichte economie kon afbuigen naar een selectieve groei met meer nadruk op menselijke waarden. Ofwel, hoe de kolonisering van de leefwereld door het systeem kon (en kan) worden afgebogen.
In het stuk voel je wel dat men daar naar toe wil, de mantra’s worden gezongen, maar hoe dat nou moet is een raadsel. Geen wonder dat de werkelijkheid hén heeft veranderd, men had i.t.t. Milton Friedman c.s., geen ideologische poot om op te staan.
You might remember my discovery that i am a librarian with a house library. If not, no offense taken. Now i share this occupation with about half-a-million fellow librarians:
So, do you generally throw away your books after reading? Some even do it before reading.
Saturday, December 13, 2008
#
Zojuist ook Erich Fromm, De angst voor de vrijheid, aan wikipedia toegevoegd. Iemand moet het doen tenslotte. Ben ik mee bezig i.h.k.v. een 'archeologie' of 'genealogie' van m'n politieke bewustzijn.
Iedereen heeft een politiek bewustzijn, de vraag is wat de bronnen ervan zijn, hoe het gevormd is en hoe het je denken vorm geeft en beperkt.
Wat zijn jouw bronnen voor je politieke bewustzijn?
As a Booker Prize winner, there's no shortage on material on the book on the web. Here's a personal impression.
In the past i have had to work with Indian people. It was at a time our software development was off-shored. I got in touch with people from Chennai who had seen the latest Hollywood movies faster than you and I. And owned them on DVD as well. About the only time a cultural difference became explicit, was when we were in the home of a Dutch colleague who owned a big flatscreen TV that was quite visible from the street. The Indians wondered about the fact that it didn't get stolen immediately by passers by.
In contrast, Adiga writes about another India where slavery is a normal thing, where votes are bought by the rich and where insubordination results in the killing off of your family. Not such a nice sight.
Do you want to see it, i wonder?
Thursday, December 11, 2008
#
Vertelde ik je al dat ik bijdroeg aan de Nederlanse Wikipedia?
Twee boekbesprekingen:
Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede
Jacques Monod, Toeval en onvermijdelijkheid
Wat heb jij te melden?
Saturday, March 15, 2008
#
Foreshadowing his later ideas, he (Milton Friedman) saw price controls as interfering with an essential signalling mechanism to help resources go where they are most valued. (http://en.wikipedia.org/wiki/Milton_friedman)
The signalling mechanism on the free market is the amount of money someone is prepared and able to pay for a product. It translates all ‘value’ into an amount of money. People who are starving value bread, but – according to free market theory - if they have no money they do not value it. Whereas on the other hand people who are already overweight but have the money to buy more bread do value it.
To put it short, on the free market goods do not flow to the place where they are most valued, but to where the most is paid for them. Anyone who refuses to acknowledge the difference between the two uses Orwellian doublethink and in my opinion does not deserve any Nobel Prize.
To wit, this is not mere fight over words. People who tell me that the free market mechanism should not be disturbed, are telling me that people who have needs but have no money to pay for them (or less than other people) may as well rot and die.
People need land to grow vegetables on them? Not really, because a multinational has bought the land to grow bio-energy on it. People need fresh water? Not really, because they can’t afford the prize the privatized company asks for it; only the rich are really thirsty. Your needs are only real if you can afford to pay for them.
Friday, February 01, 2008
#
Here's a few quotes to compare with the thoughts of Polanyi on trust and the impossibility of rigorous doubt.
'..., when human beings think too carefully and minutely about an action to be taken, they cannot make up their minds in time to act. In other words one cannot correct one's means of self-correction indefinitely. Their soon must be a source of information at the end of the line which is the final authority. Failure to trust its authority will make it impossible to act, and the system will be paralysed.' (p.157).
'The mind-body must, of course, trust that information [from memory, FT] in order to act, for paralyses will soon result from trying to remember whether we have remembered everything accurately' (p.158).
'Whether trusting our memories or trusting the mind to act on its own, it comes to the same thing: ultimately we must act and think, live and die, from a source beyond all "our" knowledge and control.' (p.160).
From Alan Watts, The Way of Zen
Artikel t.a.v. Polanyi over systematische e.a. twijfel in Personal Knowledge http://blogger.xs4all.nl/vstekst/articles/349143.aspx
Monday, December 03, 2007
#

Towards the end of his celebrated autobiography that was published in 1976, mathematician Stanislaw Ulam makes a striking remark about the way mathematics is presented:
‘(…) This was more agreeable than the present style of the research papers or books which have so much symbolism and formulae on every page. I am turned off when I see only formulas and symbols, and little text. It is too laborious for me to look at such pages not knowing what to concentrate on. I wonder how many other mathematicians really read them in detail and enjoy them.’
To wit, these are the words of someone who really has enjoyed mathematics and has been engaged in the highest ranks of the subject for almost all of his life.
For me this is quite a relevant statement, since I started studying mathematics at the University of Leiden (The Netherlands) in the year 1975. And for me it was like Ulam describes. Lectures in mathematics almost entirely involved the stating of theorems and the subsequent proofing of them. Little was said about the meaning of what was proofed, why it would be interesting, or even what the essential idea of a proof was; most of the time no background or context of any kind was given. A semester of Lebesgue integration theory was given without even referring to the problems that had arisen with more basic forms of integration like the Riemann-Stieltjes Integral. It made a lot of the matter less exiting than it could have been. And to be honest, most of the proofs stayed quite unintelligible: one could follow the details but kept missing the big picture.
The point however is, that it only now becomes clear to me that I have been a fashion victim, that what I perceived as the way mathematics was done period, was only a relatively new style of writing and teaching, a fashion that had been en vogue for only a few decades yet.
This reflection of Stanislaw Ulam is confirmed by Davis & Hersh in their 1981 book The Mathematical Experience. In a section on the philosophy of mathematics they remark:
‘The formalist style gradually penetrated downward into undergraduate mathematics teaching and, finally, in the name of “the new math”, even invaded kindergarten (…)’. (p.344)
And they continue with the observation that the formalist style might have had its longest time. Actually I’m not sure that such a thing will happen. At least some of the formalism seems to me related to a certain machismo between mathematicians; the shorter and the less intuitive the proof, the better the mathematician.
In their section on Teaching and Leaning Math, Davis & Hersh give an example of the contrast between a short formal proof and a more elaborate and a more intuitive one. It is about ‘the two-pancake problem’, the problem of cutting two pancakes in halves by cutting only once in a straight line. And the pancakes aren’t on top of each other. The example of ‘the two-pancake problem’ is put in the context of the contrast between what is called ‘the logic of scientific discovery’ and that of ‘the logic of scientific justification’. The latter being a streamlined version of the former, a logically tight presentation with all hurdles and frustrations left out. It is a linear ‘success only’ story, told in a highly stylized language, ideally that of formal logic.
Now such a linear success story has only one goal, and that is to bring home the message of success. Formal proofs do that, but with the same price paid as with other success stories: because of the lack of drama it is difficult to get engaged by them and the insights that the storyteller gained in his struggles are not the focal point of the story, only the message of success is.
So I think there’s something to say for a math education (if not math itself) where insights from storytelling are used to bring home the insights of the great mathematicians.
Do you have a story to tell?
Sunday, February 18, 2007
#
Hier een samenvatting van mijn hand van Habermas - Verwetenschappelijkte politiek en openbare mening (1964) - omdat er een nieuw kabinet is.
In this diagram the interactions between System and Lifeworld as put forward in Habermas' theory of communicative action are shown. You see that according to Habermas, a subject has at least four 'roles' in society, which are coupled in pairs as consumer / employee and citizen / client.

I think any theory of society has to deal with these four roles if it wants to claim to comply to certain completeness criteria. Because in fact we are not only consumers, or only employees etc. So, e.g. in a lot of talk about the free market the discussion is centred around our roles as consumer only. Saying that because of the efficiency the prices will be lower, which is good for us... As consumer yes, but as an employee?
Sunday, February 04, 2007
#
Polanyi, Micheal (1958) Personal Knowledge. Towards a Post-Critical Philosophy. University of Chicago Press.
Dit is allereerst een onderzoek naar de aard en de rechtvaardiging van wetenschappelijke kennis. Maar mijn heroverweging van wetenschappelijke kennis leidt naar een brede reeks vragen buiten de wetenschap.
Ik begin met het verwerpen van het ideaal van wetenschappelijke afstandelijkheid. In de exacte wetenschappen is dit ideaal wellicht onschadelijk, omdat ze in feite door wetenschapsmensen wordt genegeerd. Maar we zullen zien dat het een verwoestende invloed op biologie, psychologie en sociologie uitoefent en onze gehele blik ver voorbij het domein van de wetenschap misvormt. In het algemeen wil ik een alternatief kennisideaal neerzetten.
Vandaar het wijde aandachtsgebied van dit boek en vandaar ook het smeden van de nieuwe terminologie die ik voor mijn titel heb gebruikt: Persoonlijke Kennis. De twee woorden kunnen elkaar tegen lijken te spreken: want ware kennis wordt als onpersoonlijk, objectief en universeel geldig beschouwd. Maar de ogenschijnlijke tegenspraak wordt opgelost door het aanpassen van het begrip van kennis.
Ik heb de bevindingen van de Gestaltpsychologie als mijn eerste aanwijzingen voor mijn conceptuele hervorming gebruikt. Wetenschappers zijn weggelopen voor de filosofische implicaties van gestalt; ik wil ze compromisloos tegemoet treden. Ik beschouw het kennen als een actief begrijpen van het gekende, een handeling die vaardigheid vereist. Kundig weten en doen, wordt verricht door het dienstbaar maken van een verzameling individualiteiten, als aanwijzingen en gereedschappen, aan het vormgeven van een vakkundige prestatie, of die nu praktisch of theoretisch is. We worden dan zogezegd ‘ondergeschikt bewust’ van deze individualiteiten binnen ons ‘brandpuntsbewustzijn’ van de samenhangende entiteit die we tot stand brengen. Aanwijzingen en gereedschappen zijn dingen die als zodanig worden gebruikt en niet omwille van zichzelf worden waargenomen. Ze zijn ingezet om als extensies van onze lichamelijke uitrusting te functioneren en dit brengt een zekere verandering van onszelf met zich mee. Tot op deze hoogte zijn daden van begrip onomkeerbaar en ook onkritisch. Want we kunnen geen vast kader bezitten waarbinnen het hervormen van ons tot dan toe vaste kader kritisch getest zou kunnen worden.
Zo zit het met de persoonlijke participatie van de kennende in alle daden van begrip. Maar dit maakt ons begrip niet subjectief. Begrijpen is noch een willekeurige daad noch een passieve ervaring, maar een verantwoordelijke daad die universele geldigheid claimt. Zulk kennen is zeker objectief in de zin van het contact leggen met een verborgen werkelijkheid; een contact dat gedefinieerd wordt als de voorwaarde voor het anticiperen van een onbepaalde reeks van vooralsnog onbekende (en wellicht nog onvoorstelbare) ware implicaties. Het lijkt redelijk om dit samengaan van het persoonlijke en objectieve als Persoonlijke Kennis te beschrijven.
Persoonlijke Kennis is een intellectuele betrokkenheid en als zodanig inherent riskant. Slechts van mededelingen die onwaar zouden kunnen zijn, kan worden gezegd dat ze objectieve kennis in deze zin meedelen. Alle in dit boek gepubliceerde mededelingen zijn mijn eigen persoonlijke overtuigingen, zij claimen dat en niet meer dan dat voor zichzelf.
Door het hele boek heen heb ik deze situatie duidelijk proberen te maken. Ik heb laten zien dat er in elke kennende daad een gepassioneerde bijdrage meekomt van de persoon die kent wat gekend wordt, en dat dit aandeel niet slechts een onvolkomenheid maar een essentieel onderdeel van deze kennis is.
En rondom dit centrale feit heb ik een systeem van samenhangende overtuigingen geprobeerd op te bouwen, waar ik oprecht achter sta, en waartegenover ik geen acceptabele alternatieven zie. Maar uiteindelijk is het mijn eigen loyaliteit die deze overtuigingen overeind houdt, en het is alleen op die grond dat ze aanspraak op de aandacht van de lezer kunnen maken.
Saturday, January 13, 2007
#
After my wife and I bought a house a few years ago that dates from the beginning of the 20th century, our interactions with pipe fitters, roofers, carpenters and the likes of them showed a dramatic increase in its frequency. At first we were invariably put of our rocks by them, because every single one of them claimed that things were not at all right and that the roofer / pipe fitter / gasman before them had made a mess of it. Some of them showing in detail what was wrong.
Gradually however, we came to recognize the pattern and today we don't expect them to say anything else. Apparently, it is a culture thing of the artisan: Start by asserting yourself as better qualified than your predecessor by disparaging his work.
Now, I was not aware of the same culture of disparagement associated with other professions, until lately I started recognizing the same pattern at the company that I work for. I work as a software requirements engineer and have to talk a lot with software engineers. Because of changes in our company related to off- and re-shoring, quite a lot of the software engineers have lately gotten different software modules to work on. And lo, when the informal talk about the software starts, every single one of them starts criticizing the way the module has been programmed by their predecessor(s)! The structure is not set up in a correct way, there's to much redundant coding, there's unnecessary coding because of features of the development tool etc. Better to recode the stuff boy, if not in a grand way (making a project out of it and getting a budget for it), then at least in a piecemeal way and doing it in secret. And if you are an intellectual, just call it refactoring!
Here's what Martin 'refactor' Fowler has to say about it in his book on the subject: "However, I find that if I refactor code, I work deeply on understanding what the code does (...)"
So, what is going on here? For - to be honest with you, and as I became aware of lately - of course I tend to do the same. When I have to work on a functional design document written by someone else, i sure as hell start criticizing it and edit lots of it: its structure, its wording, its mark-up, nothing is sacred. And in the course of tinkering with the document it becomes my document, not in the possessive sense but as something that i'm familiar with, of which i recognize the particular idiosyncrasies, of which i know the meaning of all its details.
By now and if you are familiar with it, you will recognize processes that Heidegger and Michael Polanyi describe. In 'refactoring' the document i'm 'indwelling' in it, it enables me to know the document in a very personal way. And to wit: that is the only way of knowing it.
Friday, January 12, 2007
#
(papers in italics)
| Aldiss, B. |
Earthworks |
| Ballard, J.G. |
De zingende beelden |
| Banks, Iain |
The Algebraist |
| Berlin, I. |
Four Essays on Liberty |
| Biggle jr, L. |
The fury out of time |
| Boon, Louis |
Geschiedenis van de psychologie |
| Boucheron, B. du |
Slangenkoers |
| Copleston, F. |
History of Phil. Intro vol.4, Concl.vol.6 |
| Cunningham, M. |
Specimen Days |
| Decker, E.H. |
Self-Organizing Systems |
| Dendermonde, Max |
De wereld gaat aan vlijt ten onder |
| Egan, Greg |
Permutation City |
| Foucault, M. |
Nietsche, Genealogy, History (a.a.) |
| Freeman, M. |
Death, Narrative Integrity and the radical challenge of self-understanding |
| Freeman, M. |
Charting the narrative unconscious |
| Gaarder, J. |
De Wereld van Sofie |
| Grunberg, Arnon |
Tirza |
| Guerrerio,G. |
Gödel |
| Haring, Bas |
De ijzeren wil |
| Heilbroner, H.L. |
The wordly philosophers |
| Kearny, R. |
On Stories |
| Leach, E. |
Claude Levi Strauss |
| Liss, David |
The Coffee Trader |
| Lyotard, J.F. |
Le Condition Postmoderne |
| Mills, Magnus |
The restraint of beasts |
| Monod, J. |
Toeval en onvermijdelijkheid |
| Naipul, V.S. |
An area of darkness |
| Poel, Erik v.d. |
Oliedom |
| Robinson, D. |
Nietzsche and Postmodernism |
| Rosenboom, Thomas |
Publieke Werken |
| Tolstoj, L. |
De dood van Iwan Iljitsj |
| Viskovatoff, A. |
Foundations of Niklas Luhmann's theory of social systems |
| Watson,P. |
Grondleggers van de moderne wereld |
| Westerman, Frank |
De Graanrepubliek |
Monday, April 17, 2006
#
Proeve van een natuurfilosofie van de moderne biologie. Oorspr. Le Hasard et la nécessité
In zijn boek over systeem biologie legt Bernhard Palsson* de historische wortels voor de Systeem Biologie onder andere bij de ontdekking van het zogenaamde Lac Operon. Met deze ontdekking legde Monod samen met Jacob het mechanisme bloot waarmee in cellen de genetische informatie wordt omgezet in proteïnen. Ze kregen er de Nobel prijs voor. In Toeval en Onvermijdelijkheid gaat Monod in op de filosofische achtergrond en betekenis van deze ontdekking. Het is daarmee één van de eerste boeken in een inmiddels rijke traditie, waarin bijvoorbeeld ook de boeken van Richard Dawkins over The Selfish Gene en dat van Wilson over Sociobiology passen.
Levende wezens hebben volgens Monod de volgende drie karakteristieken: teleonomie, autonome morfogenese en onveranderlijke voortplanting.
Autonome morfogenese. Kunstmatige artefacten komen altijd tot stand door krachten van buiten af, die het voorwerp vorm geven. Bij levende cellen is daar geen sprake van; ze bouwen zich geheel onafhankelijk van krachten van buiten op.
Monod ‘toont aan’ dat teleonomie een objectief verschijnsel is, door een gedachtenexperiment met een computerprogramma te doen. Stel dat een computer van allerlei kunstmatige voorwerpen kan vaststellen dat er een doelgerichtheid aan ten grondslag ligt. Het kan bijvoorbeeld van een horloge vaststellen wat de bedoeling ervan is. Dan is er geen enkele reden om aan te nemen dat zo’n programma ook niet zou kunnen vaststellen wat de bedoeling van een cel is, namelijk zichzelf delen.
Deze teleonomie is enerzijds objectief vaststelbaar en anderzijds in tegenspraak met het kernstuk van de moderne (en dus post – Aristoteliaanse ) wetenschapsmethode – het objectiviteitsprincipe, dat stelt dat je geen wezenlijke kennis opbouwt als je verschijnselen alleen kan verklaren door naar planmatigheid te verwijzen. Deze tegenspraak ziet Monod als het centrale probleem in de biologie.
In Toeval en Onvermijdelijkheid gebruikt hij zijn ontdekkingen en die van de genetica en de evolutietheorie om te schetsen hoe deze teleonomie zuiver wetenschappelijk verklaard kan worden. Daarmee brengt hij tevens de definitieve slag toe aan de nog altijd bestaande ideeën over vitalisme.
Dat gedaan hebbende gaat hij nog een stap verder door erop te wijzen dat de moderne samenleving de vruchten van de wetenschap maar al te graag gebruikt. Maar terwijl de wetenschap alleen maar dankzij dat objectiviteitsprincipe groot heeft kunnen worden, blijven veel filosofieën, levensvisies en religies hangen aan ‘animistische’ ideeën, waarbij het objectiviteitsprincipe niet wordt aanvaard. Vaak wordt gesteld dat de geschiedenis een plan heeft (marxisme), of dat het universum zich ontplooit volgens een bepaald plan. Monod ziet een groot gevaar in de kloof tussen deze ideeën en het uitgangspunt van de wetenschap. De samenleving zou baat hebben bij een kennisethiek die het objectiviteitsprincipe respecteert, één die kennis en waarden niet door elkaar haalt.
*Palsson, B.O.(2006) Systems Biology. Properties of Reconstructed Networks