Friday, October 07, 2005


DE ONTWIKKELINGEN IN ZWEDEN

Onder de westerse industrielanden staat Zweden bekend vanwege het succes waarmee het land welvaart en een rechtvaardige verdeling heeft bereikt door aspecten van kapitalistische en socialistische modellen met elkaar te combineren binnen een krachtig kader van democratisch pluralisme. De Zweedse ervaringen zijn leerzaam en geven ons inzicht in de dynamiek van het pluralisme en de consequenties van de globalisering.

Weinig mensen weten dat de industrialisatie Zweden honderd jaar later bereikte dan Engeland. Tot in de jaren na de Tweede Wereldoorlog was Zweden een bijzonder arm land. Op het platteland woonden veel mensen in kleine boerderijen die, gezien het barre klimaat en de arme grond, nauwelijks genoeg opbrachten om van te leven. Soms stierven mensen tijdens een hongersnood of emigreerden naar het buitenland. Vele anderen leefden zelfs tot ver in de twintigste eeuw in een vorm van lijfeigenschap op grote landgoederen. Analfabetisme kwam heel veel voor. Tot aan het einde van de jaren veertig van de vorige eeuw was het normaal dat een gezin in een eenkamerwoning met een keuken huisde (het toilet werd met andere gezinnen gedeeld). Zelfs het Zweedse koninklijk huis was naar de maatstaven van de meeste andere Europese vorstenhuizen betrekkelijk arm.

Het moderne Zweden had zijn succes te danken aan de Zweedse sociaal-democratische partij, die een nationale consensus smeedde en handhaafde die haar veertig jaar lang, van 1932 tot 1976, aan de macht hield. De sociaaldemocraten hebben het hoogontwikkelde systeem van sociale voorzieningen in Zweden opgebouwd. Hun loonpolitiek verschoof arbeiders naar de middenklasse en creëerde een grotere mate van gelijke betaling - inclusief een grotere gelijkheid van de lonen van mannen en vrouwen - dan in welk ander Europees land dan ook. De sociaal-democraten zetten volledige werkgelegenheid hoog op de prioriteitenlijst. Om Zweedse transnationale bedrijven als Volvo, Electrolux, Saab en Ericsson aan te moedigen hun werkzaamheden in Zweden zelf te concentreren, was het belastingtarief op in Zweden gemaakte winst veel lager dan voor winst die in het buitenland werd gemaakt.

Een alliantie tussen de grote Zweedse industrieën en de vakbonden diende als het politieke fundament van de partij en ondersteunde de gecentraliseerde en vreedzame onderhandelingen over lonen en arbeidsomstandigheden met nationale vakbonden en werkgeversorganisaties. Dit verbond bleek voor zowel ondernemers als werknemers bijzonder profijtelijk.

De regeling vertoonde echter aanzienlijke structurele gebreken, die haar stabiliteit uiteindelijk hebben aangetast. Het ene was een belastingsysteem dat grote bedrijven, die zich ten koste van kleinschalige firma's en familiebedrijven uitbreidden en investeringen deden, ondersteunde. Dit leidde tot een toenemende concentratie en monopolisering van eigendom binnen de Zweedse economie. Hoewel de loonpolitiek de nadruk legde op gelijkheid binnen de werkende klasse, werd de kloof tussen de werkende klasse en de kapitaalbezitters een stuk breder. In die tijd werd die kloof beschouwd als de prijs die moest worden betaald om de industriële ondernemers binnen de coalitie te houden. Ten slotte leidde deze tot de vernietiging van die coalitie.

Na de eerste schok van de stijgende olieprijzen in 1973 en 1974 leidde de daaruit voortvloeiende productievermindering tot een fiscale crisis en tot verzet van de bevolking tegen de hogere belastingen. In dezelfde periode opende Zweden zijn economische grenzen en ontwikkelde meer activiteiten in de internationale economie. Daardoor werden de banden tussen kapitaal en binnenlandse arbeid minder sterk en verzwakte de positie van de vakbonden.

Tijdens de eerste fase van de globalisering leidde de expansie van de Zweedse bedrijven tot nieuwe werkgelegenheid in Zweden zelf en bestonden er geen onoverkomelijke conflicten tussen de doelstellingen van beide partijen in de alliantie. Maar zodra de Zweedse transnationale bedrijven hun belangen eerder als mondiaal dan als nationaal begonnen te zien, begon de alliantie tussen de arbeiders en de eigenaars van het kapitaal te desintegreren. In die tijd overtroffen de hoogopgeleide hoofdarbeiders de handarbeiders in aantal en zag de jongere generatie de welvaartsstaat als iets vanzelfsprekends, wat de politieke basis van de Zweedse sociaal-democraten nog verder verzwakte.`

De groeiende spanning tussen de regeringssteun voor de mondiale expansie van de Zweedse transnationale bedrijven en de noodzaak in het binnenland werkgelegenheid te scheppen en de nettolonen te verhogen, bleek niet langer vol te houden. In 1976 verloren de sociaal-democraten de verkiezingen en kwam er een centrum-rechtse coalitie van drie partijen aan de macht.

Toen de sociaal-democraten in 1982 opnieuw regeringsmacht veroverden, waren ze een gematigde partij geworden die de Zweedse industriëlen genoeg winstmarges op binnenlandse investeringen wilden toestaan om te zorgen dat ze 'in Zweden bleven geloven' - een uitspraak van P.G. Gyllenhammer, directeur van Volvo. 'In Zweden blijven geloven' betekende dat het aandeel van de nationale productie dat onder de bedrijfswinsten viel, toenam ten opzichte van het aandeel dat aan lonen werd uitbetaald, zodat de Zweedse industriëlen het de moeite waard zouden blijven vinden in het binnenland te investeren. Dit werd aanvaard als de prijs voor de handhaving van volledige werkgelegenheid in een tijd waarin de werkloosheid elders in Europa tot acht a negen procent of meer opliep."

Het daaruit voortvloeiende beleid liet de winsten van het bedrijfsleven tot voorheen ondenkbare hoogten stijgen. Omdat de Zweedse investeerders over veel meer geld beschikten dan productief kon worden geïnvesteerd, begonnen ze te speculeren en de prijzen van onroerend goed, kunst, postzegels en dergelijke op te drijven. Om de opwaartse spiraal te doorbreken verzachtte de regering de monetaire controle, zodat de overtollige fondsen elders in Europa konden worden besteed. Het geld stroomde zo snel weg dat de prijzen van onroerend goed in Londen en Brussel tot recordhoogten stegen. Omdat de speculatieve zeepbel zichzelf in stand hield, werden door de snelle speculatieve winsten fondsen onttrokken aan productieve investeringen in Zweden zelf. Toen de zeepbel van de Zweedse handel in onroerend goed ten slotte uiteenspatte, verloren de Zweedse banken achttien miljard dollar aan niet inbare leningen. De regering kreeg de rekening gepresenteerd en die werd doorgeschoven naar de Zweedse belastingbetalers.`

Tijdens deze perioden speelden de grote Zweedse industriële ondernemers een actieve rol bij de ontmanteling van het 'Zweedse model' dat was geconstrueerd door de sociaal-democratische alliantie. De Zweedse werkgeversorganisatie wees gecentraliseerde loononderhandelingen af, ooit een van de hoekstenen van het model, en ging een verbond aan met de conservatieve partij.

Ze subsidieerde bovendien adviescommissies die de ideologie van de vrije markt ondersteunden en hielden een groots opgezette publieke voorlichtingscampagne waarin het individualisme en de vrije markt werden aangeprezen en de sociaal-democratische regering werd afgeschilderd als incompetent en onderdrukkend. Dit verzwakte de positie van het staatsapparaat en het vermogen ervan een beleid voor de lange termijn te bepalen.

In 1983 vulde de bestuursvoorzitter van Volvo, P.G. Gyllenhammer, dat hiaat op door de Rondetafel van Europese Industriëlen te vormen, die was samengesteld uit de leiders van de vooraanstaande Europese transnationale ondernemingen, waaronder Fiat, Nestlé, Philips, Olivetti, Renault en Siemens. De doelstellingen waren: regeringsbeleid op de lange termijn bepalen en als internationale lobby dienen om op de uitvoering van dat beleid aan te dringen.

Aan het einde van 1992 had de rijkste twee procent van de Zweedse huishoudens drieëntwintig procent van alle Zweedse eigendommen en tweeënzestig procent van de aandelen in bezit die op de beurs van Stockholm werden verhandeld. Terwijl het gemiddelde Zweedse huishouden van 1978 tot 1988 armer werd, verdubbelden de vierhonderdvijftig rijkste huishoudens hun vermogen. Toen de sociaal-democraten voor het eerst werden weggestemd, bedroeg de werkloosheid drie procent. Ze steeg tot vijf procent in 1992 en voorspeld werd dat ze tot zeven procent zou oplopen, zelfs al was zeven procent van de beroepsbevolking al opgenomen in overheidsprogramma's voor herscholing en voor bevordering van de werkgelegenheid.

Van meet af aan bevatte het Zweedse model de kiemen voor de vernietiging ervan. Er werd een machtige financiële elite gecreëerd die heel andere belangen had dan de meerderheid uit de middenklasse. Het leidde tot zelfgenoegzaamheid onder de welvarende Zweedse bevolking en deze slaagde er niet in de jongere generatie bij te brengen dat een democratie voortdurend moet worden hernieuwd door middel van blijvende waakzaamheid van de burgerbevolking en politiek activisme. Bovendien was de Zweedse welvaart gebouwd op een niet duurzame exploitatie van de Zweedse natuurlijke hulpbronnen, te weten hout, ijzererts en waterkracht.

Naarmate de elite aan financiële macht won, stapelden haar aanspraken op de financiële middelen van de samenleving zich op zonder dat ze een daarmee overeenstemmende bijdrage leverde aan de productie. Toen de economische grenzen werden opengesteld, werden de banen van de mensen die van productieve loonarbeid afhankelijk waren een onderpand voor de mensen die de controle bezaten over het kapitaal. Hoe meer de regering, in wanhopige pogingen de werkgelegenheid binnen de grenzen te houden, toegaf aan de eisen van de financiële elite, hoe meer geld die elite in handen kreeg, hoe meer ze erin slaagde het politieke beleid naar haar hand te zetten en hoe groter de druk op het sociale vangnet werd. De overeenkomsten met de ontwikkelingen in Amerika zijn opvallend.

De ervaringen van Zweden leren ons een les van fundamenteel belang: bij extreme ongelijkheid is democratisch pluralisme geen lang leven beschoren.

Bron: Het bedrijfsleven aan de macht • Davis C. Korten, meer kritische geluiden te vinden in de kritische reeks

posted @ 11:00 PM | Feedback (3)


De twintig miljoen dollar die de wereldberoemde basketbalspeler Michael Jordan, naar men zegt, in 1992 opstreek voor reclame voor schoenen van Nike, was meer dan het hele bedrag dat jaarlijks aan alle Indonesische arbeiders en arbeidsters die ze produceerden werd uitbetaald.

Nike, een belangrijke schoenenfabrikant, noemt zichzelf een “netwerkbedrijf”. Dat betekent dat het achtduizend mensen in dienst heeft als managers, ontwerpers, verkopers en p.r.-functionarissen en dat het de productie overlaat aan ongeveer 75.000 arbeiders die worden ingehuurd door onafhankelijke contractanten. Het grootste deel van die uitbestede productie wordt uitgevoerd in Indonesië, waar een paar Nikes dat in de Verenigde Staten of in Europa voor 73 tot 135 dollar wordt verkocht, wordt geproduceerd voor ongeveer 5,60 dollar, voornamelijk door meisjes en jonge vrouwen die niet meer dan vijftien cent per uur verdienen. De arbeidsters worden gehuisvest in barakken van het bedrijf, er zijn geen vakbonden, overwerken is vaak verplicht en als er een staking uitbreekt, kan het leger worden opgeroepen om die te breken.

Bron: Het bedrijfsleven aan de macht • Davis C. Korten, meer kritische geluiden te vinden in de kritische reeks

posted @ 6:25 PM | Feedback (2)