Thursday, October 06, 2005


Bedrijfsovernames: de nieuwe piraterij!

Wanneer verantwoordelijke managers er weinig voor voelen hun eigen onderneming te kannibaliseren, staat het financiële systeem gretig in de startblokken om een overname te financieren voor degenen die daar wel toe bereid zijn. Het gevolg is dat een roofzuchtig financieel systeem samenwerkt met een roofzuchtige markt om verantwoordelijke managers als “inefficiënt” te bestempelen en hen uit het systeem te verdrijven, zodat de maatschappelijk verantwoordelijke onderneming een bedreigde diersoort wordt.

Een speciaal type extraherende investeerder, de bedrijfspiraat, is gespecialiseerd in azen op gevestigde ondernemingen. De fundamentele procedure is van een elegante eenvoud en levert winst op, al kunnen de details ingewikkeld zijn en is de machtsstrijd vaak smerig. De piraat kiest een bedrijf waarvan de aandelen op de beurs worden verhandeld en dat een “opheffingswaarde” heeft die boven de huidige marktprijs van de aandelen uit gaat. Soms verkeren die bedrijven in moeilijkheden. Maar vaker zijn het goed bestuurde, fiscaal gezonde ondernemingen - goede staatsburgers die rekening houden met de ontwikkelingen op de lange termijn. Mogelijk hebben ze een aanzienlijke kapitaalreserve opgebouwd om zich in te dekken tegen economische malaise en bezitten ze natuurlijke hulpbronnen die ze ecologisch verantwoord gebruiken. De piraat zoekt vaak juist naar bedrijven met kapitaalreserves en middelen voor duurzame productie die kunnen worden verkocht; de kosten daarvan worden op de plaatselijke samenleving afgewenteld.

Zodra zo'n bedrijf is gekozen, richt de toekomstige overvaller een nieuwe onderneming op als opvang voor het bedrijf dat hij wil overnemen. Vaak wordt zo'n “opvangbedrijf” vrijwel geheel gefinancierd met geleend geld en bezit het geen of weinig eigen vermogen. De geleende fondsen worden gebruikt om onopvallend het maximale door de wet toegestane aantal aandelen te kopen van het bedrijf dat het doelwit is. Vervolgens wordt aan de raad van bestuur aangeboden de resterende aandelen te kopen voor een prijs die boven de marktprijs ligt, maar onder de opheffingswaarde. Als het overnamebod wordt aanvaard, neemt de koper het gekochte bedrijf in haar eigen onderneming op en schuift dus de schuld waarmee het is gekocht naar dat bedrijf door. Door middel van financieel gegoochel is het bedrijf gekocht met behulp van zijn eigen productiemiddelen, die borg staan voor de leningen waarmee de koopprijs is betaald.

De personen die de transactie organiseren, zorgen voor een vrijwel risicoloze winst voor zichzelf door hoge honoraria te innen voor hun “dienstverlening”. Omdat de transacties meestal worden gefinancierd met geld van banken of investeringsfondsen, worden de risico's grotendeels door anderen gedragen, met inbegrip van het publiek dat de stortingen op de bank garandeert en afstand doet van belastingvoordelen om rentebetalingen op de lening te subsidiëren en de kleine investeerders en gepensioneerden die hun geld op het spel zetten.

Het “nieuwe” bedrijf heeft nu omvangrijke extra schulden. Om die schulden af te lossen kan het nieuwe management de kapitaalreserves en pensioenfondsen aanspreken, winstgevende bedrijfsonderdelen verkopen om snel aan kapitaal te komen, de lonen verlagen, de productievoorzieningen naar het buitenland verplaatsen, de natuurlijke hulpbronnen uitputten, bezuinigen op onderhoud en onderzoek om de winsten op de korte termijn te verhogen - doorgaans ten koste van de levensvatbaarheid van de onderneming op de lange termijn. Bij bijna tweeduizend overnames is vastgesteld dat de nieuwe eigenaars in totaal een bedrag van eenentwintig miljard dollar vrijwel hebben gestolen van de pensioenvoorzieningen van het bedrijf, die ze vaak tot “overtollige” fondsen verklaren, zodat ze hun schulden ermee kunnen aflossen.

Zodra de schulden zijn betaald en het bedrijf snelle groei van de jaarlijkse winsten rapporteert, kan het opnieuw worden verkocht aan het publiek door tegen een flinke winst aandelen uit te geven. De piraat wenst zichzelf geluk met deze “toegenomen economische efficiëntie” en de aan de economie “toegevoegde waarde” en zoekt een andere prooi. Dit zijn in principe de kenmerken van een kwaadaardige overname met geleend geld, een vorm van ondernemerskannibalisme.

Een overname met geleend geld is uitsluitend mogelijk als de piraat erin slaagt genoeg financiële middelen te verzamelen. Je zou denken dat verantwoordelijke bankiers en financiële makelaars transacties uit de weg gaan waarbij door pas opgerichte bedrijven zonder productiemiddelen ontzaglijk hoge bedragen zonder waarborgen worden geleend. Het tegendeel is het geval: banken en investeerdersgroepen concurreren vaak met elkaar om deelname, aangezien de piraten ongewoon hoge rentetarieven aanbieden om het gebrek aan waarborgen te compenseren. Gedurende de jaren tachtig van de vorige eeuw boden sommige grote banken, die nu overspoeld werden met dezelfde oliedollars die ze in de jaren zeventig kwistig hadden uitgestrooid over de met schulden belaste landen van het zuidelijk halfrond, de piraten al financiering aan bij het eerste gerucht van een nieuwe overname. Normaal gesproken houdt het uiteindelijke financieringspakket een combinatie in van leningen van de bank en fondsen die zijn verworven door de verkoop van hoogrentende obligaties, die gewoonlijk “junk bonds” worden genoemd, omdat ze worden uitgegeven door lege ondernemingen zonder bedrijfsmiddelen.

Dit alles wordt uitgevoerd met een beklemmend gebrek aan morele overwegingen. Dennis Levine, een hoogvlieger in Wall Street die gevangen is gezet wegens handel met voorkennis, zegt:

We waren in Wall Street met een fenomenale onderneming bezig en we vergaten al gauw dat de miljarden dollars waarmee we aan het smijten waren een concrete invloed op de werkgelegenheid en dus op het dagelijks leven van miljoenen Amerikanen hadden. Wall Street deed maar al te vaak denken aan een gigantisch monopolyspel en die spelhouding kwam duidelijk tot uiting in onze woordkeus. Van een bedrijf dat tot doelwit van een overname was bestempeld, zeiden we dat het 'aan zet' was. We gaven de speelstukken en strategieën eigenaardige namen: wit paard, schietschijf, haaiengif, Pac-Man-verdediging, giftige pil, greenmail, de gouden parachute. Het was gemakkelijk om de score bij te houden - de winnaar was degene die de meeste transacties afsloot en het meeste geld mee naar huis nam.

Een goede illustratie van wat er maar al te vaak gebeurt als de koop eenmaal is gesloten, is de overname van de Pacific Lumber Company en de oude sequoiawouden aan de Californische kust die het bedrijf in eigendom had door de bedrijfspiraat Charles Hurwitz. Voordat Hurwitz deze onderneming via een vijandige overname had aangekocht, stond de Pacific Lumber Company, een familiebedrijf, bekend als een van de economisch gezondste en milieuvriendelijkste bedrijven van de Verenigde Staten. Het bedrijf was een voorbeeldige pionier, deed aan duurzame houtwinning in de vrij omvangrijke oude sequoiawouden die het in bezit had, bood goede secundaire arbeidsvoorzieningen aan zijn personeel, stortte extra gelden in zijn pensioenfonds om te garanderen dat het aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen, en handhaafde een beleid dat voorkwam dat mensen werden ontslagen, zelfs in penoden waarin de houtmarkt inzakte. Door deze handelwijze werd het een felbegeerd doelwit van bedrijfspiraten.

Nadat Hurwitz het bedrijf onder controle had gekregen, liet hij de duizend jaar oude bomen van het bedrijf in een tweemaal zo hoog tempo omhakken. Time: 'In 1990 sloeg het bedrijf een strook van 2,5 km breed kaal van het Headwaters Forest en noemde het met een knipoog "ons studieterrein voor biologen die wilde dieren observeren".'7 Toen Hurwitz de houtzagerijen van Pacific te Scotia bezocht, zei hij tegen de werknemers: 'Ik zal jullie eens iets over de gouden regel vertellen. De man die het goud heeft, stelt de regels.' En met die aankondiging onttrok hij vijfenvijftig miljoen dollar aan het pensioenfonds van drieënnegentig miljoen dollar van het bedrijf. De resterende achtendertig miljoen werd geïnvesteerd in lijfrenten van de Executive Life Insurance Company die de hoogrentende obligaties of “junk bonds” had gefinancierd waarmee de aankoop was gedaan - en die vervolgens failliet ging.9

De hypocrisie van sommige bedrijfspiraten wekt nog meer verontwaardiging dan hun daden. Om zijn rol bij de massale ontslagen en loonsverlagingen die volgden op de overname van de supermarktketen Safeway te rechtvaardigen, deelde de investeerder George Roberts het Wall Street Journal mee dat de werknemers nu aansprakelijk worden gesteld. Ze moeten volgens plan produceren, als ze willen concurreren met de rest van de wereld. Voor die maatregel is het de hoogste tijd.

Roberts en zijn belangrijkste partner, beiden goed voor meer dan vierhonderdvijftig miljoen dollar, hadden met drie andere partners Safeway overgenomen. De groep legde ongeveer twee miljoen aan eigen geld in om de transactie rond te krijgen. Forbes kondigde die overname in een kop aan als 'The Buyout that Saves Safeway' - het bedrijf was nu namelijk bevrijd van 'de zware last van winkels die het afleggen tegen de concurrentie en arrogante vakbonden'.` Het loon van het personeel van Safeway in Denver werd met vijftien procent verlaagd en vrachtrijders klaagden dat ze gedwongen werden zestien uur achter elkaar te rijden. Ongeveer vijfhonderd miljoen dollar werd ten behoeve van renteaflossingen aan de belastingen onttrokken en de honderden miljoenen aan belasting die vroeger door de werknemers van Safeway werden betaald, verdampten simpelweg. Voor hun bijdrage aan het versterken van de concurrentiepositie van Amerika en het afremmen van de hebzuchtige impulsen van de winkelbedienden van Safeway boekten de vijf partners een winst van meer dan tweehonderd miljoen dollar.

Dit alles wordt deels mogelijk omdat renteaflossingen aftrekbaar zijn van de belasting. Aangezien belastbare bedrijfswinsten worden omgezet in aftrekbare renteaflossingen, subsidieert het publiek de kannibalisatie van de productieve bedrijfsmiddelen van de natie. De gevolgen daarvan voor de Amerikaanse belastingbetaler zijn bepaald niet te verwaarlozen. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw betaalden Amerikaanse ondernemingen vier dollar belasting tegen elke dollar die ze aan rente uitgaven. In de jaren tachtig was de verhouding omgekeerd vanwege de toename van de schulden: de ondernemingen gaven nu drie dollar aan rente uit tegen elke dollar die ze aan belasting betaalden. Uit een onderzoek werd geconcludeerd dat er op deze manier per jaar tweeënnegentig miljard dollar aan de belastingopbrengsten werd onttrokken ten behoeve van renteaflossingen. In de jaren vijftig betaalden ondernemingen negenendertig procent ran alle belastingen die in de Verenigde Staten werden geïnd en in de jaren tachtig slechts zeventien procent. Het aandeel dat door individuen werd betaald steeg van eenenzestig procent naar drieëntachtig procent. Veel ondernemingen kregen zelfs belasting terug die in de jaren voor de overname was betaald!'

Bedrijfsovernames en andere vormen van roofzuchtige, extraherende investeringen kunnen aardig wat opleveren voor mensen die zin hebben eraan te beginnen. Om in 1982, een plaats te krijgen op de lijst van de vierhonderd rijkste Amerikaanse bedrijven van Forbes moest een bedrijf een vermogen van honderd miljoen dollar bezitten. Maar negentien bedrijven op de lijst hadden fortuin gemaakt in de financiële wereld. Maar vijf jaar later, in 1987, moest het kleinste bedrijf dat voor de lijst in aanmerking kwam een vermogen van 225 miljoen dollar hebben en waren zesennegentig bedrijven afkomstig uit de financiële wereld - en de meeste daarvan hadden hun geld verdiend tijdens de golf van bedrijfsovernames.'4

De bedrijfspiraten beweren brutaal dat ze de Amerikaanse economie een belangrijke dienst bewijzen door inefficiëntie uit te bannen en de Amerikaanse concurrentiepositie in de mondiale economie herstellen. Een volgzame pers doet plichtsgetrouw verslag van hun uitspraken en stelt die nauwelijks ter discussie. 'De verwrongen logica van de roverhoofdmannen uit het tijdperk van Reagan,' schrijft Jonathan Greenberg, een financieel journalist, “houdt in dat het toereikende salaris van de Amerikaanse middenklasse de economie grote schade heeft berokkend.” En hij concludeert: “De waarheid van het tijdperk van bedrijfsovernames heeft weinig te maken met onze concurrentiepositie. Het is heel simpel: we zijn bestolen.”

Bron: Het bedrijfsleven aan de macht • Davis C. Korten, meer kritische geluiden te vinden in de kritische reeks

posted @ 10:02 PM | Feedback (2)