Ook Rutger Kopland is ons nu ontvallen. De dood van Komrij werd daarmee oud nieuws, nog geen dag na het afscheid van hem in Felix Meritis. Tijd, misschien, voor wat eigen overpeinzingen. De man stond in veel opzichten ver van me af, maar was in de laatste jaren, via internet, toch een aanwezigheid geworden. "Wonderlijke ziel. Vleesgeworden paradox, established rebel", was mijn eerste reactie op Facebook toen Komrij net was overleden. Zijn persona en positie, het alomtegenwoordige gedweep ook met deze ogenschijnlijk weerbarstige figuur, intrigeerde me al langere tijd. De persoon leek me complex maar niet onsympathiek, en zijn humor kon ik best waarderen. Zijn positie daarentegen was heel problematisch, misschien zelfs voor hemzelf. Hier wat aantekeningen over zijn vele paradoxen.
                   
*
Hoe hij voor Nederland heeft willen doen wat de Oulipianen voor de Franse literatuur hebben gedaan: iets als een hoognodige speelse tournure richting vorm als tegenkracht tegen al te hoogdravende surrealistische metafysica. Maar daarin heeft hij nooit de extremiteit van zijn voorbeelden geëvenaard. Zo is hij, liefhebber van de 'patafysica en vertaler van Jarry (ik ben nog altijd blij met zijn versie van Le Surmâle), uiteindelijk een soort klassieke dichter geworden, als een Roubaud zonder grote projecten.
Hij schmierde in zijn werk graag met een radicaal ogend materialisme - geen hogere waarde zo eeuwig of ze werd doodgedicht in een sonnet - dat op zijn beurt in het postpolitieke, verplicht liberale Nederland juist zo behoudend-burgerlijk uitpakt als het ogenschijnlijk met de bourgeois-moraal breekt. Hij schreef tenslotte wel in NRC handelsblad. Zonder zijn air van elitaire verfijning ooit af te doen is hij zo een populist binnen de poëzie geworden (als een voorafschaduwing van die andere grote rebels-conservatieve homo, Fortuyn?), en alsof het per ongeluk ging extreem populair.
Die positie heeft hij dan weer ingezet voor een grote en zonder twijfel nobele verheffings-arbeid met zijn bloemlezingen en zijn rubrieken en zijn poëzieclubs. Onvermoeibaar was hij "de poëzie" aan het populariseren (maar natuurlijk niet zonder lelijk te blijven doen over zijn vijanden, al was het maar voor de bühne). Met die inzet heeft veel lezers geraakt en geholpen. Maar ook daarover moest hij zich later weer ambivalent uitlaten.
Zonder twijfel schreef hij soms erg goeie columns. Met name aan zijn besprekingen van uitspraken van politici heb ik veel plezier gehad. Maar wat ik las van zijn gedichten verraadt in veel regels absoluut intelligentie en veel talent, kleurrijk, effectief, vaak een goed oor, en toch blijven ze als geheel bij dat talent achter. Ze zijn vaak slordig (opzettelijk? maar waarom dan?), gemakzuchtig soms zelfs, formeel weinig spannend. Een dichter die
als persoon belangrijker was dan zijn eigen poëzie?
                   
*
NRC bloemleesde bij Komrijs dood
vijf "mooie gedichten". Daaronder een gedicht dat me verbijstert, het gedicht "Maskers". Ik wil het niet hier citeren, men kan de link volgen. Ik zie bij Maskers niets "moois", maar vooral technische onbeholpenheid. Het lijkt wel geheel te zijn opgetrokken uit clichés, zwakke metaforiek, onduidelijk beeldgebruik, onnodige stoplappen, krukkige formuleringen, zelfs zinnen die niet kloppen zonder dat ik begrijp waarom. Maar dat is niet wat me verbijstert, er zijn wel meer slechte gedichten van goede dichters. Wat me verbijstert is dat Komrij, geen slecht lezer, dit zelf moet hebben ingezien. En nog meer: dat er kennelijk lezers zijn die het voor grote poëzie houden. Die lezers lijken wel overrompeld door de pathetiek van het gedicht in combinatie met Komrijs belangrijke positie. Wilde hij zijn lezers een loer draaien of zo? Of had hij voor de "ernst" van zijn onderwerp bij wijze van ironie een slechte techniek nodig? Is het een soort proto-flarf? Wat is hier toch aan de hand?
Het is niet aardig om van iemand die net dood is het alleen over slechte gedichten te hebben. Zeker niet omdat er absoluut veel betere gedichten van hem zijn te vinden. Helaas ken ik geen gedichten van Komrij die wel echt diepe indruk op me hebben gemaakt. Toch konden ze zeker intelligent zijn en goed gehoorde, levendige, kleurrijke regels bevatten. Laat ik dan één gedicht citeren, ook een veelzeggend gedicht, dat hij als enige eigen gedicht in de eerste versie van zijn bloemlezing had opgenomen, en waarvan me heel af en toe wel degelijk, als een soort waarschuwing, de slotregels te binnen schieten:
          DE DICHTER
          Toen het letterkundig tijdschrift
          Hem een briefje toe deed komen,
          Waarin stond 'Mijnheer, uw verzen
          Waren lang niet slecht, we zullen
          Er eerdaags een paar van plaatsen,'
          Zwol zijn borst tot slagschiphoogte.
          Heel zijn leven werd nu anders.
          Hij ging doen alsof hij grote
          Mensen hoogstpersoonlijk kende.
          Hij zei stad wanneer jij blad zei.
          Hij zei held wanneer jij speld zei.
          Hij zei ach wanneer jij dag zei.
         
En daarvan wilde hij leven!
                   
*
Misschien heeft hij gewoon nooit de poëzie geschreven die hij eigenlijk had willen schrijven. Geen probleem natuurlijk, dat overkomt de beste dichter. Maar de kloof tussen poëtisch bewustzijn en publieke verschijning was opvallend (nogmaals gezien zijn blijvend beleden liefde voor 'patafysica en Oulipo - zie de
blogrol van zijn weblog). Vandaar wellicht al die publieke wanhoopskreten? al dat gedoe over die maskers, dat gekoketteer met het gevoel ondanks alles onbegrepen te zijn, de combinatie van ijdelheid en behaagzucht? De poëticavijandigheid ook? Zodat "de poëzie" een volkomen willekeurig persoonlijk smaakoordeel kon blijven. Iets waarover eigenlijk geen fundamentelere discussie mag, of kan, worden gevoerd. Een eigen heiligheid voor een ontheiligde wereld.
Op het moment van zijn overlijden had het Centraal Boekhuis in het systeem nog een titel of 20 staan van boeken van Komrij die nog hadden zullen verschijnen bij uiteenlopende uitgevers. Ongetwijfeld waren de voorschotten al wel betaald. Ik vind dat een grappige gedachte. Als je tegen het Fonds bent haal je het uit de Markt, dat is logisch. Tenzij hij die boeken eigenlijk ook echt geschreven had willen hebben natuurlijk.
                   
*
Een paar weken na de dood van Gertrude Starink schreef hij een zeer onaardig stuk over haar poëzie in NRC. Een paar weken na de heruitgave van haar complete werk was een bewerking daarvan zijn
laatste post op zijn weblog. Een paar weken daarna stierf hij zelf. Deze poëtische antipathie is niet moeilijk te begrijpen. Bij Komrij mochten de twintig scherven op geen enkele manier in elkaar passen. Laat staan dat hij de lezer oproept de delen zelf te verbinden.
                   
*
Heel die paradoxale zaak moest met ironie bij elkaar gehouden worden. Ook zijn woede werd zo een maniertje en helemaal op het eind leek het wel een methode om facebook-likes te oogsten. Iedereen (op zijn zorgvuldig geselecteerde vijanden na uiteraard) vond het reuze grappig, zoals Komrij tekeer kon gaan. Wat leuk zoals hij boos is, wat leuk zoals hij scheldt. Elke willekeurige villeine kwinkslag die hij in zijn laatste tijd plaatste kon steevast rekenen op vele dozijnen duimpjes omhoog en honderden instemmende commentaren. Dat wordt vanzelf tragisch. Want men (toch zeker een smurf of negen) vond het ook reuze grappig om zijn allerlaatste comment te lezen op Facebook, waarin hij verklaarde zojuist uit een coma te zijn bijgekomen.
Hoe komt het toch, dat iemand die de woede vooral
speelt, maar tegelijk altijd ongrijpbaar probeert te blijven, zo op handen gedragen kan worden als belangrijk intellectueel in Nederland? Het is alsof er een grote behoefte bestaat om het onbehagen in de cultuur een plaats te geven, die liefst door een scherpe polemist moet worden ingevuld, een die flink tegen elites tekeer gaat – alleen dan wel eentje die nooit echt zijn eigen positie zal prijsgeven. En daarom ook geen echt verontrustende boodschappen heeft voor de gewone man (bijvoorbeeld dat die zelf eens iets zou kunnen doen).
Wat zegt Komrijs populariteit toch over Nederland? Waarom dat verlangen naar de rebel, als het maar wel een beetje een grappige is? Waarom dat delegeren van woede, maar geen enkel verlangen naar eigen actie? Of zou achter het hele spel inderdaad nog een verborgen knipoog zijn schuilgegaan, die echt alleen door een zeer klein groepje van insiders naar waarde kon worden geschat? Je weet het maar nooit met die ironie tenslotte.
                   
*
Gaan we hem missen? Ja, natuurlijk. Ook al was ik het vaak met hem oneens: zijn aanwezigheid was sterk, levendig en niet te vervangen.
                   
*
Komrij was een wijs man die geen comments op zijn weblog toestond. Bij wijze van eerbetoon doe ik deze keer hetzelfde.