Een discussie'tje over eindrijm op Ooteoote bracht me een van John Ashbery's meest extravagante gedichten in herinnering, een tekst uit The Double Dream of Spring uit 1976 die ik bijna drie jaar terug vertaalde voor DWB. Het rijmelende middenstuk, waarvan ik me voorstel dat Ashbery het zelf op een namiddagje gniffelend in elkaar heeft gedraaid, heeft me destijds ongeveer een dag per distichon gekost.




Variaties, Calypso en Fuga op een Thema van Ella Wheeler Wilcox


"Want voor 't genoegen van de velen
Was ooit 't werk van één van nut
Zoals een hand, een eikel plantend
Legers tegen zon beschut."
En op plaatsen waar jaarlijks 0.018 cm regen valt
Is het zo'n genoegen om onder de boom te liggen, om te zitten, te staan, op te
      staan onder de boom!
Im wunderschönen Monat Mai
Heerst een gevoel dat je nooit meer bij de boom weg wilt,
Van overwegend vrede en ontspanning.
Mocht je wel een momentje de schaduw uit stappen,
Dan enkel om met een hernieuwde verwachting terug te keren, van vervulde
      verwachting.
De duivel hale onzekerheid! Er zit iets in dit alles, wat ons niet zal ontsnappen:
Op te groeien in de schaduw van vriendelijke bomen, met onze broeders om
      ons heen.
En waarlijk, nooit was jongvolwassenheid zo:
Zulk genot, zulke oplettendheid, zulke bevestiging van de manier waarop de dag
      helemaal rond komt.
Zeker, de wereld komt heel wat sneller rond
Als er hoogtepunten op de lippen liggen, onuitgesproken ware woorden in het
      hart,
En de hand een lok kastanjebruin haar opzij blijft strijken, alleen om hem weer
      op zijn plek te doen terugvallen.
Maar aan al het goede komt een einde, dus moet men voortgaan
De ruimte in die onze conclusies achterlieten. Is dit oud worden?
Welnu, het is een goede ervaring, om zich van enkele beproefde idealen te
      ontdoen, enkele oude houvasten,
En zelfs als je niets vindt om ze door te vervangen is het een goede ervaring,
Omdat het, zoals dat gaat, je voorbereidt op de ontsteltenis die komen zal.
Maar - en dit is de kern van de zaak - wat als ik alles gedroomd heb,
De takken, de namiddagzon,
De vertrouwensvolle kameraadschap, de liefde die steeds alles bevloeide,
Die meteen wegzakt naar de wortels zoals het hoort?
Want pas later, in de onmetelijke droefgeestigheid der steden, daar pas leer je
Hoe de ideeën alleen maar goed waren omdat ze moesten sterven,
Jou alleen en ontveld achterlatend, een tekening van Vesalius.
Dit is wat bedoeld wordt, en waar alles toe voert:
Dat de boom verschrompelt in een hitte van 50 graden, de eikels
Verstrooid op de versleten aarde liggen als oogbollen, en de tinnen soldaatjes
      hun schouders ophalen en ertussenuit knijpen.


Zo ging onder de bomen mijn jeugd voorbij
Ik kon overal heen en was helemaal vrij

Ik was tien jaar en bracht Parijs een bezoek
En sprak menig schrijver van een belangrijk boek

Het zien van de alpen was bijna een droom
Mijn tranen welden op in een machtige stroom

De Akropolis raakte een gevoelige snaar
Ik had de Griekse denkers gelezen, vandaar

In het Colloseum brak het nagenoeg mijn hart
Te denken aan wie daar eerst was, aan het onrecht en de smart

Op de Ararat stond ik en op zwol mijn gemoed
Want daar was zo lang terug die enorme vloed

Aan de oever van de Ganges stond ik in de drab
Het water lichtte rood op als een bloederige pap

De Chinese Muur, wel alsjeblieft!
Net een blauwe boon die de lucht doorklieft

Door mensenhand gebouwd wordt hij gevreesd en geliefd
Wat de mens al niet vermag als hij geweld niet meer blieft!

Ja veel heb ik gezien, ik leerde overal een les
Op elk der zeven zeeën, elk continent van de zes
Maar de beste plek die schrijf je T-H-U-I-S.

Nu dat ik mijn huis opnieuw bereiken mocht
Zal ik nooit meer beginnen aan een nieuwe grote tocht

Er is een holletje van waarheid in de groene aardse sprei
En als je dat kunt vinden lig je er warmpjes bij

't Is vast niet voor eenieder zo geschikt als voor jou
Maar je houdt nog niet op met wat je ondernemen wou.

Je moet bedenken dat dit bij jou hoort
Het is daarom dat men je nooit eens bloemen stuurt

Ja wat ik U verkondig is geldig voor altijd
Doe onvoorwaardelijk dat waar je kunst je toe leidt

Want geen ander zou het doen als jij het niet doen zou
En zo'n ander verschilt toch wel erg veel van jou.

Het is de wind die komt van ver
De waarheid van de verste ster

Die dingen daar doe je vast nooit meer iets mee
Dus doe rustig aan en leer je ABC

Want de droom die niet uitkomt is het die ik vertrouw
Die stroom te volgen is het beste voor jou
En dat heeft ook de glans die het meest passen zou.


"LAAT MIJN DROOM UITKOMEN." Deze boodschap, gezet in 84-punts Hobo, deed iedereen opschrikken in de ochtendedities van de krant: de oude, slechts ten dele verworven zekerheid stoort de nieuwe onderbreking. En nu de feestdagen er aan zitten te komen wordt het duidelijk dat het heden zal blijven plakken: de grote fanfare van het bewustzijn van dat specifieke moment valt de pleinen en de nauwe steegjes binnen. Driekwart van de huizen in deze stad staat op dunne stelten, tengerder dan meisjespolsen: hoofdzakelijk een kwestie van je voeten drooghouden, en van privacy. 's Ochtends raak je kwijt wat de straf was. Vast iets als een pretzel eten of de achtertuin ingaan. Je ziet het hoe dan ook niet. Dat soort dingen kan veel helderder zonder wie dan ook te kwetsen. Maar daar volgt niet uit dat zulke kwesties het meest voortvarende geldelijke gewin zullen opleveren voor jou.

Vrijdag. Echt, we missen jou.

"Het meest passende" was alleen niet die waar speciaal om gevraagd werd en ook niet die ene die in de lobby rond zat te hangen. Het was gewoon die waarnaar gevraagd werd, dag in dag uit - wat er overstroomde, en de afvoer toeviel. Wat een hond onderscheidt, zoals een hond loopt. De gedachte aan een hond die loopt. Niemand begon ooit weer over het incident. De zaak was officieel gesloten. Misschien waren er koren van stilzwijgende dankbaarheid, opwellend in de lentenacht als een wolkenkolom, die zich uitstrekt naar de spanten van de hemel - maar dat was hun zaak. Punt is dat geen oor ze ooit hoorde. Zo kon het gaan lijken alsof het incident, om het bij een van zijn namen te noemen - keuze, gedrag, afwezige frons kunnen ook - niet alleen nooit was gebeurd, maar alsof het nooit had kunnen gebeuren. Verzegeld in de muur van alles wat dat seizoen gaat aanvoeren. Zodat het voor een schamel handjevol mensen - simpele zielen voornamelijk en aan lagerwal geraakten - de enige ware versie werd. Verder deed niets er toe. Je had brood 's ochtends en 's nachts, terwijl de dadels lusteloos uit de bomen vielen - man, vrouw, kind, etterend en schitterend in één enkele kring. Het antwoord op 'hallo'.

           Roze paars en blauw
           Hoe deed jij dat nou

De twee dagen daarop verliepen merkwaardig voor Peter en Christine, ze behoorden tot de meest meeslepende die ze hadden meegemaakt. Aan de ene kant een uitgestrekt open bassin - of zee; aan de andere een nauwe landtong, eindigend in een kreupelhoutbosje met hier en daar wat verstrooide vervallen bijgebouwtjes. Dat de bei - bei met korte ei, oosterse heerser - hun vrijlating had verordonneerd, maakte niet uit, ze hadden een gek gevoel dat ze daar altijd zouden moeten zijn, overeind gehouden door uitzichten via de ether, ze missen Moeder en Alan en de rest maar het is ook erg rustig, een soort bezigheid die een eigen levenswijze biedt, zonnebloem aan de zon gekluisterd. Kan dat zich ooit oplossen? Of wordt de vorm van iemands gedachten beheerst door onverbiddelijke wetten, zoals bij Dürers Adam en Eva? Zo elkaar wederzijds uitsluitend, en zo steil - Himalayas tegen elkaar aan geklemd als woonflats in New York. Wat een blaam toch, wat een decrescendo. Mijn zonde is tobben. Vergeet het. Het continue opsplitsen, het oorverdovende geluidsniveau van een brekende poolkap is net wat je wou. En je hebt het gekregen, dus hou je kop.

           Waas van kristal
           Heel de week al

Veel slaap is een belangrijke factor, net als in je ogen wrijven. Toen hij uit de metro stapte, werd hij plotseling hongerig. Hij ging een tent in, een tent die hij kende en bestelde een hamburger en een kop koffie. Hij was lang niet in deze buurt geweest - niet sinds zijn kindertijd. Hij speelde altijd straathonkbal op de verlaten terreinen aan de andere kant van de straat. Soms hadden hij en zijn vriendjes mot met wat oudere jongens, dan kwam hij moe en bloedend thuis. Maar de meeste dagen liepen hetzelfde. Hij zei 'hoi' tegen de andere kinderen en zij zeiden 'hoi' terug. Aardige jongens. Uiteindelijk besloot hij even langs de oude lagere school te lopen waar hij als kind op had gezeten. Het was een rommelig gebouw van gele baksteen, nu vervallen tot een haveloosheid die genadig werd verzacht door de schaduwen van de late namiddag. De speelplaats met de kiezelsteentjes werd overwoekerd door het onkruid. Grote bomen en struiken aan weerszijden van de hoofdingang zouden geen kwaad kunnen. De tijd liet een scheet.

           De eerste schok doet het keukenrekje rammelen,
           De tweede rukt de deur uit zijn hengsels.

"Mijn beste," zei hij vriendelijk, "U zei dat u professor Hertz was. U moet mij verontschuldigen als ik u zeg dat het bericht mij doet schrikken en me in de war brengt. Als u weer sterker bent heb ik enkele vragen voor u, als u zo vriendelijk wilt zijn ze te beantwoorden."
      Niemand was voorbereid op het antwoord van de man op deze schijnbaar onschadelijke opmerking.
      Zwak als hij was, verhief Gustavus Hertz zich op zijn elleboog. Wild keek hij om zich heen en loerde angstig in de beschaduwde hoeken van de kamer.
      'Ik vertel je niks! Niks, hoor je?' gilde hij. 'Wegwezen! Wegwezen!'


                     - John Ashbery