Over een paar uur vertrek ik met vrienden naar Kosovo, voor het
Damoclash-festival. Dit in de mening dat experimentele poëzie, melodica-recitals, bandjes en feesten een de-escalerend effect zullen hebben. Of in elk geval niet al te veel extra ellende veroorzaken. Maar nu eerst iets over de bundel van Martijn Benders,
Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem. Die bundel heeft hij me een maand of twee geleden al toegestuurd en ik heb hem eindelijk uit.
Het is de perfecte bundel om mijn serie “toegezonden” mee te openen. Benders zelf behoeft inmiddels geen introductie, want hij heeft zelf de afgelopen tien jaar niets anders gedaan dan introducties op zichzelf verzorgen. Om niet te zeggen dat heel internettend literair nederland inmiddels al wel met hem te maken gehad heeft, en als hij nog geen ruzie met u gezocht heeft, dan komt dat morgen wel.
Zelf ken ik Benders al ruim tien jaar. Dat gaat terug op de tijd dat ik op nieuwsgroepen pedant deed over poëzie als
displacement activity om niet te componeren. De laatste jaren componeer ik meer om niet te hoeven dichten. Heel handig, meerdere beroepen: je komt altijd ergens mee verder, zij het nooit met datgene wat je eigenlijk denkt te moeten doen. Hoe dan ook, we hadden in die tijd de grootste lol met het nauwgezet van commentaar voorzien van gedichten van elkaar en van de andere nieuwsgroepleden. Er zat veel enthousiasme en veel slordigheid bij die gedichten. Om niet te zeggen dat ze vaak gewoon niet zo goed waren. Maar het was gezellig, zoals het later op de blogs nog gezelliger werd, en de gezellig op Facebook nu zo ongeveer tot een meltdown komt.
Hoe informeel en slordig ook, bij Martijn zat er in elk gedicht wel een geïnspireerde wending. Iets amusants, verrassends, energieks. Na een paar jaar verloor ik hem half uit het oog, hij verhuisde naar Istanbul, ging in zaken. Maar bij de opkomst van het bloggen was hij er weer, en dubbel zo aanwezig als voorheen. In 2008 kwam hij uiteindelijk bij Nieuw Amsterdam met een mooie debuutbundel,
Karavanserai. Nou ja, debuutbundel, er was een paar jaar eerder al een .pdf-bundel verschenen onder de titel
Boekhouders en draken en de schouders waarop zij soms moeten uithuilen, maar over die bundel hoor je nooit meer wat en er is ook geen downloadlink meer te vinden. Kennelijk is hij teruggetrokken. Wat jammer is want in mijn herinnering stonden er mooie gedichten in. Karavanserai was wel een ambitieuzer opgezet debuut. Om niet te zeggen, overladen, een dichter die de lezer alle hoeken van de kamer wilde laten zien. Het effect was er: tegelijk onderhoudend en te veel van het goede, vol grillige sprongen en vondsten. Het slordige dat ik nog van de nieuwsgroependiscussies kenden was weggepoetst. In plaats daarvan waren de gedichten soms erg volgestouwd en strakgetrokken.
Inmiddels is Benders weer teruggegaan naar het zelf uitgeven, en gelijk heeft hij. Je verdient meer aan 50 verkochte exemplaren via Lulu dan aan 250 via een uitgever en boekwinkel. En erg ver hoeven de oplages niet uit elkaar te liggen.
Willem is dus nu helemaal door Martijn zelf geschreven, geredigeerd, ontworpen. Dat geeft ruimte. Het hoeft niet in de winkel te liggen, dus hoeven er ook geen hinderlijke teksten op het omslag te staan, zoals “auteursnaam” en “titel” en dat soort dingen dat niemand ene zier aangaat.
Zal ik nog iets over wat er in het boek staat zeggen? Het is erg leuk en iedereen moet het lezen! Dat lijkt me het belangrijkste.
Nou goed. Toch nog een paar dingen. Ten eerste vond ik het prettig dat
Willem wat ontspannener lijkt te zijn dan
Karavanserai. Niets ten nadele van het eerder boek, maar volgens mij past dat lichtere goed bij de toon van Benders. Ik denk dat zijn kracht uiteindelijk in de schijnbare achteloosheid zit waarmee hij je kan verrassen met een op het eerste gezicht vergezochte metafoor of beeld. Die wendingen hebben iets goochelachtigs, maar dan minder kinderfeestjesachtig, het is een performance, en dat werkt het beste als de vorm ook iets lichts houdt. Er zit een grote denksnelheid in deze gedichten. En gelukkig ook soms iets slordigs, of schijnbaar vrijblijvends. Je moet als lezer denk ik ook niet te lang naar de wendingen kijken en ze “duiden”, voor je het weet mis je het belangrijkste, de soepelheid van de geste. Het is al zo geweldig dat het gezegd kan worden:
Ik kom verkleed als Tweede Wereldoorlog
op jouw verjaarsfeestje.
Dat soort dingen. Ik hou het even bij één voorbeeld. Voorbeelden hebben al snel het uitvergrotende kritische effect dat ik hier helemaal niet wil hebben. Maar elk gedicht heeft wel iets fris, zo’n vonkend moment, al vonkt het soms maar even en verdwijnt het als je er te goed naar kijkt. Dat levert een bundel op die onderhoudt en niet teleur stelt. Fantastisch dus. Ook zijn de gedichten gaaf bijgeschaafd, netjes in de vorm. Soms naar mijn smaak te netjes. Een gedachtensprong wordt dan te mooi aan het eind van een gedicht afgehecht. Motieven komen in een afsluitend gebaar aan het eind van een gedicht toch nog de zaak bij elkaar houden. Vaak niet nodig, denk ik. Maar soms werkt een strakke vorm juist heel overtuigend, zoals in
Bezoek aan de afdeling voor wonderen: twee strofes, twee keer vijf regels, waarin de ikfiguur vóór de witregel door een stel bureaucratische engelen het bij hem passende “wonder” krijgt toebedeeld, waar op hij na de witregel “brandschoon” weer buiten staat om naar huis te gaan, waar de visite op hem wacht. Simpel en geen speld tussen te krijgen.
Zo’n verhaal past ook bij de opvallend cynische ondertoon in de hele bundel. Die toon heeft me wel wat verrast. Er is heel veel satire op het saaie burgelijke leven. De dichter moet permanent in oorlog met de conventie, en het lijkt erop dat die oorlog niet altijd wordt gewonnen, ondanks alle inventiviteit.
Dat geldt ook zeker voor de vijf gedichten die zijn afgeleid van een project dat Martijn eens samen met mij is begonnen, nu vijf jaar geleden. Vlak na de zelfmoord van Jeroen Mettes wist hij me te verleiden tot het schrijven van wat het grootste gedicht in het Nederlands moest worden. Dat begon met de dichtregel “Mannen met banen hebben grotere lullen”, en eindigde met ellenlange canto’s, vooral door Martijn en mij geschreven, maar ook met gastauteurs Eva Cox, Bart van der Pligt en Morphin van Geeuwen. Het hele project zou “Op vakantie met de pauzeman” gaan heten. Uit het materiaal dat we gezamenlijk gedurende twee maanden wisten te produceren heeft Martijn vijf gedichten gevist. Hij zegt zelf niet meer te kunnen traceren welke regels van wie zijn. Ik beschik nog wel over alle materiaal, en ik stel vast dat
Willem zeker drie gedichten bevat die voor een groot deel van mijn hand zijn. Toch zijn het echt Martijns gedichten natuurlijk, door zijn redactie erop.
Misschien is het om persoonlijke redenen, maar die vijf gedichten behoren tot mijn favoriete in de bundel, juist omdat er iets heel anarchistisch in de vorm behouden is gebleven. Deze gedichten hebben me ook het Pauzeman-materiaal doen herlezen, en ik ben tot een andere conclusie gekomen dan Martijn, en ook van mening veranderd ten opzicht van wat ik vijf jaar geleden dacht. Toen leek het nog alsof uit dat ellenlange, melige, slordige materiaal een goed gedicht geredigeerd zou moeten worden, Martijn heeft dat in feite nu gedaan, en overtuigend. Maar nu ik
Pauzeman herlees denk ik dat het me met al zijn zwakheden in de ruwe vorm toch het liefste is. Je ziet heel goed de werkwijze die we hadden terug (steeds strofes van 8 regels, elk met een eigen identiteit). Het is grappig en levendig, zij het natuurlijk veel te lang, zodat het onvermijdelijk af en toe een pagina of twee inzakt. Maar dat is niet erg.
Pauzeman was vijf jaar geleden een soort noodzakelijk spelletje, een manier om te overleven in een wereld die er bijzonder grimmig uitzag (het gedicht staat nokvol verwijzingen naar de War on Terror: 2006 was zo’n beetje het dieptepunt van de Irak-bezetting).
En ook nu ziet de wereld er grimmig uit. Misschien is het tijd om aan Canto IV te beginnen? Of moet je een goed idee niet te vaak herhalen?