Tuesday, June 28, 2011

Is er licht in de duisternis? Altijd. Langzaamaan begint er nieuw politiek bewustzijn te ontstaan bij kunstenaars onder druk van de komende slachtpartijen. Ramsey Nasr gebruikte op het Malieveld vanmiddag de bezuinigingen als aanleiding voor stevige uithalen naar de politiek van de coalitie in brede zin, zonder te vervallen in slachtofferschap of elitarisme. Nasr liet zien hoe de bezuinigingen op de kunst niet op zichzelf staan, maar het gezicht tonen van een leugenachtige en onmenselijke politiek die zich op alle beleidsterreinen openbaart. Hopelijk is dit de opmaat voor meer doordachte politieke stellingnames van kunstenaars. Maar wat ik meer nog hoop is dat er een verbeterd begrip voor de politieke betekenis van de kunst zelf naar voren zal treden.

Want vergeet niet, vrienden: dat de schoften die over ons heersen ons stuk willen hebben, is ook een groot compliment. En ja, ze willen ons stuk hebben, of minstens onze trots, ze willen ons onderwerpen. De regering wil ons niet zomaar korten of hervormen. De manier waarop de bezuinigingen erdoor worden gejast toont aan dat ze ons knock-out willen slaan. Shock and awe heette dat ten tijde van onze laatste koloniale onderneming. Die politiek van overrompeling heeft een reden, en die reden gaat terug op het emancipatoire potentieel van de kunst: de kunst is één van de belangrijkste disciplines waarmee mensen verantwoordelijk worden voor hun eigen leven. Kunst bevrijdt. Zomaar. Met de kunst kunnen mensen alle kanten op gaan.

Het is dat potentieel dat de politiek wil disciplineren. En het goede nieuws is: het zal niet gebeuren. Er is een verzet inherent aan elke vrije gedachte. Dat verzet gaan wij, kunstenaars, nu op nieuwe manieren leren inzetten. Desnoods zonder subsidie, desnoods zonder de markt: wij gaan staan voor de scheppende mens.


                      *


Maar dat zelfbewustzijn is er nog niet. De afgelopen weken was de woede en paniek onder kunstenaars op Facebook goed te proeven. Het leidde tot stortvloeden van artikelen en boze berichten, die, als ze boos genoeg van toon waren, steevast op wagonladingen likes konden rekenen. Op zich prima, maar daarbij werd niet altijd kritisch naar de inhoud van de stukken zelf gekeken, en de bijbehorende debatten vertonen soms vreemde kronkels.

Zeer duidelijk was dat te zien bij een opiniestuk van Gerrit Komrij. Dat stuk keert zich in Komrijs bekende virtuoze scheldstijl tegen het kabinet. Applaus alom natuurlijk. Maar niet iedereen gaf zich er rekening van dat het stuk onder het mom van protest vooral een afrekening met de literaire tijdschriften is.

De literaire tijdschriften worden in de voorstellen van Zijlstra allemaal uit de staatsbegroting geschrapt omdat ze te weinig bereik zouden hebben. Komrij hierover:


Als ik de woorden ‘literaire tijdschriften’ hoor haal ik mijn wenkbrauwen op, zonder dat ik maar één seconde het triomfantelijke erop loshakken van deze politieke half-aap [Zijlstra, SV] wens bij te vallen. [...] Als literaire tijdschriften zo belangrijk waren, waarom heb ik er dan nooit van gehoord? Goede vraag, lieve lezer. U hebt nooit van literaire tijdschriften gehoord omdat ze al een tijdlang niet meer bestaan. Literaire tijdschriften zijn morsdood.


Ik schreef daarop een reactie op Facebook die ik ook op de NRC-site plaatste maar (vermoedelijk wegens opmaakproblemen) niet werd gepubliceerd:


Gerrit Komrij heeft het best lastig, heden ten dage. Hij is zelf immers één van de retorische grootouders van het hedendaagse populisme. Komrij was misschien altijd grappiger, mogelijk minder apert abject, maar deel van dezelfde dynamiek: succesjes halen met het schelden op veronderstelde elites.

Dat kan. Maar daarom lukt het hem ook nu niet om ondubbelzinnig stelling tegen het populistische beleid te nemen. Dan krijg je speeches tegen de overheid waarin het toch nog even moet gaan over "kunstvarkentjes" die wellicht terecht geslacht worden. Dan krijg je aanvallen op de bezuinigingen waarbij er tegelijk naar de literaire tijdschriften moet worden gesneerd vanuit het veilige bolwerk van de krant.

Het sentiment in dit stuk kan iedereen op zich best navoelen: als er 100 instituten omvallen, kan ik er ook altijd wel 90 tussen aanwijzen die mij niet zoveel zeggen. Maar een politiek uitgangspunt zou toch iets dieper moeten liggen dan de toevallige eigen voorkeuren.

Echt problematisch wordt het als je Komrijs argumenten tegen de tijdschriften eens zou abstraheren. De tijdschriften zijn kennelijk sektarisch en marginaal en daarom is het niet erg als ze verdwijnen. Maar, hee, geldt dat niet toevallig ook voor al die productiehuizen, postacademische opleidingen, presentatieruimtes... die vele dozijnen instellingen die elk een klein publiek, tot duizend man zeg, trekken? Hupsakee, weg ermee! Nou, en dan heb je al zo ongeveer de agenda van Zijlstra. De meer prestigieuze instellingen worden immers netjes ontzien, toch? Er blijft een hoop kunst en cultuur over, toch? Komrij-Zijlstra: een minder grote stap dan het lijkt.

Jammer natuurlijk voor vele dozijnen maal tegen de duizend mensen en het werk waar zij voor staan. Dat wel.



                      *


Nu moet ik één ding toegeven. Het belangrijkste argument dat Komrij gebruikt tegen de papieren literaire tijdschriften verzwijg ik hierboven: het is het mediale argument. Dankzij internet zou het papieren tijdschrift achterhaald zijn en dat zou de belangrijkste reden zijn voor het “morsdood” zijn van de tijdschriften nu. Daarmee doet Komrij het voorkomen dat de tijdschriften niet meer gelezen worden. Maar dat is niet waar. Ja, ze hebben een klein bereik; maar ook: ja, ze worden gelezen. Geloof het of niet. Ik kan het weten. Ik ben zelf zo’n fossiel dat ze graag leest. Sinds een jaar of vijf nog maar. Ik vind er teksten die ik elders niet kan vinden, daarom. Zo simpel is het.

Maar het mediale argument heeft wel een air van plausibiliteit. Kunnen de tijdschriften niet veel beter, sneller, handiger, breder opereren op internet? Met meer “debat” en flitsendere polemieken en dergelijke? Waar meer lezers mee gewonnen kunnen worden? Dit lijkt ook de inzet te zijn van een nogal ik-zei-het-tocherig stukje op Tzum (“essay”, zeggen ze daar) van Bart Temme. Temme is bekend om een afstudeeronderzoek naar de tijdschriften waaruit zou blijken dat dezen hun functie in het bestel (die door Temme nauwkeurig gedefinieerd wordt) verloren hebben. In het Tzum-stuk stelt Temme zelfs dat de tijdschriften hun eigen ondergang hebben bewerkstelligd doordat ze zijn aanbevelingen om en masse over te gaan op het nieuwe medium, internet, niet hebben opgevolgd.

De vraagt dient zich aan: zou internetaanwezigheid de tijdschriften dan wel hebben gered van deze regering? Ik heb zo mijn vermoedens.

Voor de tendens van de bezuinigingen over de gehele linie is de veelgeroemde "vrije markt" op geen enkele manier criterium. Anders zouden instellingen als De Nederlandse Opera en dergelijke wel wat meer gekort zijn. Daarom kun je ook grote vragen stellen bij het belang van dat lezersbereik (dat ook niet per definitie groter is met een website: zoals iedereen een website kan bezoeken, kan iedereen net zo goed zo’n tijdschrift bestellen). Wat we met de presentatieruimtes, productiehuizen, postacademische opleidingsinstituten zien verdwijnen is een functie van het artistieke bestel: R&D, zeg maar, de vrijplaatsen van het artistieke denken. Daar past het schrappen van de literaire tijdschriften en de kunsttijdschriften naadloos in.

Om die reden is het vermengen van de discussie over de bezuinigingen met die over het “juiste” medium voor de tijdschriften ook zo onzuiver. Mogelijk zitten er elementen van waarde in Temmes kritiek, en wellicht zou, pak hem beet, Parmentier als zuivere webpublicatie heel goed kunnen gedijen. Maar de manier waarop die discussie over functie (die de echte politieke discussie is) steeds wordt verward met een discussie over media is storend.

Gek is het overigens niet dat Temme daar aan meedoet. De functies die hij aan het literaire tijdschrift toekent zijn betrekkelijk technocratisch van aard (wat logisch ook uit zijn verlangen voortvloeit om die functies vervolgens wetenschappelijk te kunnen "meten"). Maar vanuit dat perspectief is er geen zicht mogelijk op de ideologische strijd, die óók gaande is.


                      *


Tenslotte: een paar opvallende opvattingen van het tweetal.

Komrij omschrijft een literair tijdschrift als volgt:


Een literair tijdschrift, lezer, was een regelmatig, maar meestal onregelmatig verschijnende kruising tussen een vouwblad en een boek, waarin lezers die het lezen niet konden laten alvast kennis konden nemen van wat er op literair gebied stond te gebeuren, terwijl ze intussen geprikkeld werden met een mengelwerk van boze geluiden, lyriek en teksten waaraan vaak meer drift dan bezinning te pas kwam. In tijdschriften, daar gebeurde het. Daar kregen de polemicus, het aanstormende genie en de zwoeger die een langere rijping nodig had alle kansen.


Die omschrijving komt best aardig overeen met die paar Nederlandstalige en buitenlandse tijdschriften die ik met enige regelmaat in de bus krijg. Nou ja, minus die afgezaagde schrijversromantiek misschien. Maar dat gaat meer over voorkeuren. Je kunt in elk geval met deze definitie niet zomaar concluderen dat het tijdschrift dood is.

Ook schrijft hij: “Literaire tijdschriften zijn na de tweede wereldoorlog nooit meer dan de aanhangwagens van de uitgevers geweest.” Dat schijnt op te gaan voor de meeste grote Nederlandse tijdschriften, maar het is niet waar voor de bladen die ik lees, die worden onafhankelijk van een uitgeverij uitgebracht.

En Temme schrijft deze interessante alinea:


De Revisor is het tijdschrift dat het meeste gehoor heeft gegeven aan de oproep van het Nederlands Letterenfonds. De nieuwe redactie (Gustaaf Peek, Daan Stoffelsen, Jan van Mersbergen en Erik Lindner) zette een stap naar het internet. In januari van dit jaar toonde ik mij op dit weblog positief over deze ontwikkeling. We zijn nu een paar maanden later en de vreugde is stukken minder geworden. Er gebeurt soms weken niets op de website van De Revisor. Dat is verdomde jammer, want juist door frequent bijdragen te publiceren vergroot je het publiekbereik. Ook is er geen sprake van literair debat op de site – dat is teleurstellend. De Revisor was immers vroeger een belangrijke schakel in het literaire debat.


Er wordt in de tijdschrift-versus-internet discussie meestal gedaan alsof het alleen maar om distributie gaat. Het internet is dan de betere manier om dezelfde tekstuele inhoud te verspreiden. Deze alinea toont aan dat er meer aan de hand is. Het brengen van literatuur op een website brengt kennelijk heel andere verplichtingen met zich mee. Elke week moet er iets “gebeuren”, en er moet “literair debat” zijn. Maar ik vind het wat tragere redactieproces met veel overleg en zo eigenlijk ook wel zijn charmes hebben. Het is hoe dan ook niet hetzelfde.

Dat van “het literaire debat” is natuurlijk omdat Temme dat nou net als functie van het tijdschrift had gedefinieerd. Maar als dat zich vertaalt naar het zinloos in cirkeltjes ronddraaien en de rancuneuze ruziezoekerij die op de meest “levendige” sites van het internet voor “literair debat” doorgaan, dan wil ik geen “literair debat”. Doe mij dan maar gewoon gelijk hebben.

posted @ 12:08 AM | Feedback (0)