Het Manifest voor een nieuw kunstbegrip heeft inmiddels veel weerklank gekregen, is in diverse debatten rond kunstpolitiek aangehaald, en was aanleiding voor een artikel in NRC over opkomend kunstenaarsprotest. Onderstaande tekst schreef ik als opiniebijdrage in een poging om in het kielzog van het Manifest het denken over een andere verhouding tussen kunst en politiek verder uit te werken.
Enkele weken geleden kwamen vier componisten, waaronder ikzelf, bijeen om een manifest te schrijven over het kunstbegrip. We waren de beleidsmatige en marktgerichte stijl van het publieke kunstdebat spuugzat, en probeerden eens goed te verwoorden wat kunst volgens ons wél is. Ons
Manifest voor een nieuw kunstbegrip raakte een gevoelige snaar. Binnen zeer korte tijd kwamen er vele honderden positieve reacties en ondertekeningen. Een eerste stap naar een nieuw artistiek-politiek bewustzijn. En, zo hoop ik, zelfs naar nieuwe grondslagen voor een publieke sfeer, naar nieuwe mogelijkheden om weer politiek verantwoordelijk te worden voor het eigen leven en de wereld.
Het manifest richt zich niet op staatssubsidie en wijst het gebruik van kunst als sociaal beleidsinstrument af, maar tegelijk verzet het zich tegen elk idee van kunst als consumeerbaar product. Wat wij, kunstenaars, doen is weliswaar mogelijk omdat wij gesteund worden, door overheid, mecenas, markt, oud geld of een bijbaantje, maar is inhoudelijk niet tot zulke ondersteuning te herleiden. We maken eenvoudigweg geen kunst om er rijk van te worden, maar omdat wij denken dat kunst maken datgene is wat wij met ons leven moeten doen.
Lange tijd is die activiteit vanzelfsprekend opgevat als een bijdrage aan de publieke ruimte. Wat wij maakten verrijkte de burgers van het land. Waar wij, kunstenaars, in de middeleeuwen nog vooral voor adel en kerk werkten, werkten we in de burgerlijke tijd voor het publieke belang, voor de burgerij, voor de verheffing van arbeiders, voor de vele culturen van het land, voor de democratie. Wij dienden deze publieke sfeer soms met verbijsterende schoonheid en soms met onverteerbare weerbarstigheid. Maar dát wij deden wat wij deden werd algemeen begrepen als een publieke zaak.
Dit wordt niet langer voetstoots aangenomen. Maar dat ligt niet aan de kunst. De burgerlijke politieke cultuur zelf is in crisis. De laatste decennia werd het oude burgerlijke ideaal van een publieke sfeer, waarin alle burgers participeren en waarvan de staat de fundamenten onderhoudt, steeds verder uitgehold door neoliberale opvattingen die de complete publieke sfeer liefst morgen nog op marktplaats.nl zouden zetten. Uit “efficiëntieoverwegingen” vervangt de staat zichzelf door een schimmige parodie, die de verantwoordelijkheid voor het publieke in toenemende mate uitbesteedt aan allerhande quango’s en “marktpartijen” waar geen burgerorgaan nog enige serieuze zeggenschap over heeft.
Tegelijk worden burgers zelf onder dwang omgevormd tot “consumenten” en wordt hen verteld dat dat vrijheid is. Maar feitelijk krijgt de post-burgerlijke samenleving steeds meer een neo-feodaal karakter, met topmannen en grootaandeelhouders als nieuwe adel, en flexwerkende consumenten als nieuwe horigen. Machteloosheid regeert de burgers van ooit.
Bij dat proces horen aanvallen op de vertegenwoordigers van de oude burgerlijke orde. Voorheen eerbiedwaardige publieke instituten zoals kunst en wetenschap zijn hun autoriteit kwijtgeraakt, gereduceerd tot opinie en verstrooiing. Daarbij worden kunst en wetenschap graag als elitair aangevallen, alsof we nog in de middeleeuwen leven en uitsluitend voor adel en kerk werken, en niet voor algemeen gedeelde publieke belangen.
Dat verwijt van elitarisme steekt. Waarom? Omdat kunst en wetenschap juist fundamenteel egalitair zijn. Voor kunst en wetenschap is iedereen gelijk. Eenmaal bewezen is een wiskundige stelling voor iedereen waar, ook voor wie het bewijs niet doorgrondt. Net zo is de gedachte van een kunstwerk, eenmaal in de wereld, voor iedereen beschikbaar om zich toe te verhouden. Kunst neemt iedereen even serieus, ongeacht zijn of haar achtergrond. Natuurlijk, veel kunst heeft een klein bereik, maar dat heeft niets met elite te maken. Het komt juist doordat alle mensen dezelfde vrijheid hebben om verschillend op dezelfde werken te reageren.
Kunst is
egalitaire discipline. Iedereen kan zich erin verdiepen, en dan een grote ontwikkeling maken. Niet iedereen hoeft dat te doen. Maar de kunsten bieden iedereen de mogelijkheid van een wezenlijke vrijheid: om via gedisciplineerde toewijding verantwoordelijkheid te verwerven voor je manier van kijken, luisteren, handelen in de wereld – voor je leven. En die vrijheid staat open voor iedereen.
Ze is bovendien van een fundamentelere orde dan de “keuzevrijheid” van de consument, die geen vrijheid is, maar verveling. Daarom is op de voorwaarden van enkel het marktdenken geen kunst te maken. En, met het instorten van het burgerschapsidee en de uitverkoop van de staat, ook niet op de voorwaarden van de overheid, die niet meer van de markt te scheiden is.
Onvermijdelijk opereert de kunst middenin de marktstaat, maar ze is er wezenlijk van onafhankelijk. Dat is haar trots. Vanuit die trots biedt zij de vrijheid om anders in de wereld te staan dan als consument. Als de kunst met discipline trouw blijft aan haar onafhankelijkheid en haar egalitarisme, zal ze een vernieuwde verantwoordelijkheid mogelijk maken voor het eigen leven en de wereld. Iets wat in post-burgerlijke tijden de oude burgerzin vervangt. Een nieuwe publieke sfeer.
De tekst werd opgestuurd naar enkele kranten. Redacties reageerden over het algemeen zeer positief op de inhoud maar konden de tekst helaas niet plaatsen – in de woorden van een redacteur was de tekst "een mooi pleidooi, maar minder geschikt als opiniestuk", een interessante afwijzingsgrond voor een tekst die bedoeld is als bijdrage aan een publiek debat.