Een nieuwe publieke sfeer

Posted on Sunday, May 22, 2011 5:28 PM
Het Manifest voor een nieuw kunstbegrip heeft inmiddels veel weerklank gekregen, is in diverse debatten rond kunstpolitiek aangehaald, en was aanleiding voor een artikel in NRC over opkomend kunstenaarsprotest. Onderstaande tekst schreef ik als opiniebijdrage in een poging om in het kielzog van het Manifest het denken over een andere verhouding tussen kunst en politiek verder uit te werken.



Enkele weken geleden kwamen vier componisten, waaronder ikzelf, bijeen om een manifest te schrijven over het kunstbegrip. We waren de beleidsmatige en marktgerichte stijl van het publieke kunstdebat spuugzat, en probeerden eens goed te verwoorden wat kunst volgens ons wél is. Ons Manifest voor een nieuw kunstbegrip raakte een gevoelige snaar. Binnen zeer korte tijd kwamen er vele honderden positieve reacties en ondertekeningen. Een eerste stap naar een nieuw artistiek-politiek bewustzijn. En, zo hoop ik, zelfs naar nieuwe grondslagen voor een publieke sfeer, naar nieuwe mogelijkheden om weer politiek verantwoordelijk te worden voor het eigen leven en de wereld.

Het manifest richt zich niet op staatssubsidie en wijst het gebruik van kunst als sociaal beleidsinstrument af, maar tegelijk verzet het zich tegen elk idee van kunst als consumeerbaar product. Wat wij, kunstenaars, doen is weliswaar mogelijk omdat wij gesteund worden, door overheid, mecenas, markt, oud geld of een bijbaantje, maar is inhoudelijk niet tot zulke ondersteuning te herleiden. We maken eenvoudigweg geen kunst om er rijk van te worden, maar omdat wij denken dat kunst maken datgene is wat wij met ons leven moeten doen.

Lange tijd is die activiteit vanzelfsprekend opgevat als een bijdrage aan de publieke ruimte. Wat wij maakten verrijkte de burgers van het land. Waar wij, kunstenaars, in de middeleeuwen nog vooral voor adel en kerk werkten, werkten we in de burgerlijke tijd voor het publieke belang, voor de burgerij, voor de verheffing van arbeiders, voor de vele culturen van het land, voor de democratie. Wij dienden deze publieke sfeer soms met verbijsterende schoonheid en soms met onverteerbare weerbarstigheid. Maar dát wij deden wat wij deden werd algemeen begrepen als een publieke zaak.

Dit wordt niet langer voetstoots aangenomen. Maar dat ligt niet aan de kunst. De burgerlijke politieke cultuur zelf is in crisis. De laatste decennia werd het oude burgerlijke ideaal van een publieke sfeer, waarin alle burgers participeren en waarvan de staat de fundamenten onderhoudt, steeds verder uitgehold door neoliberale opvattingen die de complete publieke sfeer liefst morgen nog op marktplaats.nl zouden zetten. Uit “efficiëntieoverwegingen” vervangt de staat zichzelf door een schimmige parodie, die de verantwoordelijkheid voor het publieke in toenemende mate uitbesteedt aan allerhande quango’s en “marktpartijen” waar geen burgerorgaan nog enige serieuze zeggenschap over heeft.

Tegelijk worden burgers zelf onder dwang omgevormd tot “consumenten” en wordt hen verteld dat dat vrijheid is. Maar feitelijk krijgt de post-burgerlijke samenleving steeds meer een neo-feodaal karakter, met topmannen en grootaandeelhouders als nieuwe adel, en flexwerkende consumenten als nieuwe horigen. Machteloosheid regeert de burgers van ooit.

Bij dat proces horen aanvallen op de vertegenwoordigers van de oude burgerlijke orde. Voorheen eerbiedwaardige publieke instituten zoals kunst en wetenschap zijn hun autoriteit kwijtgeraakt, gereduceerd tot opinie en verstrooiing. Daarbij worden kunst en wetenschap graag als elitair aangevallen, alsof we nog in de middeleeuwen leven en uitsluitend voor adel en kerk werken, en niet voor algemeen gedeelde publieke belangen.

Dat verwijt van elitarisme steekt. Waarom? Omdat kunst en wetenschap juist fundamenteel egalitair zijn. Voor kunst en wetenschap is iedereen gelijk. Eenmaal bewezen is een wiskundige stelling voor iedereen waar, ook voor wie het bewijs niet doorgrondt. Net zo is de gedachte van een kunstwerk, eenmaal in de wereld, voor iedereen beschikbaar om zich toe te verhouden. Kunst neemt iedereen even serieus, ongeacht zijn of haar achtergrond. Natuurlijk, veel kunst heeft een klein bereik, maar dat heeft niets met elite te maken. Het komt juist doordat alle mensen dezelfde vrijheid hebben om verschillend op dezelfde werken te reageren.

Kunst is egalitaire discipline. Iedereen kan zich erin verdiepen, en dan een grote ontwikkeling maken. Niet iedereen hoeft dat te doen. Maar de kunsten bieden iedereen de mogelijkheid van een wezenlijke vrijheid: om via gedisciplineerde toewijding verantwoordelijkheid te verwerven voor je manier van kijken, luisteren, handelen in de wereld – voor je leven. En die vrijheid staat open voor iedereen.

Ze is bovendien van een fundamentelere orde dan de “keuzevrijheid” van de consument, die geen vrijheid is, maar verveling. Daarom is op de voorwaarden van enkel het marktdenken geen kunst te maken. En, met het instorten van het burgerschapsidee en de uitverkoop van de staat, ook niet op de voorwaarden van de overheid, die niet meer van de markt te scheiden is.

Onvermijdelijk opereert de kunst middenin de marktstaat, maar ze is er wezenlijk van onafhankelijk. Dat is haar trots. Vanuit die trots biedt zij de vrijheid om anders in de wereld te staan dan als consument. Als de kunst met discipline trouw blijft aan haar onafhankelijkheid en haar egalitarisme, zal ze een vernieuwde verantwoordelijkheid mogelijk maken voor het eigen leven en de wereld. Iets wat in post-burgerlijke tijden de oude burgerzin vervangt. Een nieuwe publieke sfeer.



De tekst werd opgestuurd naar enkele kranten. Redacties reageerden over het algemeen zeer positief op de inhoud maar konden de tekst helaas niet plaatsen – in de woorden van een redacteur was de tekst "een mooi pleidooi, maar minder geschikt als opiniestuk", een interessante afwijzingsgrond voor een tekst die bedoeld is als bijdrage aan een publiek debat.

Feedback

# re: Een nieuwe publieke sfeer

5/22/2011 10:03 PM by RHCdG
Samuel,

Het bevlogen idealisme van je stuk zou je zelf eigenlijk al tot wantrouwen moeten stemmen. Er zit m.i. een fundamentele fout in de opbouw en de conclusie van je betoog. Je zegt:

'Wat wij, kunstenaars, doen is weliswaar mogelijk omdat wij gesteund worden, door overheid, mecenas, markt, oud geld of een bijbaantje, maar is inhoudelijk niet tot zulke ondersteuning te herleiden.'

Tegelijk motiveer je de door jou voorgestelde nieuwe publieke sfeer door te zeggen dat kunst 'open staat voor iedereen' en 'egalitair' is. Dus wat kunstenaars doen moet niet in verband gebracht worden met het fundament waarop die nieuwe orde moet rusten, nl. die openheid en egalitariteit. Ja, dan moeten kunstenaars het ook zelf maar uitzoeken, toch?

Je onderscheidt in de aanloop van je betoog dus tussen kunstenaars en kunstminnaars, en later niet meer.

Daarnaast is het ook niet waar wat je zegt, dat kunst voor iedereen is: dan zou er nl. niets bijzonders aan zijn. Ik heb dat trouwens wel eens horen zeggen door iemand (Albert Vogel) over muziek: een veel te oppervlakkige kunst, want veel te veel mensen houden ervan.
Kunst is niet voor iedereen. Kunstenaars, van Rembrandt en Goethe tot - nee, van Lars von Trier en Tracey Emin tot Lady Gaga en Annie M.G. Schmidt - zijn uitzonderlijke mensen met uitzonderlijke talenten. Ze vormen een elite. En het is waar dat kunst *in principe* open staat voor iedereen. Maar aan dat principe heb je in de praktijk niet veel (en daarom, moet ik zeggen, erger ik me ook aan dat argument: het is gratuit, niet valide, maar je wilt er een heel stelsel op bouwen).

Kunst staat niet open voor iedereen, maar is integendeel een sociale differentiator. Dat element ontbreekt ten enenmale in je betoog - terwijl dat precies is waarom de zorgvuldig door jou (en in het manifest) verzwegen PVV haar pijlen op kunst richt. Mensen houden niet in de laatste plaats van kunst juist omdat die hen van een sociale positie verzekert. Het gaat hen om de vernissages, de premières, de boekenkast en cd-collectie om mee te pronken. Een voetbalwedstrijd staat ook open voor iedereen, maar ik durf te wedden dat ik jou er nooit zal tegenkomen.

# re: Een nieuwe publieke sfeer

5/22/2011 11:03 PM by Samuel Vriezen
Rutger,

Ten eerste, die "fout" zie ik niet. Dat strikte onderscheid dat je meent te zien tussen kunstenaars en kunstminnaars is jouw interpretatie. Binnen mijn verhaal hierboven kan zowel de kunstenaar als de ondersteuner in principe iedereen zijn en zullen ze ook vaak dezelfde persoon zijn.

Ten tweede, ik begrijp dat van die sociale differentiator wel, maar zie daarin geen tegenspraak met mijn uitgangspunt. Die sociale differentiatie is alleen maar een banaal feit, geen intellectuele positie. Zoals ik hierboven stel: "Natuurlijk, veel kunst heeft een klein bereik, maar dat heeft niets met elite te maken. Het komt juist doordat alle mensen dezelfde vrijheid hebben om verschillend op dezelfde werken te reageren." (dat element is dus wel degelijk aanwezig in het betoog).

Tenslotte, voor de PVV, zie: http://blogger.xs4all.nl/sqv/archive/2010/10/16/575979.aspx - afgezien daarvan zie ik er niets in om een kunstbegrip op te bouwen speciaal om de PVV van repliek te dienen. Die lui zijn zelf ook niet in discussie geïnteresseerd, immers. En het Manifest is misschien nog meer gericht tegen, pak hem beet, de erfenis van Van der Ploeg dan tegen de huidige regering & de PVV.

# re: Een nieuwe publieke sfeer

5/22/2011 11:54 PM by RHCdG
Tja, ik zou bij de intellectuele posities die ik betrek toch vooral rekening willen houden met de banale feiten. Dan wordt de kans dat je stuk als opiniestuk geplaatst wordt ipv beschouwd als een geloofsbelijdenis ook groter.

# re: Een nieuwe publieke sfeer

5/23/2011 9:32 AM by Jan-Bas Bollen
Dank je, Samuel. Het is sowieso al frappant dat juist componisten met het manifest zijn gekomen - wij, die trillende lucht verkopen, met weinig meer tastbaars. De wellicht meest abstracte kunstvorm werkt verhelderend als denkstof.
Ik begrijp jouw punten wel, Rutger, maar ik wil hierbij een uitspraak van een topman bij Philips uit de jaren tachtig in herinnering brengen: "Kunst mag zich niet onttrekken aan de werking van een gezond marktmechanisme." Terwijl het Neoliberalisme als economisch-maatschappelijk model sindsdien al lang is ingehaald, wordt dit credo nog steeds gebruikt wanneer het politici te pas komt. Voor mij als kunstenaar staat daar tegenover, dat ik het als één van mijn belangrijkste taken zie, om mij zoveel mogelijk te ontrekken aan marktmechanismen omdat het wat mij betreft moet gaan om artistieke inhoud en niet over verkoop-praatjes. Tegelijkertijd bevind ik mij in een publieke sfeer en zo onstaat er spanningsveld tussen wat je zou kunnen aanduiden als 'Pop oder Populus' (ontleend aan de titel van het gelijknamige boek van Bettina Funcke). Kort gezegd: Het Archief enerzijds, het profijtbeginsel anderzijds. Dit fenomeen is weliswaar van alle tijden maar is sinds de opkomst van de grootschalige commerciële cultuur wel heel urgent geworden.
Vrijwel geen enkele kunstenaar kan zich onttrekken aan dat spanningsveld. Maar om die positie en een klein publieksbereik anno 2011 nog elitair te noemen, is m.i. nu toch echt achterhaald.

# re: Een nieuwe publieke sfeer

5/23/2011 4:12 PM by Samuel Vriezen
Het is vandaag de dag mogelijk (en mijns inziens noodzakelijk) om verschillen tussen mensen en hun bezigheden te denken zonder terug te grijpen op essentialistische noties als "elite", die in feite een soort adelijke metafysica meebrengen. Het motief van het begrijpen van verschillen op basis van een fundamenteel egalitair uitgangspunt wordt, naast vele andere, op een prachtige manier uitgewerkt door Jacques Rancière in zijn boek, "Le Maître Ignorant", het mooiste boek dat ik tot nu toe van hem las.

# re: Een nieuwe publieke sfeer

8/8/2011 12:00 PM by Jack Segbars
Beste Samuel, onderstaande tekst is een reactie op jullie pamflet die ik al eerder op Trendbeheer plaatste. Het reageert op de tekst van het pamflet zelf.

Een eerste opmerking zou zijn dat de vermeende 'vergiftiging' door het beleidsmatige jargon pas nu aanleiding vormt tot het formuleren van een programmatisch pamflet waarin de contouren van 'nieuw kunstbegrip' worden getekend terwijl er geconstateerd wordt dat hierdoor al decennialang 'het spreken in het publieke debat' gefrustreerd is geweest.
Toevallig valt dit opzetten van een inhoudelijk pamflet samen met een herstructurering en bezuinigingsronde van het financiële stelsel onder het kunstengebouw.

Je vraagt je dan af hoe het zo lang heeft kunnen functioneren in een toen al vergiftigd klimaat. Waren de 'kunstenaars' slapende? Was er geen debat gaande? Werd de kunst onder de ogen van de toch als alert veronderstelde schetsers van onze culturele gesteldheid, gekaapt? Dat voorspelt weinig goeds voor de verdere vertegenwoordiging door deze onoplettenden.
Ik denk eerder dat het een periode van in slaap sussen vertegenwoordigt waarbij de parameters van de kunstproductie voor lief werden genomen.

Het artikel is erg reactief. De punten zijn raak in de omschrijving van wat niet gewenst wordt maar wordt uiterst schimmig in de formulering van wat het dan wel wil.

Dat het beleidsmatige jargon werkelijk de biotoop van het kunstzinnige overgenomen zou hebben, is denk een rake constatering. En daarin zit volgens mij de crux van de klacht. De kunst meent een andere ‘waarde’ te vertegenwoordigen die niet wordt gehonoreerd in de politieke definities van waardering. Wellicht wordt die waarde niet herkend of niet als waarde gewaardeerd.

Een kunst die de democratie denkt te begeleiden in haar functioneren en realisatie moet op een gegeven moment deze taakstelling (en daarmee ook waardering) accepteren, ook wanneer die realisatie op technocratisch wijze gestalte heeft gekregen. Indien de kunst meent niet te passen in deze technocratische slotfase van het democratische proces moet ze wederom de wapens opnemen of zich voegen als instrument of ten ondergaan in overbodigheid. Het is overigens duidelijk dat het opnemen van de wapens eenzelfde instrumentalisering behelst maar dan binnen een andere politiek objectief.
Indien kunstenaars werkelijk last hebben van revolutionair elan, dienen ze ook een begeleidend sociaaleconomisch manifest te schrijven waarin de kunst een onderdeel is en waarin de juiste ‘waardering’ en/of constellatie waarin deze waardering wordt verklaard. En waarin een totaalvisie wordt gepresenteerd waarin de functie en inbedding van kunst omschreven wordt. Wederom wordt dat hier niet geschetst en wordt die taak aan de technocratische vertegenwoordiging overgelaten. En wordt, en dat is veel belangrijker, de verhouding tussen de onmondigheid van kunst en de concrete vormgeving van de maatschappij bestendigd. Indien de Tafel van 6 werkelijk zo’n ‘vijand’ van de kunsten zou zijn, wil dat alleen zeggen dat de kunsten er zelf niet in geslaagd zijn hun visie of vertegenwoordiging gestalte te geven in de heersende systematiek van besluitvorming en structurering.

En ik denk dat kunstenaars daar in feite ook geen interesse in hebben, dat is te bestuurlijk, te technocratisch, te ambtelijk. En dat is alleen maar een erkenning van het feit dat kunstenaars niet die medevormgevers van de maatschappij willen of kunnen zijn. In feite is dit opnieuw een roep om bevoogding: geef ons ons geld en val ons niet lastig.
Er klinkt ook in door dat de kunsten zelf niet de consequentie durven nemen van deze politieke positionering.

En misschien is dat op zich ook te wijten aan het feit dat het zo verfoeide ideologische jargon zich al veel langer genesteld heeft in de basis van de kunstproductie: de opstellers van het pamflet gaan net zo goed uit van een maatschappelijke inbedding, alleen het is een andere dan de nu de meerderheid vormende regering.


In die zin is artikel 7 uit het pamflet interessant ten aanzien van de eerste twee punten.

7. Kunst is niet "pluriform" of “democratisch”.

Kunst is ongeschikt als beleidsinstrument om falend sociaal beleid mee te corrigeren of verdoezelen. Kunst representeert geen democratische consensus maar gedijt bij rivaliteit van ideeën.


Het stellen dat kunst geen democratische consensus representeert maar een rivaliteit van ideeën accommodeert, behelst een model van de kunsten zoals dat bij Jacques Ranciere te vinden is die spreekt van een status of omstandigheid van permanente dissensus. De kunsten als platform om door middel van een continue uitwisseling, confrontatie en toetsing van ideeën tot maatschappijvorming te komen. Dat is de kernidee die consequent doordenkend, heel wel in een politiek model te vatten is en waaraan een ideologisch idee ten grondslag ligt.

Kunst is dus wel voor een doelgroep: voor hen die dit model appreciëren. En niet voor iedereen dus. En die geloven dat het dit effect kan bewerkstelligen


1. Kunst is niet voor een "doelgroep". Alle kunst is altijd voor iedereen.
Wie een kunstwerk maakt brengt iets in de wereld dat voor iedereen beschikbaar wordt en de wereld leefbaar maakt.

In die zin is kunst dus zeer zeker wel een instrument, zij het voor een ander, hierboven genoemde ideologisch grondbeginsel. De leefbaarheid wordt ingevuld als gedroomd uitvloeisel van dit model. Nergens wordt overigens inzichtelijk gemaakt hoe dit dan functioneren moet. En dat is wel logisch want dan betreden we weer het idioom van het verfoeide en vergiftigende beleidsjargon. En dat is wellicht de grootste illusie waaraan de kunsten lijden: het kunnen vormgeven van de realiteit. Hetgeen een spleen wordt omdat het niet geëxpliciteerd mag worden, dan wordt het te dwingend en programmatisch. Het programma doet in ieder geval de uiterste best om maar niet concreet te worden.

2. Kunst is geen instrument.

En dan is dit onzin: de kunstwerken binnen dit ideologische grondplan gedacht worden geacht een bepaald effect te sorteren.

Elk kunstwerk stelt zijn eigen doelen en heeft zijn eigen effecten. Wat een kunstwerk zal zijn en wat het in de wereld zal veroorzaken is niet voorspelbaar en kan niet door politieke of commerciële agenda’s worden afgedwongen.

Het eerste deel van artikel 7 rept van instrumentalisering om falend beleid mee te verdoezelen waarmee een verantwoordelijkheid naar de politiek wordt gelegd om de werkelijkheid vorm te geven en die niet bij de kunsten hoort te liggen. Dit is natuurlijk zo maar dat staat in tegenstelling tot deel twee waarin wel naar een politieke vormgegeven constellatie wordt gevraagd.
Die zou dan ook vormgegeven kunnen worden of er zou geijverd kunnen worden voor die omstandigheden in de vorm van een politiek programma. In essentie gaat het artikel om kleur en voorkeur en niet om een wezenlijke kritiek. Het zou dapperder zijn om dan te stellen wat wel de vereisten zijn voor een gezond kunstfunctioneren ipv slechts een kritiek te formuleren.

Het pamflet eindigt met “Wij, kunstenaars, eisen de taal weer op.”
Maar dat is niet voldoende in een constellatie waarbij een maatschappelijke functionaliteit omschreven dient te worden. Dan dien je precies te zijn in je maatschappelijke inbedding en draagkracht verwerven binnen het democratische besluitvormingsproces.

Of hiervan afzien.

De esoterische rommel:

8. Kunst wordt niet “geconsumeerd”.

Een kunstwerk gaat niet op in het gebruik en is dus ook niet schaars. Daarom zijn economische wetten niet op kunst van toepassing. De gedachte van een kunstwerk is een eeuwige bron.

of 12. Kunst viert dat wij kunnen denken, voelen, scheppen, leven.


zijn te tenenkrommend om te becommentariëren. Ik halleluja altijd in privé en draag er zorg voor anderen niet met mijn spirituele onderbuik te belasten. Mijn eeuwigdurende baarmoeder is slechts voor een beperkt publiek inzichtelijk. En om het kunstwerk geheel buiten de uitruil-economie te plaatsen duidt slechts op een politiek-economische kritiek die wederom niet ingevuld of vervolgd wordt. Het hint op een kritiek op het kapitalistische systeem zonder hiervoor verder een alternatief te schetsen. En legt het in zijn ongearticuleerdheid weer de verantwoordelijkheid elders.

Ik vind kortom de kritiek dun, slecht onderbouwd en doordacht. Het programma als werkelijk programma zou te dwingend worden. Wie gaat de commissies voor deze ideologische invulling formeren? Wie wordt de Voorzitter Agitprop Bureau voor de Permanente Dissensus, wie stelt de parameters op waarbinnen dit platform gaat functioneren? Eindeloze vergadermarathonnen strekken zich uit over de horizon. Maar het hinten naar deze concrete invuling wordt vaag genoeg gehouden om er zelf niet de verantwoordelijkheid voor hoeven te dragen: “ik zat maar te fantaseren, je weet wel, dat doen ‘wij’ kunstenaars”.

Het ergerlijkste aan het pleidooi is de zucht om het maar vooral niet op de mate van financiering te hebben maar te doen lijken of het om een fundamenteel pleidooi gaat. Een schijnbeweging, een theatrale afwikkeling van vigerende verhoudingen: de kunstenaar is te efemeer voor de vieze klei. Die ‘nieuwheid’ van kunstbegrip is slechts gestoeld op de bange refleks financiele onderbouwing te gaan missen. Voor de rest lijkt het programma op een herhaling van een inmiddels gesetteld en vermolmd kunstbegrip in een jasje gestoken van de pauper bedelend om Moneten.
Het wil niet hetzelfde jargon bezigen als waar tegen geageerd wordt maar het hint er wel naar en impliceert het zonder het te durven omarmen. Het is een poging nog wat mystieke restruimte over te houden die niet benoembaar is, niet te vatten in het bestuurlijke idioom. Opgesloten in de pseudo-romantische, artistiek restruimte. Voor een werkelijk nieuw kunstbegrip riekt dit teveel naar de oude avantgardistische, modernistische retoriek.

# re: Een nieuwe publieke sfeer

9/5/2011 2:50 PM by Samuel
Beste Jack,

dank voor je stevige reactie. Dit is het reactieveld voor een ander stuk en daarmee niet de geeigende plek voor deze discussie. Niettemin:

zeker, je hebt gelijk mijns inziens dat de 'kunstenaars' aan het slapen waren, dat voel ik al ruim sinds mijn afstuderen zo. En ja, je kunt het artikel als reactief lezen, als een vorm van verdediging of oproep aan de kunst om weer eens tot de kern van de zaak te komen.

Echter, het idee dat kunst de democratie zou moeten begeleiden; dat de kunst zijn maatschappelijke functionaliteit dient te omschrijven; dat kunstenaars een sociaaleconomisch plan zouden moeten maken; of zelfs maar dat kunstenaars geld moeten krijgen zijn geen deel van het manifest. Het zijn ook stellingen die ik zonder meer verwerp. Voor mezelf sprekend: mijn eigen werk functioneert prima binnen een omgeving waar het geld krijgt maar ook binnen een omgeving waar het geen geld krijgt. Ik zal niet zeggen dat geld of geen geld mij eender is. Maar het is noodzakelijke noch voldoende voorwaarde om artistiek waardevol werk te leveren. Zie ook het artikel hierboven (het stuk waar je op reageert).

Daarom vind ik het hameren op de sociaaleconomische visie van kunstenaars ook een jijbak die mis schiet. Ik kan binnen de kunst die ik maak geen sociaaleconomische visies ontdekken, en wil mij daar dan ook van onthouden. Als de Staat mij geld wil geven om mijn werk te kunnen doen, kan ik dat alleen maar toejuichen; maar als de Staat dat niet wil, dan beschik ik niet over dwingende argumenten daartegen, anders dan het werk dat ik maak en wat ik verdedig en aanprijs.

Evenzo is je schets van een "Voorzitter Agitprop Bureau voor de Permanente Dissensus" meer een symptoom van een algemene malaise van de fantasie dan een rake weerlegging van het stuk.

Kunst vertegenwoordigt wel altijd een politieke visie. Dat ben ik weer wel met je eens. Alleen: is die visie inderdaad, zoals je zegt, een "model", specifieker: een op het niveau van de Staat? Ik vraag het me sterk af. "Model" eventueel nog wel, maar alleen op lokaal niveau. Ik geloof eigenlijk alleen in provisorische instituten en niet in een consistent systeem voor de publieke ruimte als geheel. Dus niet in algemene staatsinrichtingen. "Consequent doordenkend" kom ik gewoon niet op het niveau van de Staat, in de zin van een ideaal en definitief "model" uit dat de Rancièriaanse dissensus definitief zou kunnen accommoderen. Dat kan zelfs per definitie niet. (Rancière zelf is dan ook radicaal anti-elitaristisch en anti-didactisch.)

Dat geldt óók voor het "voor iedereen beschikbaar worden" van die kunstwerken. Dat is niet (alleen, vooral) een kwestie van een distributief model. En zeker niet van een staatsinrichting met "democratische" instituten erin, die die beschikbaarheid en openbaarheid en dissensus even voor ons zullen regelen. Het bsechikbaar worden is wat er gebeurt met een kunstwerk dat de wereld ingestuurd wordt: het wordt losgelaten in een wereld, die zelf niet gestructureerd is. En het ontmoet daar, om nogmaals Rancière te parafraseren, geëmancipeerde toeschouwers. Die zijn dat niet omdat een of ander model of sociaaleconomische visie hen vrij heeft gemaakt, maar omdat ze het altijd al waren. Vrij, zelfs, om compleet fascistisch te zijn. De dissensus van het kunstwerk is zijn gebrek aan determinatie zelf, waardoor die ontmoetingen tussen kunst en maatschappij zelf niet voorspelbaar of algemeen modelleerbaar zijn.

En ja, er zijn andere distributieve modellen mogelijk dan die van de uitruil-economie. Om één voorbeeld te zien hoe mijn eigen werk die "kritiek" heeft ingevuld of vervolg gegeven, zie mijn pagina op Ububweb: http://ubu.com/sound/vriezen.html. Alles gratis.

Voor het overige wens ik je veel succes, halleluja'end in privé en gevrijwaard van alle restruimte binnen het model van de democratische bureaucratie.

Post Comment

Title  
Name  
Url
Comment   

ATTENTION: the code you need to copy is CaSe SeNsItIvE and is required to prevent spam.
Enter the code you see: