Voordracht Perdu - uitgeschreven versie

Posted on Monday, November 02, 2009 9:11 PM
Ik verlang van poëzie dat ze spannend is om te lezen of om te horen. Als ik poëzie spannend vind, ervaar ik meestal dat ze op een heel eigen manier lijkt te bewegen en een eigen ruimtelijkheid articuleert. Spannende poëzie laat mij een dynamiek in de taal zien, een bewegelijkheid in de woorden die ik zonder haar niet gezien zou hebben. Ik ervaar zulke poëzie meestal in ritmische termen. Poëzie die ik als matig ervaar is vaak poëzie die naar mijn indruk niet beweegt. Als ik na drie regels geen bijzondere beweging heb waargenomen in een tekst, stop ik over het algemeen met lezen.

Tegelijk ervaar ik in de poëzie die ik graag lees iets van de werkelijkheid van de woorden die ze gebruikt. De beweging die ik in de woorden ontwaar stemmen overeen met wat die woorden zelf zijn, wat ze in werkelijkheid zijn. Omgekeerd kan ik fysiek een onaangename reactie ervaren als ik poëzie lees die volgens mij de woorden tegen hun werkelijkheid in gebruikt. Dat gebeurt soms als een dichter naar mijn indruk zich te veel laat meeslepen door een associatie of een beeldspraak, zodat hij of zij niet doorheeft dat wat er staat niet klopt. Of dat de dichter de indruk wekt te spreken over dingen waar hij of zij helemaal geen verstand van heeft.

Kennelijk ervaar ik de werkelijkheid van een woord op ritmische wijze en de dynamiek van een woord als deel van zijn werkelijkheid. Maar wat is dan die werkelijkheid van de woorden?

In veel van de poëzieopvattingen die ik om mij heen aantref wordt er van uitgegaan dat een woord een dubbel karakter heeft. Enerzijds is het woord materieel, als klank en ritme, en anderzijds heeft het een betekenis. Die twee kanten plaatsen de taal in twee verschillende werelden: een natuurlijke wereld, waarin alles draait om stof en lichaam en beweging, en een culturele wereld, een wereld van verwijzing en conventie en communicatie en politiek en geschiedenis enzovoort.

Die twee werelden worden vaak als gescheiden voorgesteld, zij het dat de wereld van de betekenissen stoelt op een natuurlijke onderlaag. We denken dat we in ons normale taalgebruik in de wereld van betekenis en communicatie wonen, maar de onderliggende wereld van het materiële en ritmische kan als het ware zich opdringen aan de wereld van de betekenissen. Dat gebeurt dan bijvoorbeeld in poëzie. Er treedt een oer-element op de voorgrond dat ons weer herinnert aan het stoffelijke van onze taal. Dat wordt veelal geacht een vervoerende, of zelfs ondermijnende werking te hebben.

Vergelijkbaar is de gedachte dat er taal is en werkelijkheid, en dat dat twee verschillende dingen zijn, waarbij de taal de werkelijkheid representeert. Sommige dichters zouden dan met hun taal de werkelijkheid willen reproduceren, andere zouden zich er juist van willen loszingen. De dichters die de werkelijkheid willen reproduceren kunnen dat doen door het overnemen van de conventies waarmee de taal de werkelijkheid benoemt, bijvoorbeeld door journalistieke thema's in hun poëzie te verwerken, of juist door de complexiteit van de werkelijkheid te imiteren in complexe vormen. De loszingende dichters zijn op dan zoek naar abstracte spinsels die ver van de werkelijkheid af staan, of misschien de werkelijkheid zuiveren. In elk van deze gevallen kan de taal congruent willen zijn met de werkelijkheid, of juist niet, maar steeds is de taal iets dat buiten de werkelijkheid om bestaat. Net als bij het idee van taal als lichamelijke natuur versus taal als culturele betekenis is hier een systeem van twee lagen, een stoffelijke en een ideële.

Zulke twee-lagen opvattingen van taal bevredigen mij niet. Het is niet dat ze niet kloppen maar voor mij zijn ze niet ambitieus genoeg als poëticaal beginsel. Ik wil taal als één samenhangend systeem zien. Mij interesseert de natuur van de cultuur. Communicatie, politiek en geschiedenis drijven niet bovenop een onderliggend krochtenstelsel van natuurlijke materie, het zijn zelf bewegende lichamen met een ritme, zoals ook de betekenis van elk woord een interne dynamiek heeft. Pas door het woord op te vatten als een samenhangende verknoping van al die lagen kan de rijkdom van de taal recht gedaan worden.

Zolang de wederzijdse afhankelijkheid van natuur en cultuur in de taal niet gedacht wordt blijft het gevaar bestaan van een steriele poëzie. Gebruik van overrompelende klankmiddelen en retorische effecten kan een lichamelijke kick teweegbrengen, of kunnen de dichter dingen laten zeggen die frappant en uitzonderlijk klinken, maar als de nadruk teveel ligt op een zuiver lichamelijke dynamiek en het zicht op de betekenis-dynamiek van de woorden verloren raakt blijft de roes goedkoop. En een dichter die zich op normaal taalgebruik of op poëtische conventies oriënteert moet daarin een dynamiek laten zien, anders blijft de poëzie op een banaal niveau steken.

De volledige werkelijkheid van woorden beperkt zich niet tot een verhouding tussen twee verschillende lagen. Verschillende aspecten van de taal moeten in één systeem worden gezien. Dan treden er feedback-lussen naar voren, die de dynamiek van de woorden bepalen in hun complete oncontroleerbaarheid en rijkdom.

Bijvoorbeeld, als het gaat om de verhouding tussen taal en werkelijkheid. Er is taal en er is werkelijkheid; dat zijn twee grootheden, maar tussen die twee grootheden zijn drie relaties die ze zo stevig aan elkaar ketenen dat er geen strict onderscheid kan worden gemaakt. Ten eerste verwijst taal naar werkelijkheid, dat wil zeggen: de taal ontleent haar werking aan de werkelijkheid waarin ze moet functioneren. Ten tweede produceert taal de werkelijkheid: elk taalgebruik schrijft een visie op de werkelijkheid voor, en vormt een ingreep. Ten derde is elke specifieke taaluiting zelf een gegeven in de werkelijkheid. Die drie relaties treden steeds tegelijk op, en daarmee bepalen taal en werkelijkheid elkaar steeds weer opnieuw elke keer dat de taal gebruikt wordt. Er is dus een complexe knoop, een feedback-loop die taal en werkelijkheid aan elkaar bindt.

Ook in het domein van ritme kun je die feedback-loop aantreffen. Woorden staan van zichzelf op een vreemde manier in de tijd: enerzijds hebben ze een betekenis die los staat (of lijkt te staan) van elk gebruik in een specifieke context, anderzijds kunnen ze pas betekenis hebben als ze in een bepaalde context en dus op een nauwkeurig gedefiniëerd moment optreden. Ze bestaan dus tegelijk buiten alle specifieke momenten om en alleen op specifieke momenten. En die twee kanten van een woord bepalen elkaar wederzijds: wat een woord allemaal kan betekenen in een specifieke situatie is afhankelijk van zijn betekenis in het algemeen, maar die betekenis in het algemeen is weer een functie van de geschiedenis van het gebruik van dat woord, en dus een resultante van alle specifieke voorkomens.

Zo vormt elk woord, elk taal-element, de locus van een aparte feedback-dynamiek tussen algemene betekenishorizon en specifieke, context-bepaalde betekenis. Dat heen- en- weer tussen het algemene en het specifieke geeft elk woord zijn interne dynamiek. Die dynamiek is voor elk woord anders, maar elk woord zit in een eigen achtbaan van betekenissen. En elke keer dat het woord gebruikt wordt, wordt die achtbaan verder ontwikkeld.

Het ritme van een reeks woorden is daarmee niet alleen een functie van hoe die woorden een serie klanken organiseren. Ook betekenissen hebben een ritme, ook met betekenissen articuleert de taal structuren in de tijd. Klankrelaties kunnen ons door hun ritmische werking de oren openen voor nieuwe betekenissen van woorden, maar het omgekeerde kan ook: een reeks betekenissen kan momenten in de tijd markeren en de oren openen voor hoe een woord klinkt. Wie een zin eindigt op een lidwoord, bijvoorbeeld, laat door die verrassing horen hoe een lidwoord klank heeft.

In elk woord is zo'n feedback-dynamiek aanwezig, binnen een strakgetrokken knoop van verschillende niveau's. Elk woord comprimeert zo een geweldige energie en beweeglijkheid tot een strakke kern. En in gedichten wordt die kern-energie van elk woord aangeboord. Poëzie maakt gebruik van de kernfysica van woorden.

In gedichten is het volgens mij zaak om die energie in elk woord zich te laten ontvouwen, wellicht in botsing te brengen met die van andere woorden, zodat woorden gaan rondzingen, waarbij de verschillende lagen van de taal elkaar in beweging brengen en betekenis hoorbaar wordt als ritme en daarmee in heviger mate ervaarbaar. Dat is de spanning van poëzie. Poëzie verkent de werkelijkheid van de woorden door hun energie aan te boren.

Poëtische vormen zijn daarbij de boormachines die die energie vrijmaken. Tot slot dus iets over die vorm. Wat poëtische vorm doet is woorden in een context brengen, waarbinnen ze hun dynamiek kunnen tonen. Ook hier is een systeem van twee lagen: de ene laag is van onder gedacht, is het woord of het talige materiaal zelf; de andere laag is van bovenaf gedacht, de structuur met zijn geledingen, die de context voor de woorden organiseert. Natuurlijk bepalen ook hier de twee lagen elkaar wederzijds in een feedback-loop: de vorm articuleert woordgroepen, en de woorden markeren door de continuïteit of de contrasten die ze onderling hebben de geledingen van de vorm.

Toch hou ik er van om in het werken aan een gedicht die twee lagen afzonderlijk te behandelen. Ik hou van vormen die nadrukkelijk iets arbitrairs inbrengen, die niet op een organische manier voortkomen uit de dynamiek van de woorden zelf, maar die juist als een extern principe, als een matrix over de taal heen worden gelegd. Daarbij heeft die matrix een eigen ontwerp, een eigen karakter, die een esthetisch object op zichzelf vormt en niet tot de taal te herleiden is. Ik heb daar twee redenen voor.

Ten eerste geloof ik dat op die manier je als het ware woorden kunt kraken. De vorm doortrekt als een arbitrair principe de taal en selecteert woorden op grond van criteria die in de taal niet aanwezig leken te zijn. Daarmee wordt de woorden gevraagd om zich op een andere manier prijs te geven dan gebruikelijk, en aangezien de betekenissen van woorden altijd afhankelijk zijn van elk gebruik van die woorden, worden zo ook de betekenissen van de woorden uitgebreid, ze worden extra in beweging gezet. De arbitraire vormen ontsteken een kettingreactie in de taal.

Ten tweede wil ik door de vormen zo precies mogelijk vorm te geven die vormen zelf als onderwerp van de poëzie naar voren brengen. De vormen organiseren de context van de woorden en beïnvloeden daarmee hun betekenis, en door de vorm nadrukkelijk te maken wordt wellicht dat proces op zich ervaarbaar. Ik zoek meestal zulke nadrukkelijke vormen in heel strak gedefiniëerde verhoudingen, structuren en pagina-ontwerpen. Ik deed dat bijvoorbeeld in een gedicht als Gewrichten, waarin elke dichtregel een fragment van een oneindige zin lijkt te zijn die precies twee keer voorkomt maar twee keer tussen totaal andere fragmenten, of in het gedicht 1512, waarin 21 zinnen van elk 6 woorden steeds op allerlei verschillende manieren verhaspeld worden. De kunstmatigheid van zulke vormen kan niemand ontgaan, en daardoor wordt het dynamische van de woorden zelf nadrukkelijker. De dynamiek van de woorden is de tegenpool van de strengheid van de vormen: twee uitersten die elkaar versterken.

Zo hoop ik de werkelijkheid van de woorden in beweging te brengen voor de lezer. En aangezien taal en wereld elkaar bepalen, hoop ik dat de lezer zo inzichten verwerft in zijn wereld. Gedichten zijn dingen waarmee lezers hun relatie met hun taal, en dus hun wereld, kunnen testen. Met gedichten bereiden lezers zich voor op de werkelijkheid.


Update: Deze tekst en voordracht waren aanleiding voor stevige discussies op De Contrabas: hier en hier. Beide discussies ontvouwen zich vanuit een nogal vrijblijvend soort kritiek op mijn schrijfstijl maar gaan daar verderop aan voorbij.

Feedback

# re: Voordracht Perdu - uitgeschreven versie

11/2/2009 10:59 PM by RHCdG
'Ten eerste verwijst taal naar werkelijkheid, dat wil zeggen: de taal ontleent haar werking aan de werkelijkheid waarin ze moet functioneren. Ten tweede produceert taal de werkelijkheid: elk taalgebruik schrijft een visie op de werkelijkheid voor, en vormt een ingreep. Ten derde is elke specifieke taaluiting zelf een gegeven in de werkelijkheid.'

Hier wordt de werkelijkheid telkens onder een ander gezichtspunt bekeken, maar ik geloof niet dat alledrie tegelijk waar kunnen zijn. Sterker, ik voel zelf eigenlijk alleen iets voor het tweede standpunt. De werkelijkheid is dan iets virtueels, iets dat niet bestaat, maar dat kán bestaan: wanneer ze wordt waargenomen, of wanneer er een woord wordt uitgesproken dat, bij gebrek aan die aanwezigheid, ernaar verwijst, 'boom' bijv. De boom die voor de deur staat is weliswaar voorwaarde voor het woord 'boom', maar kan zonder dat woord niet functioneren, dus die verhouding is wederkerig. De werkelijkheid, als begrip en als woord, bestaat pas doordat wij erover kunnen spreken. Daarom vind ik het moeilijk om te zeggen dat elke taaluiting een gegeven is in de werkelijkheid, want die werkelijkheid is zelf een taaluiting.

Over je laatste zin: de werkelijkheid heeft dus toch het laatste woord? Maar dan is het woord de laatste werkelijkheid!

# re: Voordracht Perdu - uitgeschreven versie

11/3/2009 12:50 AM by Samuel
Is er een boom zonder hem te benoemen? Dat is een vraag waar we best uit kunnen komen, met een rondje stevig 'ja inzoverre dat, nee in zoverre dat...'

Maar dan nu de vraag: als jij "boom" zegt, is er dan een gesproken woord, of moet je daar "gesproken woord" voor hebben gezegd?

Wat ik bedoel met taal als gegeven in de werkelijkheid is erg simpel - om met Willem Thies te spreken, het is veel vaker gezegd. Wie iets opschrijft produceert niet alleen "taal" in abstracto maar ook tegelijk een "ding", een boek of een krant bijvoorbeeld - dat, zoals alle dingen, dan weer zijn eigen relatie met die taal aangaat. Dat is wat ik bedoel.

Die laatste zin gaat alleen maar over wat gedichten zouden kunnen doen en impliceert geen hiërarchie relatie tussen taal en werkelijkheid.

Post Comment

Title  
Name  
Url
Comment   

ATTENTION: the code you need to copy is CaSe SeNsItIvE and is required to prevent spam.
Enter the code you see: