(Onderstaande column verscheen eerder in Vooys als eerste van vier columns die ik dit jaar voor het tijdschrift schreef)
Hoe echt kan literatuur zijn? Of: hoe kan literatuur echt zijn? Deze vragen spelen in de inaugurele rede van Geert Buelens, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Utrecht, In de wereld. Met deze rede wil Buelens pleiten tegen steriele autonomistische opvattingen van literatuur in de neerlandistiek. Het is een pleidooi om, met een “vastberaden pragmatisme” dat ons “misschien meer [kan] helpen dan principiële en theoretische scherpslijperij”, “ramen en deuren vooral open te zetten om veel soorten heel divers materiaal binnen te dragen” in de wetenschap, waarbij hij zich afzet tegen “de opvatting dat literatuur een vorm van redeloze rederijkerij zou zijn, vernuftige verstrooiing voor ziel en lichaam, een verbaal equivalent van macrameeën, een mild ironisch woordenspel of een meedogenloos cynische blufpartij.” Buelens ontwikkelt zijn verhaal aan de hand van enkele auteurs die de confrontatie met de harde werkelijkheid niet uit de weg zijn gegaan en die de waarheid hebben gezocht door de dood in de ogen te kijken. Het gaat daarbij niet om een of andere spreekwoordelijke dood maar om de lijfelijke dood die heerst in de oorlog. Een van die auteurs is Arnon Grunberg, en diens journalistieke stukjes over zijn bezoek aan Afghanistan krijgen een voorname plaats in de rede. Buelens laat zien hoe Grunberg in de oorlog op zoek gaat naar “extreme belevenissen, grenservaringen die hem een acuut gevoel van realiteit kunnen geven, sterker dan de literatuur lijkt te kunnen bieden.” En Grunberg vindt die ervaring ook, als hij een raketaanval op de basis waar hij verblijft meemaakt. Zulke ervaringen bezorgen hem zijn acute besef van, in de door Buelens geciteerde woorden van Grunberg, “de dierlijke en vreugdevolle wetenschap dat je bestaat.”
De casus-Grunberg is echter problematisch. Grunberg schrijft over de raketaanval dat het luchtalarm hem een “krankzinnige vreugde, een opwinding die ik nog nooit zo heb gevoeld” bezorgt. Maar zoals Buelens laat zien is dat een late interpretatie, die pas in het krantenstukje te lezen is; direct na de aanval schreef Grunberg op zijn weblog juist dat het “not the most pleasant moment in my life” was. Het euforische acute gevoel van realiteit is dus een constructie achteraf, een literaire constructie. Voor Buelens is deze paradox van acuutheid-achteraf geen probleem. “Zijn interpretatie van de feiten doet dan meer ter zake dan zijn eigenlijke gevoelens toen de raketaanval zich voordeed” schrijft hij, en: “Pas wanneer Grunberg zijn ervaringen […] literair vormgeeft, openbaart zich de betekenis van deze gebeurtenis.” Maar deze opvatting roept een netelige vraag op. Als het acute gevoel van realiteit dat gezocht werd in de oorlog, de euforische ervaring van de echtheid van het leven, vooral als literaire constructie bestaat, waarom heeft Grunberg dan eigenlijk naar Afghanistan moeten gaan?
Bevestigt dit voorbeeld niet juist dat deze literatuur de wereld helemaal niet nodig heeft? Had Grunberg dit verhaal niet ook van te voren kunnen verzinnen? Het opzoeken van de oorlog was hem mede door een literair voorbeeld ingegeven (Isaak Babel, die de oorlog beschouwde “als een stormachtige prelude tot het geluk”), en het euforische besef van je eigen leven nadat je een levensbedreigende situatie hebt overleefd is niet onbekend. Ik ben geneigd om Grunberg’s realiteitservaring in dit voorbeeld als door en door geconditioneerd te lezen, zoals ik ook vaak zijn reportages in de krant eerst en vooral als knappe genrestukken heb gelezen, maar op het gebied van realiteit juist nogal steriel. Grunberg is een bijzonder gewiekste stilist die heel slim pregnante observaties monteert in een voor hem kenmerkend ritme. Het maakt daarbij weinig uit waar hij over schrijft, of het nou de oorlog in Afghanistan of internetdating met vrouwen uit de Oekraïne is. De auteur zoekt de ervaring van het echte, zoekt daartoe buitenissige omstandigheden op, maar komt alleen maar zichzelf tegen, zijn literaire verwachtingen en zijn stijl. Het is dan ook typisch dat wat Grunberg in Afghanistan vindt vooral een euforische ontdekking van het eigen biologische bestaan betreft: het menselijk leven als hoogste criterium. Gezien vanuit de theorie van een denker als Alain Badiou, dé post-postmoderne filosoof van gebeurtenis, waarheid en engagement, staat zo’n ontdekking zeer laag op de schaal van de waarheden. Voor Badiou zijn waarheden oneindig, eeuwig en universeel. Ze tonen het tekort van een situatie en vormen daarmee een absolute oproep tot ingrijpen, tot activistische verandering. Het biologische bestaan daarentegen is eindig, tijdelijk en specifiek. Het beste waar het toe kan oproepen is een bescheiden verlenging van zichzelf. Universeel kritisch potentiëel gaat er niet van uit.
Over, bijvoorbeeld, de situatie in Afghanistan zegt de ontdekking van de eigen levensvreugde dan ook niets. Het is zelfs de vraag of zo'n oorlogservaring wel een echte oorlogservaring is. "You go to a war zone to experience something like war, don't you?" schreef Grunberg op zijn weblog; maar dat is een geprivilegiëerde ervaring van oorlog, oorlog als war of choice, terwijl oorlog voor de meeste participanten een ding is dat je overvalt en meesleurt, geen jas die je aan en uit kunt doen.
Buelens laat zien dat Grunberg Afghanistan vooral gebruikt als een plek waar het echte gevonden kan worden, dat de literatuur niet te bieden heeft. Afghanistan fungeert dus als een arbitraire vervanger voor het Reële, en Grunberg’s verlangen naar zulke plekken komt voort uit een verondersteld realiteitsgebrek in de literatuur. Buelens citeert Grunberg: “Misschien is dat wel het probleem met de literatuur: het wordt nooit echt. Nooit helemaal in ieder geval.” Voor wie van dit axioma uitgaat zit de literatuur in een spagaat waar ze aardig last mee krijgt zodra ze in de wereld wil meetellen. Wil men dan de literatuur wereldse relevantie kunnen toedichten moet men bereid zijn een of andere “waarheid van de literatuur” in te voeren. Die waarheid moet de werkelijkheid pragmatisch kunnen aftroeven, maar tegelijk voor de literatuur haar status aparte behouden. Het axioma van de onechtheid van de literatuur maakt het doorbreken van autonomisme zo tot een complexe paradoxale aangelegenheid.
Maar je kunt ook van een ander axioma uitgaan: dat literatuur altijd helemaal echt is. Daar is veel voor te zeggen. In plaats van een realisme in de literatuur spreek je dan over de realiteit van de literatuur. Boeken zijn dingen, schrijvers en lezers personen in de werkelijkheid. Schrijven, redigeren, uitgeven zijn handelingen die in de wereld plaatsvinden. Woorden bestaan, zowel materiëel (als inkt of klank) als historisch (als dynamische betekenisdragers). De werkelijkheid van de literatuur is geen aparte werkelijkheid, maar een specifiek deel van de totale werkelijkheid. En er is geen verschil tussen literaire taal en algemene taal, behalve dat in de literatuur taal verschijnt onder het teken van literatuur. Als een ‘onechte’ literatuur de werkelijkheid stileert, dan organiseert een ‘echte’ literatuur haar verschijnen. En een schrijver die van deze poëtica uitgaat heeft een andere taak dan een met de Grunbergse opvatting. Want als literatuur nooit helemaal echt is, wordt het zaak om het echte op kunstmatige wijze te benaderen en zo op de juiste manier te belichten. Maar als literatuur zelf echt is, is elk schrijven werkelijk en is het zaak bewust te worden van de consequenties van die werkelijkheid.
Die werkelijkheid is dan in de eerste plaats de werkelijkheid van de taal waar de schrijver mee te maken heeft, en - omdat taal nooit geïsoleerd in de wereld staat - daarmee ook de relatie van de schrijver met de wereld. In plaats van te zoeken naar een werkelijkheid in een oorlog die buiten je staat moet je dan op zoek naar de werkelijkheid van je eigen woorden - om wellicht juist in je eigen taal precies die oorlog aan te treffen. "Oorlog is de vader van alle dingen," zegt Heraclitus: je kunt hem dus overal vinden. Don't ask what the war can do for you... maar vraag: welke oorlog voer ik door deze woorden te schrijven? Ben ik, Nederlands auteur, terwijl ik koffie drink en schrijfbeurzen ontvang, niet allang in Afghanistan?