De dichter moet de wereld veranderen: dat is wat er in de Nederlandse debatten onder engagement wordt verstaan. Op basis van dit uitgangspunt kan Erik-Jan Harmens eisen dat poëzie zus of zo (de alreeds befaamde reeks "Ik wil..." van zijn inleiding bij zijn bloemlezing, barstensvol eisen aan gedichten). Maar ook op basis van dit uitgangspunt kan Menno Wigman in zijn
stuk in
Trouw de mogelijkheid van een dergelijke geëngageerde poëzie ("aggressieve" poëzie, zegt hij) betwijfelen. Immers, kan poëzie wel dreigend zijn? Is de hele vorm, van die kleine lieve boekjes, niet zelf al zodanig weinig gevaarlijk dat je altijd schouderophalend aan elk kritische potentiëel van de poëzie voorbij kunt gaan? Of zoals Wigman schrijft:
"Maar zoals dat gaat met poëzie: nergens voel ik me aangevallen, beledigd, bedreigd. Het is er gewoon het medium niet voor."
De vraag is natuurlijk door welk medium je dan nog wel per definitie aangevallen en bedreigd kunt worden. Als je aan de poëzie op grond van haar mediale karakter schouderophalend voorbij kunt gaan, kun je aan elk medium schouderophalend voorbij gaan. "Het is maar TV, het heeft geen echte betekenis": dat denk ik vaak genoeg. Sterker nog, ik kijk nooit TV -- ik heb er niet eens een. Bedreiging is dan ook helemaal geen media-kwestie. Je kunt ook heel goed iemand overtuigend met de dood bedreigen per sonnet.
In elk geval zijn in deze debatten voor- en tegenstanders van het idee dat een poëzie "gevaarlijk" kan zijn het over één ding eens: het is de taak van de gevaarlijke poëzie om zijn lezers (c.q. de wereld) te veranderen. Dat idee zelf staat nergens ter discussie: oftewel, het is een ideologisch uitgangspunt. Ideologisch, omdat het als een vanzelfsprekendheid wordt beschouwd; terwijl het geen noodzakelijk gegeven is. Waarom bijvoorbeeld wordt er steeds maar opgeroepen tot "gevaarlijk schrijven", maar nooit eens tot "gevaarlijk lezen"? Of: wat als we nou eens als axioma aannemen dat
alleen een lezer de poëzie gevaarlijk kan maken? Waaruit dan zou volgen dat Wigman's redelijk klinkende opmerking niet een vaststelling maar een
verzaking is.
Dan veronderstelt engagement allereerst de bereidheid tot geëngageerd lezen. Dus de bereidheid om poëzie voor jezelf niet net zo krachteloos en betekenisloos te laten zijn als zij dat is voor de maatschappij als geheel. De maatschappelijke reactie op de poëzie is geen criterium voor je eigen reactie op de poëzie.
Poëzie lezen wordt dan een
oefening. Het is een oefening voor diegenen die van de poëzie hopen dat ze een kracht laat zien in, of middels, de taal die alleen door die poëzie naar voren wordt gebracht, hoewel de poëzie in principe dezelfde taal gebruikt als jan en alleman. De poëzie is dan een medium waar de grondslagen van die alledaagse taal kunnen worden onderzocht, waar de werking van de taal naar voren komt, waar wellicht de zwakke plekken, de onbeslisbaarheden, de onderliggende paradoxen, kortweg: de strijd om betekenis, niet hoeven te worden afgedekt door de warme deken van het pragmatisme.
Deze oefening werkt natuurlijk alleen als je dat pragmatisme, de wet van de wereld zoals zij zich voordoet, al lang en breed spuugzat bent. De poëzie is er uitsluitend voor die lezers die haar nodig hebben. En het lezen dat zij van de poëzie leren bereidt hen voor op alle verdere tekst van de wereld.