Tuesday, January 20, 2009



ON RACHMANINOFF'S BIRTHDAY

Quick! a last poem before I go
off my rocker. Oh Rachmaninoff!
Onset, Massachussetts, Is it the fig-newton
playing the horn? Thundering windows
of hell, will your tubes ever break
into powder? Oh my palace of oranges,
junk shop, staples, umber, basalt;
I'm a child again when I was really
miserable, a grope pizzicato. My pocket
of rhinestone, yoyo, carpenter's pencil,
amethyst, hypo, campaign button,
is the room full of smoke? Shit
on the soup, let it burn. So it's back.
You'll never be mentally sober.


               - Frank O'Hara



Snel! Nog één gedicht voor ik helemaal doordraai. Bij Frank O'Hara mag je dit letterlijk nemen. O'Hara schreef snel, op onverwachte momenten. Ook zijn bundeltitel Lunch Poems mag je letterlijk lezen: gedichten konden tijdens de lunch ontstaan. In de woorden van Ashbery: Dashing the poems off at odd moments - in his office at the Museum of Modern Art, in the street at lunchtime or even in a room full of people - he would then put them away in drawers and cartons and half forget them.

Ted Berrigan schreef met Train Ride een prachtig, vederlicht gedicht van 26 pagina's tijdens een treinreis van New York naar Providence. In haar voetnoten bij Berrigan's Collected Poems schrijft Alice Notley: Train Ride is a poem written exactly in the now moment, about who is there, both materially and in mind, and what is urgent. By the early 70s Ted had become quite adept at this kind of in-the-instant work.

Geweldige poëzie kan soms razendsnel in volstrekt informele omstandigheden ontstaan. Niet altijd natuurlijk: veel dichters zijn meer schavers. Maar het is niet raar, laat staan onmogelijk, dat iemand die zijn hele leven ontzettend veel leest en regelmatig schrijft simpelweg beschikt over voldoende taalbewustzijn om soms, als hij of zij precies weet wat hij of zij moet vertellen, in no time een mooi gedicht te schrijven. Hoe lang zou Shakespeare hebben gedaan over The Sea Dirge? U weet wel -


Full fathom five thy father lies;
Of his bones are coral made:
Those are pearls that were his eyes:
Nothing of him that doth fade,
But doth suffer a sea-change
Into something rich and strange.
Sea-nymphs hourly sing his knell:
        Ding-dong.
Hark! now I hear them, - ding-dong, bell.



Je weet het natuurlijk nooit, maar het zou me erg verbazen als Shakespeare hier maanden aan geschaafd had. Een idee, dan een kwartier van concentratie gevolgd door een half uur poetsen en schrappen zouden best zo'n gedicht hebben kunnen opleveren. Waarom ook niet? Maar wat een geweldig mooi dingetje is het toch.

Dat was het goede nieuws. Het slechte nieuws is: deze dichters zijn charlatans. Poëzie is het niet. Zo zegt Ramsey Nasr in zijn Dichter-des-Vaderlands-campagnestuk in De Volkskrant van gisteren:

(...) niemand schrijft een goed gedicht in een uur. Je kunt iets schrijven dat rijmt, iets dat goed klinkt - maar dat heet indruk maken. Of charlatanerie. Poëzie is het niet.

Nasr weet iets dat O'Hara, Berrigan en (naar ik vermoed) Shakespeare niet begrepen hebben. Namelijk, dat je als dichter heel erg moeilijk moet doen voordat wat je schrijft poëzie mag heten. De Poëzie is een ernstige zaak die niet zo maar even op een middagje kan ontstaan. Ze vereist offers, die enkel door een groot man kunnen worden geleverd. Ze komt niet voor een prikkie. Ze is aristocratisch. U begrijpt dat ik zo'n opvatting humbug vind, amateuristisch zelfs. Het is op zijn best een pose. Een echte dichter begrijpt dat poëzie er gewoon is als het er is, en dat dat even goed kan ontstaan in een minuutje als in drie jaar. En al helemaal is niet gegarandeerd dat je door langer en moeizamer aan iets te werken ook iets beters gaat maken.

Nasr is geen Shakespeare maar hij is wel acteur, en hij speelt de rol van ernstige dichter bijzonder goed. Hij weet precies wanneer je moeilijk moet kijken. Als Pfeijffer de Dichter speelt als een typetje speelt Nasr hem als een tragische aristocraat van de taal. Maar waarom poseert hij nu in De Volkskrant als aristocraat? Omdat zijn campagne voor het Dichter-des-Vaderlands-schap daar op gebaseerd is. Dat is de enige manier waarop hij zich kan onderscheiden van Tsead Bruinja, die wel gewoon campagne voert om verkozen te worden. We moeten op Nasr stemmen, omdat hij een gedistingeerde distantie zal houden ten opzichte van de jachtige banale platte media en bla bla (valt het U intussen ook op dat geklaag over de platheid van krant en TV zo vaak in de krant en op TV te vinden is?). Bruinja verwijt hij de DdV-verkiezingen als "presidentsverkiezingen" op te vatten. Die term, President, lijkt me een overwogen keuze. Presidentsverkiezingen associëren we vooral met de VS, land zonder adel, en dus met de platheid van het rapalje en de cultuur van het running for office. De president is de minst aristocratische leider.

Maar Nasr zal zich in dienst stellen van het hogere doel. De Poëzie en het Vaderland. Want in deze tijden waarop Nederland "volop bezig [is] zichzelf opnieuw te definiëren" heeft "Nederland [...] een dichter nodig" die "kan helpen in die zoektocht". "Niet met antwoorden, maar met vragen", dan toch - dat valt dan alweer mee. Maar het lijkt me opnieuw een aristocratisch idee: de dichter die boven de partijen staat en de wijsheid van de taal over ons uitstrooit, zodat wij te weten komen wie wij zijn. Er spreekt hier een 19e-eeuwse nationalistische kunstopvatting uit, waarbij het land en het volk in de poëzie tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Het is een opvatting die natuurlijk al verankerd ligt in heel dat idiote concept van een Dichter des Vaderlands en wat dat betreft is de aristocraat Nasr de ideale kandidaat. Jammer alleen dat hij zijn handen vuil moet maken om verkozen te worden; het zou eigenlijk allemaal bij de gratie Gods moeten gebeuren.

Maar als je het niet erg vindt, Ramsey Nasr - ik ben toevallig ook Nederlander en wat mij betreft heeft Nederland helemaal geen Dichter nodig, geen griezel die mij vier keer per jaar epische vragen gaat stellen over wat het betekent om Nederlander te zijn. Ik heb al genoeg sores aan mijn kop hier. Dat 19e-eeuwse idee is niet meer dan het koppelen van de ene hoogdravende abstractie ("De Poëzie", waar je dus lang moelijk voor moet hebben gedaan, God weet waarom) aan de andere ("Nederland" als een plek die zichzelf bezig is opnieuw te definiëren). Ik vind het kitsch. Misschien moeten wij als kunstenaars, nu iedereen bezig is met het opstellen van Canons en Nederlandse Identiteiten, juist weigeren om ons überhaupt met zulke vragen bezig te houden. Wat mij betreft heeft Nederland dan ook geen aristocratische Dichter nodig, maar heeft Nederland dichters nodig. Met ergens een of twee ertussen waar ik wat mee kan. Dat lijkt me nou geen slecht begin van een Nederland waar ik me thuis zou kunnen voelen.

En dat volk komt er dan ook nog wel een keer uit.


                     *


Martijn Benders heeft inmiddels ook zijn programma bekend gemaakt voor de Dichter des Vaderlands-verkiezingen van over vijf jaar.

posted @ 4:33 PM | Feedback (1)

Ik ben een Nederlands dichter. Ik werk voor Nederland. Ik werk aan Nederland. Ik schrijf in het Nederlands. Ik zal een dichter van Nederland zijn. Ik schrijf in de Nederlandse taal. De Nederlandse taal is het Nederlandse volk. Er is geen Nederlands volk zonder de taal van Nederland. De taal van Nederland bestaat slechts middels zijn dichters, de taal is een taal als zij een levende taal is, de dichter verlevendigt de taal, maakt de taal levendig, ze is levendig, ze is mooi. Het Nederlandse volk wordt vooral gedefiniëerd als het volk dat Nederlands spreekt. Het Nederlandse volk spreekt Nederlands dankzij zijn dichters die zijn taal verlevendigen. De dichter redt de taal, redt het volk, redt Nederland. Als dichter die zal worden erkend als nationaal erfgoed van het land ben ik Nederlands, ik behoor toe aan het nationale erfgoed van Nederland. Ik ben een dichter van Nederland.

Er is een band tussen mij, de Nederlandse dichter en de soldaat van Nederland. Ik ben een soldaat van Nederland. De defensiesoldaat beschermt het Nederlandse grondgebied, het Nederlandse grondgebied is de enige plek ter wereld waar men Nederlands spreekt. De soldaat, alle soldaten, de hele nationale defensie biedt weerstand aan vijanden die het enige grondgebied waar men Nederlands spreekt willen laten verdwijnen, het grondgebied van de Nederlandse taal, het grondgebied van de taal, de taal. De inspanning van de nationale defensie met zijn soldaten en zijn wapens zodat er in de komende eeuw nog een land kan bestaan dat gered wordt van zijn vijanden achter de verschansing van zijn defensie, een land dat Nederlands is omdat het Nederlands spreekt, een land dat alleen kan bestaan bij krachte van zijn verdedigingswapens. Ik ben voor altijd aan de soldaat verbonden.

Laat je niks wijsmaken. De Nederlandse dichter die ik ben bestaat alleen door het bestaan van het land dat Nederlands spreekt, dat zijn bestaan alleen dankt aan de kracht van zijn soldaten. Ik zou geen dichter willen zijn van een van die volkeren die de macht van hun taal hebben verloren door de wapens van hun land te verliezen. Laat je niks wijsmaken, het is terecht als Nederland van mij een Nederlands dichter gaat maken, ik ben een dichter die de Nederlandse taal verdedigt tegen aftakeling, ik ben een dichter die de taal redt door de taal te bewerken, door haar te laten werken, haar te laten leven, haar te laten bewegen. Die, binnen deze heilige kring, waar men de Nederlandse taal nog spreekt, het hart van wat het Nederlandse volk definiëert kan doen leven, zijn taal, zijn nog levende taal.



(vertaald en bewerkt uit C. Tarkos, Pan, P.O.L. 2000)

posted @ 4:25 PM | Feedback (0)