Wednesday, July 02, 2008

"Geen subsidie meer voor Orkest De Volharding," meldt De Volkskrant. In het concept-advies van het nieuwe Fonds voor de Podiumkunsten wordt 'uitermate negatief' over het orkest geoordeeld. De Volharding zou er onvoldoende in geslaagd zijn een artistiek profiel te laten zien en in zijn adviesaanvraag een 'onderscheidende bijdrage' aan het aanbod op de Nederlandse podia onvoldoende waarborgen.

Een treurig bericht. Vele jaren lang was De Volharding misschien niet de parel in de kroon van de Nederlandse nieuwe muziek, maar wel het meest eigenzinnige, "typisch Nederlandse" ensemble, ergens tussen straatorkest, big band en hedendaags ensemble in. En van huis uit een heel politiek ensemble, opgericht door Louis Andriessen om zijn nogal curieuze gelijknamige compositie te spelen. De opname die ik daarvan heb, gespeeld tijdens een Inklusief Konsert, is geweldig; met sprankelende energie spelen ze een vreemd ruig beetje minimal-achtig stuk voor een publiek waarvan de helft er na 10 minuten helemaal tabak van heeft en de andere helft extatisch is. Die Inklusieve Konserten waren bedoeld om verschillende muziekstromingen bij elkaar te brengen en zo iets als een democratisering van de muziek op gang te brengen; en dat was ook de bedoeling van De Volharding: uiteenlopende muzikale en maatschappelijke stromingen vermengen in één groep. Daarna heeft het orkest vaak kunnen spelen op allerlei protestbijeenkomsten. Maar in de loop van de decennia raakte dat politieke karakter op de achtergrond, zoals in het hele muziekleven zo niet de hele maatschappij. In de loop van de jaren '80 was strijd ook steeds minder nodig voor musici. In 1982 werd het Fonds voor de Scheppende Toonkunst opgericht, dat componisten van opdrachten kon voorzien; de vernieuwende ensembles kwamen terecht in het kunstenplan; alles liep; en jaar in jaar uit stond in de krant te lezen dat het goed ging met de nieuwe muziek in Nederland (terwijl de ruimte voor besprekingen van die muziek beetje bij beetje werd teruggeschroefd).

Zelf schreef ik voor De Volharding een van mijn meest politiek geinspireerde composities.

In '98 of '99 - ik studeerde compositie aan het Koninklijk Conservatorium - zat ik na afloop van een of ander concert of evenement in Den Haag in een late trein naar Amsterdam met medestudent Benedict Weisser en docent Martijn Padding. Dit was een tijd waarin onder veel van de jongere componisten met wie ik omging het gevoel heerste dat het Nederlandse muziekleven hard aan het stagneren was. Er werd weliswaar op hoog niveau werk geleverd, maar er leken weinig werkelijk opzienbarende nieuwe geluiden door te breken. Het was net alsof alles dat gespeeld werd door de grotere ensembles, en dús aandacht kreeg in de pers, ófwel gematigd-moderne lyriek was, ófwel Haagsche School postminimalisme met een conceptueel sausje en eventueel wat experimenteel orende electronica of ogende multimedia. Martijn Padding is van een andere generatie en heeft een andere ervaring: hij kwam als componist tot wasdom in de hoogtijdagen van de Nederlandse nieuwe muziek, mid/eind jaren '80. De muzikale wereld die er voor mij weinig vernieuwend begon uit te zien had hij juist zien groeien.

We hadden een geanimeerd gesprek. Zoals ik me het gesprek herinner vroeg Benedict, een slimme en academisch goed opgeleide Amerikaan van wie ik zelf ooit een stuk genaamd All that is solid melts into air speelde, zich op een gegeven moment af of de muziek van nu misschien te weinig politieke ondergrond had? Moesten componisten niet weer nadenken over engagement? Martijn had een vrij duidelijke stelling. Politiek in de muziek was iets van het verleden. De componisten hoefden geen strijd meer te voeren; in de muziek ging het nu alleen nog puur om een esthetische kwesties. (Overigens gaan in de Haagsche School esthetische kwesties nooit over zomaar tijdloze schoonheid maar worden ze áltijd expliciet verbonden met kritische reflectie op de muziekgeschiedenis, bij voorkeur in de vorm van citeraten/bewerkingen met 'ironische distantie'). Waarop Benedict opperde dat Martijn nog eens verbaasd zou kunnen staan. Hij had tekenen opgevangen dat de politiek wel eens binnenkort helemaal terug zou kunnen zijn; ik denk dat hij op dat moment al lucht had van de antiglobaliserings-protesten die de WTO-meeting in Seattle in 1999 zouden gaan vergezellen. Benedict heeft natuurlijk gelijk gekregen, al konden we toen niet weten op wat voor een onaangename manier in het komende decennium politiek weer een issue zou worden.

Niet lang daarna nam Martijn het artistiek leiderschap (of adviseurschap) van De Volharding over. Hij kreeg voor elkaar dat het ensemble versterkt werd met 2 klarinetten, zodat de fluit niet meer zo alleen zou staan tegenover 3 trompetten, 3 trombones, 3 saxofoons en hoorn (en piano en contrabas). Ook repertoire-inhoudelijk wilde hij nieuwe impulsen. In 2000 studeerde ik af en vroeg hij mij om een stuk te schrijven voor het Orkest. Ik weet niet meer zeker of ik aan het gesprek in de trein dacht toen ik op het idee voor Terug! kwam. Ik dacht zeker ook aan de manier waarop links sowieso in de jaren '90 alleen nog maar beheerst leek te worden door het zoeken naar een eigen identiteit. De PvdA was toen een partij waar het soms electoraal goed en soms slecht mee ging, maar waarin vooral veel gediscussieerd leek te worden - zeker vanaf de WAO-crisis in '91 - over wat de sociaaldemocratie nou nog moest zijn, en in de praktijk alleen met een goed functionerend maar uiterst oninspirerende Derde Weg-benadering kwam. Dat moeizame zoeken naar (terug proberen te vinden van) de eigen kern in een progressieve beweging interesseerde me, en ik probeerde daar een formele muzikale schets van te maken. Ik stelde me een muziek voor die telkens probeerde terug te keren naar een uitgangspunt, maar in het proces van het terugkeren steeds op een nieuwe, andere complexe situatie zou uitkomen. Een zoektocht naar een begin dat eigenlijk al weg is, dat moest het onderwerp van Terug! zijn. En de titel een omkering van een strijdkreet.

Ik dacht enkele jaren over Terug! na en schreef het stuk uiteindelijk in 2002/3. Voor het stuk verzon ik allerlei technieken waarbij processen van materiaalreductie de zaak juist complexer zouden maken. Het meest duidelijk komt dat naar voren in het derde deel, waar enkele melodieën canonisch door bijna alle instrumenten gespeeld worden. Maar bij elke latere herhaling van de melodie laten de instrumenten steeds noten weg; elke partij laat alleen andere noten weg, zodat er van de melodie voor elke partij een andere 'kern' overblijft. Samenhang tussen de partijen valt weg.

Ook moest het stuk 7 delen bevatten, omdat ik wilde dat het stuk telkens opnieuw begon. Het laatste deel eindigde met de triller waar Louis Andriessen's "De Volharding" mee begint. Bij hem werkt die triller als de kern waaromheen zijn stuk zich ontvouwt; bij mij werd die triller een soort zwart gat waar de basis-motieven uit mijn stuk als het ware in werden 'opgezogen'. De intervallen van mijn melodieën werden gecomprimeerd net zolang tot het hele contrapunt zich binnen die kleine secunde zou bevinden - wat dan weer door alle zwevingen die gaan optreden juist een psycho-akoestisch gesproken heel complex geluid oplevert.

Op 20 maart 2003 werd het stuk in premiere gebracht in De Rode Hoed in Amsterdam. Bush was die dag net begonnen met de aanval op Bagdad. Een definiërend moment in de politiek van de New American Century. Er heerste daardoor een wat rare stemming bij het concert. Iedereen wist dat er op het moment dat wij naar hedendaagse dissonanten aan het luisteren waren er duizenden kilometers verderop een grote hoeveelheid mensen aan gort werden gebombardeerd.

De premiere zelf was een fiasco. Terug! wordt met stopwatch gecoördineerd en de dirigent, Jurjen Hempel, had op die middag het voor elkaar gekregen dat de stopwatch-monitor tussen de delen automatisch zou resetten, waardoor de pauzes tussen de delen wegvielen. Ik had moeten ingrijpen maar had niet op tijd door wat de gevolgen zouden zijn: namelijk dat de 7-delige opzet onhoorbaar zou worden. Het gevolg was dat een compositie die uit 7 losse spanningsbogen bestond onder 1 spanningsboog kwam te vallen. Wat niet werkte. Het ensemble had het stuk nooit achter elkaar gespeeld tijden de repetitie, en kreeg tijdens het concert het gevoel dat het stuk veel te lang duurde. Zo ook een deel van het publiek. De volgende dag schreef Erik Voermans in Het Parool, onder de kop "Misschien wel het ergste concert van het hele jaar": In tijden van oorlog klinkt lelijke muziek lelijker dan in tijden van vrede. De futiliteit ervan wordt erdoor benadrukt. Dat is vervelend voor de componisten van die lelijke muziek. Als toehoorder denk je dan toch al snel: man, ga iets nuttigs doen; iets in de verpleging of zo. [...] Nog veel moedeloosmakender waren de volstrekt onmuzikale klankopeenvolgingen die S.V. (...) in zijn véél te lange stuk Terug! achter elkaar had geplaatst. "Boeh!" riepen enkele mensen na afloop. Leek me een mild oordeel. Dat was mijn eerste recensie in een Nederlandse krant. Door een man die in tijden van oorlog mooie muziek wil (en wat hij onder mooie muziek verstaat is trouwens te horen op een CD waar hij met smaakvol electrische gitaar-spel opnames van Lucebert die briljante gedichten voorleest begeleidt. Schoonheid, gezicht, nou ja enfin laat maar). Sinds deze kritiek heeft geen kritiek me nog heel erg kunnen emotioneren.

Een week later speelde het Orkest vier van de zeven delen van het stuk in Theater Kikker in Utrecht, nu wel met rusten tussen de delen. Die uitvoering, en ook de derde uitvoering in Rotterdam, werden heel goed ontvangen. Van het Utrecht-concert is een opname die op mijn website te beluisteren is.

En nu zijn we weer 5 jaar verder. En nu zou het Orkest 'onvoldoende artistiek profiel' hebben. Ik vind dat erg jammer. Ik kan het me ook niet goed voorstellen. Het blijft een uniek ensemble. Hun repertoire is niet zomaar te kopiëren door willekeurig welk Nieuwe Muziek-ensemble. Maar ik heb natuurlijk ook de plannen van de aanvraag niet gezien - en er schijnt wel e.e.a. te zijn veranderd in de laatste 1, 2 jaar. Ik weet wel zeker dat als De Volharding zou verdwijnen dat Nederland dan een ensemble kwijtraakt dat misschien het meest kenmerkend was voor haar recente muziekgeschiedenis. Het staat voor een esthetiek en een geschiedenis waar ik zelf altijd een ongemakkelijke relatie mee heb gehad, wat tot uitdrukking kwam in een ongemakkelijk stuk en een ongemakkelijk concert in een bijzonder ongemakkelijke tijd. Maar het Orkest, zijn geschiedenis, zijn speelcultuur, stáát tenminste nog voor iets. Zonder raakt de Nederlandse muziek absoluut een stuk ziel kwijt. Voor je het weet rest ons alleen nog maar het deprimerende moeras van het vakmanschap.

posted @ 1:41 AM | Feedback (5)