Tuesday, June 10, 2008

(Zie hier voor het voorafgaande)

Dat 'buiten' blijkt toch een problematisch woord. Hardnekkig verwijst het naar de mogelijkheid van een hogere werkelijkheid, terwijl ik vooral op het oog had wat ik hier schreef op 30 mei: Deze stem van buiten is niet mijn stem; het is ook niet een stem die "Het Buiten" zelf toebehoort en hoorbaar maakt, of die over Het Buiten, De Stilte, enz. spreekt, maar een stem die kan spreken over onze situatie en in onze taal, alleen, op een vreemde manier. Vreemd, tenminste, voor diegene die het vreemde in zijn eigen taal kan - wil - horen. Het was dat idee van een stem van buiten dat ik ook bedoelde op 31 mei in de post over poëtica en avondmaal: Het heiligen van een stuk brood dat daarmee lichaam van Christus wordt lijkt mij een manier waarop een stem van buiten komt te spreken in onze wereld.

Onze wereld... inderdaad, buiten klinkt hier metafysisch, bovenwerelds. Zowel Rutger als Ernst vielen over mijn gebruik van 'buiten'. In mijn antwoord op hen kwam ik vervolgens uit bij de formulering 'als van buiten'. Het gaat eenvoudigweg om een stem die ik nog niet ken; die noch mijn stem is, noch van iemand die ik door en door ken, die toebehoort aan de wereld zoals ik die meen te kennen. (Misschien is er een betere term te verzinnen.)

Maar ik wil dat idee toch graag verbinden aan een Thoreau-achtig idee, dat Ernst naar voren brengt: de aanwezigheid van iets nieuws in het alledaagse, zegt Ernst; hij citeert Thoreau's hoofdstuk Sounds, uit Walden: For we are in danger of forgetting the language which all things and events speak without metaphor, which alone is copious and standard. . Hoe zit dat nu? Kan ik een idee van 'het nieuwe in het alledaagse' op een of andere manier gelijkstellen aan 'als van buiten in het alledaagse'? - of zelfs: 'niet toebehorend aan de wereld zoals ik die meen te kennen, maar wel in het alledaagse'? Misschien kan dat. 'Copious' lees ik vooral als: gul voor de taal waarvan wij ons bedienen. De alledaagse wereld wordt nooit gedekt door (want blijft altijd verschillend van) onze manieren van er over praten. Dat garandeert altijd de mogelijkheid van het nieuwe in het alledaagse. Het alledaagse kun je altijd a.h.w. onder een andere hoek waarnemen. Maar dat nieuwe in het alledaagse - 'het mysterie van het zichtbare', schrijft Ernst - is niet zomaar toegankelijk. Er moet iets gebeuren wil onze blik op het alledaagse zich vernieuwen.

Wat doet Thoreau zelf eigenlijk in Sounds? Van alles, maar één van de dingen die hij doet is luisteren naar de vogels als de trein voorbij is gereden. En hoe doet hij dat? bijvoorbeeld -

"I was also serenaded by a hooting owl. Near at hand you could fancy it the most melancholy sound in Nature, as if she meant by this to stereotype and make permanent in her choir the dying moans of a human being, (...)" - without metaphor my *ss! Of op zijn minst wordt dat metafoorloze spreken onmiddelijk vertaald in metaforen zodra Thoreau er over gaat schrijven in de hoge stijl die hem nou eenmaal eigen is. (*) Die uil komt in Walden de taal van Thoreau te spreken. Maar ik ben bereid te geloven dat hij in werkelijkheid tot Thoreau heeft gesproken in die metafoorloze taal. Die dus zeker 'van buiten' is ten opzichte van Thoreau's taal. (**)

Er zijn aanwijzingen dat dat 'van buiten' horen niet vanzelf gaat; dat er iets moet gebeuren voor Thoreau om zijn eigen taal voldoende opzij te zetten en het gewone 'als van buiten' te horen. Bij het kraaien van die haan, in Walking, is hij daar duidelijk in: Above all, we cannot afford not to live in the present. He is blessed over all mortals who loses no moment of the passing life in remembering the past. Unless our philosophy hears the cock crow in every barn-yard within our horizon, it is belated. That sound commonly reminds us that we are growing rusty and antique in our employments and habits of thought. His philosophy comes down to a more recent time than ours. There is something suggested by it that is a newer testament, - the gospel according to this moment. (over Christelijke symboliek gesproken!)

Er gebéurt dus zeker iets. Het is niet zomaar dat het alledaagse iets nieuws blijkt te herbergen. We moeten uit onze tijd overstappen naar een 'more recent time' - ga er maar aanstaan. De haan wekt Thoreau uit zijn gewoonte van gedachten. En misschien is dat trouwens ook het belang van die trein in het Sounds-hoofdstuk. Even samengevat: nadat Thoreau het hoofdstuk ervoor fel heeft gepolemiseerd tegen het spoor, waarvan de aanleg mensonterend is geweest en die hij als onnodig ziet voor wie kritisch leeft, beschrijft hij in Sounds hoe hij vrij dicht bij het spoor leeft, en beschrijft hij een opwinding als er een trein met goederen van over heel de wereld langskomt. Hiervan slaat zijn fantasie op hol, hij stelt zich de hele wereld voor. Dan verdwijnt de trein in de verte en 'I am more alone than ever' - en dan komen de geluiden: eerst een meditatie over het effect van afstand op klanken (van kerkklokken bijvoorbeeld), dan van de vogels.

Met geweld is de sociale wereld langsgetrokken, en heeft Thoreau meegesleept. De gebeurtenis, de overgang, die vervolgens Thoreau wekt voor de geluiden van de vogels is het verdwijnen van die wereld, die Thoreau eenzamer dan ooit maakt. De passerende trein vat Thoreau's eigen beweging van het gaan leven bij Walden Pond samen. Een verhevigde beleving van de sociale wereld als crisismoment; en dan het verdwijnen ervan, vergelijkbaar misschien met een plotseling wegvallende zoemtoon, dat wellicht de functie van de kraaiende haan heeft. De sociale wereld veroorzaakt hier zelf zijn eigen wegvallen, en maakt de vogels hoorbaar.


(*) Ongeveer zoals Oulipo-auteur Harry Matthews elk schrijven als vertalen beschouwt.
(**) En door de 'taal' van die vogel wordt voorts Thoreau's taal vernieuwd: namelijk in het wijden van een prachtige passage aan die vogel; en Thoreau's vernieuwde taal komt in dezelfde beweging het moment van de vogel te herdenken.

posted @ 1:02 AM | Feedback (0)