Ernst schreef een uitstekende en diepgravende reactie op mijn brood/breuk post. Die reactie, getiteld "Het brood / De breuk: Hoc est lingua meum", verdient het op zichzelf te staan:
Samuel,
Inderdaad, een prikkelende gedachte, maar, om maar gelijk met de deur in huis te vallen, ik vond zowel jouw korte benadering, als die van Chrétien Breukers niet alleen kort door de bocht, maar ook getuigen van een nogal katholieke (en in het geval van Breukers, conservatieve) opvatting van het Avondmaal. Die Mosebach waar Breukers het vandaan haalt prefereert niet voor niets de katholieke rituelen van vòòr de hervormingen van eind jaren zestig en begin jaren zeventig. Deze hervormingen waren bedoeld om o.a. het avondmaal wat toegankelijker te maken voor het publiek. Bijvoorbeeld, het hele gedoe rondom het brood enzo wordt naar de gelovigen toe gedaan, in plaats van achter de rug van de uitvoerende priester. Daarnaast zijn er nog wat ‘onnodige’ details uitgelaten en is het gehele proces een beetje gestroomlijnd: Chrétien's (en Mosebach's) voorkeur voor de ouderwetse vorm lijkt mij verbonden aan de spanning van een mysterie dat zich verborgen achter de rug van de priester, in het Latijn, afspeelt en niet zozeer aan een volledig zichtbare talige daad waarbij het 'nieuwe ontspruit aan het oude'. Kerkelijk-cinematografisch gezien is de oude vorm misschien spannender, maar om over poëzie na te denken is deze enscenering denk ik niet zo vruchtbaar.
Ik zou dan ook voorstellen om eens naar de protestantse Avondmaalsleer kijken. Ik denk dat deze geschikter is om over het Avondmaal en poëzie na te denken, en wel om twee redenen: 1, de protestantse opvatting is minder verbonden aan een binnen versus buiten rhetoriek (die, naar mijn mening, tegenwoordig in literatuur en poëzie theorie onhoudbaar of op zijn minst problematisch is) en 2, in plaats van een daadwerkelijke (“magische”) transsubstantiatie zoals bij de katholieken, is er in de protestantse leer wellicht meer ruimte voor een talige opvatting van het Avondmaal. Als we het toch over Thoreau hebben, ligt bijvoorbeeld Calvijn’s benadering van het Avondmaal dichter bij Thoreau’s opvattingen over taal en wereld dan de katholieke variant. (En aangezien ik, net zoals Stanley Cavell, denk dat er bij de Transcendentalisten een opvatting over taal te vinden is die voor onze huidige situatie van belang is, is het het denk ik waard deze weg te bewandelen).
Maar, om het in ieder geval nog een beetje kort te houden, In zijn Institutie zegt Calvijn over het Avondmaal het volgende:
..."Het heilige mysterie van het Avondmaal bestaat uit twee dingen: fysieke tekens, die onzichtbare dingen representeren, en waarheid, die tegelijkertijd gerepresenteerd èn getoond wordt door de symbolen zelf." (vertaling van mij)
Aan de ene kant heb je dus de fysieke tekens: “dit is mijn lichaam” etc, etc, die descriptief stellen wat er aan de hand is, en tegelijkertijd wordt er in die tekens waarheid gerepresenteerd èn getoond. Er is dus iets aan de hand, talig gezien dan, dat die tekens een lading van waarheid geeft, zonder ze van hun descriptieve, normale, betekenis te ontdoen. (Dit is anders dan de katholieke transsubstantiatie, waarbij God op magisch-aristoteliaanse wijze de uiterlijke kenmerken van bijv. de hostie hetzelfde laat blijven, maar de essentie daadwerkelijk transformeert.)
Deze aanwezigheid van waarheid, of lading van tekens met waarheid, vertoont overeenkomsten met Calvijn’s omgang met de stoffelijke wereld:
Hoe helder de manifestatie van God dan ook is in de natuur, wij zijn zo afgestompt dat wij hier geen voordeel uit halen. Want hoe weinig zijn zij die bij het nadenken over de natuur het goddelijke in de geest houden? Is het niet zo dat wij over Hem heen kijken, en dat we met een luie blik op de wereld genoegen nemen?
Het avondmaal, en, mutatis mutandis, wellicht ook poëzie gaat deze luie blik op de wereld tegen. Wat het ritueel en een gedicht wellicht gemeen hebben kortom, is dat er iets wordt gezegd, met descriptieve inhoud en woorden enzo, maar tegelijkertijd wordt er in het zeggen iets direct getoond. Geen metafoor dus; het Avondmaal staat niet voor het lichaam, op metonymische of symbolische wijze, noch is het de overgang (of breuk) van een sequentie naar de volgende, maar een plaatsvinden dat zich niet laat beperken tot descriptieve (of materiele) inhoud, maar toch aanwezig en effectief is.
Waarom is dit handig voor het nadenken over poëzie? In een literaire vorm zie je een dergelijk fenomeen bij de Transcendentalisten, die, om op mijn beurt maar eens kort door de bocht te gaan, een (Amerikaanse) literatuur proberen te funderen op een taal die zich niet verlustigd aan speculaties over een buiten, maar alledaagse dingen (bijv. de natuur rondom een vijvertje) in samenspraak met het goddelijke probeert te denken.
Voorbeeld:
Men esteem truth remote, in the outskirts of the system, behind the farthest star, before Adam and after the last man. In eternity there is indeed something true and sublime. But all these place are now and here. God himself culminates in the present moment, and will never be more divine in the lapse of all the ages (...) Let us spend our lives in conceiving then. The poet or the artist never yet had so fair and noble a design.. (from Where I Lived and What I Lived For, in Walden)
Vandaar Thoreau's voorliefde voor het 'simpele' nadenken in en over de natuur (die, naar mijn mening, net zo goed in de stad botgevierd zou kunnen worden), en zijn antipathie jegens journalistiek, borrelpraat en al te complexe theorieën. Het gaat Thoreau om het nadenken over de waarheid die al aanwezig is in het alledaagse, en literatuur is de ruimte om dit samenvallen te communiceren en te beleven (immers, als Thoreau het zo naar zin had in de natuur, waarom schreef hij dan eigenlijk?).
Waar Chrétien Breukers zijn inspiratie uit de Rooms-katholieke rituelen van voor Vaticaan II haalt, en, zoals Mosebach dat doet, de huidige situatie koppelt aan een 'ontheiliging van kunst' in het algemeen (in tegenstelling tot de 'spannende' periode toen het mysterie zich nog achter de rug van de priester afspeelde), lijkt het mij dus vruchtbaarder om vanuit protestantse hoek te kijken naar een 'alledaagse' literatuur zoals bij de Transcendentalisten. Zo'n aanpak zou zich niet richten op het mysterie van het onzichtbare, of mystieke buitengewone geheimen, maar op het mysterie van het zichtbare, van het bonen tellen, van een huis bouwen, of van het luisteren naar een trein. Kortom, in plaats van een ‘ontheiliging’ betreuren, of de poezie door begrippen als 'van buiten' proberen te verklaren, zou de taak zijn juist zijn poezie te zien als het presenteren van alledaagse dingen (zoals woorden) met een nieuwheid die er al in verscholen ligt.
Het Avondmaal lijkt mij dus waardevol voor het nadenken over poëzie niet zozeer omdat het een breuk of een op een buiten wijst, maar omdat het de aanwezigheid van iets nieuws in het alledaagse als onderwerp heeft.
Om het met Thoreau te zeggen:
For we are in danger of forgetting the language which all things and events speak without metaphor, which alone is copious and standard. (Sounds, Walden)
@Ernst: Ik beschouw mezelf als atheïst, maar dan wel als een atheïst vanuit de west-europese christelijke cultuur, met eerder protestante dan katholieke neigingen, hoewel op grond van familiegeschiedenis ook met een flinke vleug oecumenisch idealisme. Als ik dus katholiek 'kort door de bocht' ging bij dat avondmaal was dat vooral omdat me het idee dat het nieuwe gewoon een voortzetting van het oude is ook al binnen die leer niet helemaal geloofwaardig overkomt. Affiniteit voel ik zeker eerder met de Calvinistische beschrijving die jij hier geeft. Wat het buiten betreft benadruk ik nogmaals dat wat mij aangaat het niet om het buiten op zich gaat - een transcendent buiten boeit me niet, net zomin als een poëtica van het niets, de stilte, of het voor-talige - maar wel om het ervaren 'als
van buiten', wat, dit onderscheid eenmaal gemaakt hebbende, naar ik hoop dichter bij de houding die je laat zien komt. Het zit dan in dit als
, en dat horen van dingen als
van buiten is een bijzonder vermogen dat iedereen in principe heeft, hoewel het bij zekere in poëzieopvattingen verstrikt geraakte critici die ik gisteren heb aangehaald er toch aan lijkt te schorten.