Sunday, June 08, 2008

Kan een habit van intensief kritieken schrijven op de lange termijn het vermogen om poëzie te ontwaren aantasten?

Rob Schouten, over '4 Zinnen', in Awater: "Die poging om willekeur en onontkoombaarheid met elkaar te verenigen boeit me wel, al vraag ik me af of poëzie er tenslotte het aangewezen medium voor is. [...] Ik zou zeggen, verkoop de goeie stukken als poëtisch proza en je hebt wat." Arie van den Berg, in NRC, over Arnoud van Adrichem's 'Vis': "Mijn definitie van 'poëzie' is ruimhartig, maar het volstrekt ongerichte oreren in Van Adrichems quasi diepzinnige teksten past niet in mijn termen."

(Ik krijg sterk de indruk, Arnoud, dat we helemaal goed zitten.)

posted @ 5:02 PM | Feedback (1)

Peter Verstegen is een soort kampioen vertalen, iemand die medailles verzamelt. Hij 'deed' in een paar jaar de complete Dickinson (een zeer complexe dichter), en nu deed hij in 3 jaar de complete Petrarca. Daarover stond afgelopen vrijdag een stuk in NRC van David Rijser. Rijser prijst Verstegen om de kwaliteit van de vormvaste vertalingen en zijn precisie. Bij het artikel staan een voorbeeldgedicht afdrukt, origineel en vertaling. Het ziet er uit als knap vertaalwerk: alles loopt, alles rijmt, de elementen zijn terug te puzzelen in het origineel. Maar de vertaling doet iets verontrustends met de inhoud van Petrarca's liefdessonnet. Consequent klapt Verstegen Petrarca's betekenissen op subtiele wijze om.

Gedicht 74 uit Verstegen's Petrarca's Liedboek begint met deze regels:

        Tot ik het moe werd, heb ik overwogen
        dat ik nooit moe werd als ik aan u dacht,
        en dat ik leven wil, hoe ik ook smacht,
        al ga ik zwaar onder mijn last gebogen.


Hoe zit dat nou, ben 'ik' nou moe of niet? Eerst werd 'ik' moe van het denken, in regel twee werd 'ik' niet moe van het denken, in regel vier ga 'ik' onder een zware last gebogen. Die last kan dus niet corresponderen met het 'denken aan u' in regel twee, waar 'ik' niet moe van werd - niet de liefde is dus een last, maar de reflectie erover is wel een last. Het smachten heeft kennelijk vooral te maken met het overwegen.

De bedoeling van de originele Canzoniere lijkt anders te zijn:

        Io son già stanco di pensar sì come
        i miei pensier' in voi stanchi non sono,


luiden de eerste twee regels, en als ik het goed heb (Italiaans is niet mijn forte) is dat ongeveer: Ik ben reeds moe van het denken hoe mijn gedachten aan u niet moe zijn. Dus: niet 'ik' is het, die niet moe wordt van het aan u denken, maar het zijn 'mijn' gedachten die niet moe worden, en daar word 'ik' dan weer moe van. 'Mijn' gedachten laten 'mij' niet met rust. 'Ik' ben kennelijk aan het malen, en er is tweespalt in 'mij' - 'ik' ben namelijk niet 'mijn' gedachten, een geladen poetisch gegeven (richting Je est un autre?). Ook belangrijk is dat Petrarca's Petrarca een levendige tegenwoordige tijd gebruikt - 'ik' zit midden in het dilemma - waar Verstegen's meer beschouwende Petrarca de verleden tijd gebruikt - daar kom ik op terug.

De laatste drie regels luiden in het origineel:

        et onde vien l'enchiostro, onde le carte
        ch'i'vo empiendo di voi: se 'n ciò fallassi,
        colpa d'Amor, non già defecto d'arte.


Ik geloof dat er iets staat als: en waarvandaan de inkt komt, en de papieren, die ik met u ga vullen: mocht ik hierin falen, dan is het de schuld van Amor, geen gebrek in de kunst. De zin valt nog steeds onder de clausule van het 'ik ben moe van het denken...': Petrarca's Petrarca lijkt zich zorgen te maken dat hij nooit genoeg papier en inkt kan hebben om hem toe te staan 'u' recht te doen; en dat komt niet omdat zijn kunsten hem niet in staat stellen om iets fraais te maken, maar omdat een kunstwerk eindig is waar Amor oneindig blijft eisen.

Bij Verstegen (de vormvaste vertaler heeft het gedicht, dat in 1 grote zin is gesteld, vertaald als 4 verschillende zinnen):

        Waar komt de inkt, waar het papier vandaan
        dat ik vervul met u?


Verstegen's Petrarca maakt zich geen zorgen over het papier - hij is al aan het schrijven (tegenwoordige tijd). Wel vraagt hij zich plotseling af waar die malle inkt en dat grappige papier vandaan komt waar hij mee bezig is. Wat maakt die moderne internationale handel toch een prachtige dingen mogelijk in onze 14e eeuw! Dat papier is hij bezig te vullen - nee, te vervullen: het gaat er dus om dat het papier, niet de liefde, zijn lotsbestemming vindt. Meneer is liefdesdichter van beroep en de schoorsteen moet roken. Verstegen's Petrarca is dan ook niet echt verliefd meer, zoals we in de eerste regels al zagen; zijn zorg is de kopij. En dat de liefde op is weet Verstegen's Petrarca verdomd goed:

                                        Schiet ik te kort,
        't is Amor, niet mijn kunst waar het aan schort.


Het schort aan Amor. Daarom dreigt hij te kort te schieten. Verstegen's Petrarca is een adequaat technicus, maar niet verliefd genoeg om de woorden de doorleefdheid te geven die een virtuoze stijloefening tot grote kunst zou kunnen verheffen. Dor boekstaven is Verstegen's Petrarca's passie. En neem het hem eens kwalijk. Biologisch gesproken schijn je niet langer dan een paar jaar in het rozebrillenstadium van een verliefdheid te kunnen zitten. Petrarca is er nu al bijna 700 jaar mee zoet. Verstegen's Petrarca boekstaaft moeizaam dichtend of vertalend voor de kost het overlijden van de passie van de oorspronkelijke Petrarca.

Vandaar ook die verleden tijden in regel twee.

posted @ 2:13 AM | Feedback (0)