Posted on Saturday, May 31, 2008 11:51 PM
Op
Literatuurplein, in een gastcolumn gedateerd 30 mei 2008, is Chrétien Breukers op zoek naar hoe poëzie begint. Hij stuit op een vergelijking met het avondmaal-ritueel. Een citaat uit het boek
Häresie der Formlosigkeit : die römische Liturgie und ihr Feind van ene Martin Mosebach trof hem als een beeld voor hoe poëtische vernieuwing kan werken:
’Und danach, postquam coenatum est, ergreift er ein Stück des übriggebliebenen Brotes, und er verleiht mit dieser einfachen Geste, die nichts stört, sonder die aus dem Ritus wie eine neue Blüte herauswächst, alles was vorher war und was nachher geschieht, eine neue Bedeutung.’
En Breukers vervolgt:
Waarom ontroerde deze passage mij zo direct? Ik denk om het erin verwoorde besef dat iets nieuws kan ontspringen aan het oude, zonder het te verstoren – terwijl dit nieuwe alles ‘wat was en wat zal zijn’ toch een nieuwe betekenis verleent. Ik las een mooie definitie van wat poëzie is, besefte ik, een definitie die zich niet bedient van de ‘breuk’ waar avantgardisten zo dol op zijn, maar een vernieuwing die wortelt in het oude, zonder zich eruit los te willen scheuren.
De avondmaal-handeling heiligt het bestaande zonder het te veranderen en dat is poëzie. Ik zie daar wel wat in. Maar ik leg het accent anders. Mijns inziens is het niet zo dat het nieuwe ontspruit aan het oude. Het was niet zo dat iemand deed wat men altijd heeft gedaan maar er simsalabim bij zei, waardoor het broodje een heilig broodje simsalabim werd. Zo makkelijk is het niet. Je moet bijvoorbeeld Zoon van God zijn om daar mee weg te komen. Jezus was zo'n Zoon van God, en sedertdien wordt het brood tijdens het avondmaal het lichaam van Christus in eigen Persoon, en dat is een deksels mirakel. Een mirakel bovendien met vérstrekkende gevolgen (o.a. de kerstening van het Romeinse Rijk, van Europa en grote delen van de rest van de wereld, dikke theologische traktaten met een hoop geharrewar en oorlogen, miljarden euro's aan briljante kunst, enzovoort).
Het heiligen van een stuk brood dat daarmee lichaam van Christus wordt lijkt mij een manier waarop een stem van buiten komt te spreken in onze wereld. Dat spreken van die stem van buiten noemen we dan in dit geval even transsubstantiatie. Nadat we deze namen (transsubstantiatie, drieëenheid, enz.) hebben geïntroduceerd kunnen we de wereld veranderen naar gelang van deze namen, waarmee het onderdelen van onze wereld worden, en ook op lange duur mogelijk niet meer kunnen functioneren als gesproken door een stem van buiten.
Chrétien ziet in het citaat een besef dat het nieuwe ontspringt aan het oude. Mij lijkt dat hier het nieuwe infiltreert in het oude. Het nieuwe lijkt mij niet een functie van het ritueel of van het brood, van dingen die al bestaan, maar van een bereidheid om dit oude radicaal anders te zien. Het nieuwe was niet eens denkbaar in de oude termen. En dus is het nieuwe revolutionair (zie ook, nogmaals, de wereldgeschiedenis). Chrétien vervolgt dan met:
Nu ik deze definitie heb gevonden, ben ik een kleine stap dichter bij de oplossing van de vraag hoe het schrijven van een vers begint. Het begint in de taal. - en dat is een conclusie die ik zelf niet zou trekken. De taal is niet waar het begint: het begint komend van buiten de taal (kan niet zeggen waar), maar het spreekt in de taal, omdat er niets anders is om in te spreken. De bron van het nieuwe zoeken in de bestaande taal op zich brengt het gevaar van formalisme met zich mee.
Maar om vernieuwing te willen denken buiten de figuur van de 'breuk' om is mij erg sympathiek. Ik heb nooit wat gehad met die figuur van de breuk en al helemaal niet met de term 'traditie van de breuk'. Alsof avantgardisten dingen kapot zaten te maken. Misschien riepen ze dat soms wel, maar er zijn me geen voorbeelden bekend, of het zou Rauschenberg's
Erased De Kooning moeten zijn; maar zelfs in dat werk blijft, al is het in de titel, al is het in de anecdote, de tekening van De Kooning bestaan.
Het denken van de breuk dreigt bovendien een veel fundamentelere wildheid te miskennen die volgens mij in de kunstontwikkeling zat, en nog steeds in potentie aanwezig is. Dit laatste omdat artistiek materiaal altijd alle conventie ontstijgt. Zelfs hedendaagse 'alles is kunst'-conventies verklaren niks.
# re: Het brood / De breuk
6/1/2008 11:54 PM by
Ik vind het in het algemeen wat deprimerend om te zeggen dat alles wat van 'buiten' komt op den duur tot 'onze' wereld gaat behoren, zodat we er slaperig van worden. Dat 'buiten' komt sowieso op mij over als een constructie. Er is immers helemaal geen buiten: er is alles in de wereld en hier zijn is heerlijk. Het nieuwe bestaat alleen per herhaling van 'hetzelfde': de herhaling schept het verschil, en daarmee het 'nieuwe'. Vanzelfsprekend is het nieuwe hier geen functie van het brood of van dingen die al bestaan, maar altijd een perspectivische kwestie, dus van mensenwerk. Je zegt: "Het nieuwe was niet eens denkbaar in de oude termen" - maar dat duurde tot aan het nieuwe, toen was het ineens wel denkbaar - zulke uitspraken zijn dus eigenlijk tautologieën, net als de uitspraak "het nieuwe is revolutionair" - waarbij mij vooral de prefix 're' opvalt.
Wat de breuk betreft: wanneer er wordt gebroken, wordt er altijd met iets gebroken: het is nooit de oorsprong van iets volkomen nieuws. Maar wat Jezus deed was twee breukmomenten met elkaar verbinden: het verleden met de toekomst. Van die twee werd hij het middelpunt, en daarin toonde hij zich pas de ware avant-gardist die hij was. Niet door met het verleden te breken, niet met behulp van een mechanisch-additief hulpmiddel ('het buiten') maar door het verleden voort te zetten in een toekomst die wel degelijk denkbaar was: namelijk toen hij er naar handelde.
# re: Het brood / De breuk
6/2/2008 2:26 AM by
Rutger: Natuurlijk is er geen 'buiten', d.w.z. er bestaat niet ergens een of andere plek die dat buiten is en die het bestaande als geheel negatief conditioneert, zeker niet een waar wij ons toegang toe zouden kunnen verschaffen (zelfs niet door dood te gaan - Jeroen Mettes leek dat nog te suggereren in zijn stuk over Dirk van Bastelaere).
Dat 'buiten' niet bestaat maar 'van buiten' wel is voor mij cruciaal. Stemmen die klinken alsof ze van elders komen. Het vermogen om zo'n stem te horen als stem van elders is volgens mij in hoge mate een keuze van de 'ontvanger' (of dat nou een kunstenaar, het publiek, of de kritiek is - om het even binnen de kunst te houden). Zo'n stem, of liever: een ontvankelijkheid voor zo'n stem *als* stem 'van buiten', kan op raken.
Dat verschil en het nieuwe door herhaling kan ontstaan geloof ik wel, hoewel ik niet zou durven beweren dat dat de enige manier zou zijn. Differentierende herhaling speelt in mijn werk een grote rol, daarom heb ik wel aardigheid in zo'n standpunt. Maar het nieuwe kan ook komen uit een 'wakker schrikken', zoals Thoreau overkomt als hij bij een wandeling een haan hoort kraaien.
Ik kom t.z.t. op deze punten terug!
# re: Het brood / De breuk
6/2/2008 11:16 AM by
Samuel, ik ben benieuwd naar je vervolgen. Nog even alleen over het opraken van ontvankelijkheid: ooit hoorde ik eens iemand zeggen dat je 'muziek nooit voor de eerste keer moet horen'. Daar valt wat voor te zeggen: je kunt iets - muziek, een gedicht - of iemand nauwelijks na één keer leren kennen, daar is herhaling voor nodig, een zekere vorm van indoctrinatie. Daar tegenover Cage, en geïmproviseerde muziek, die beide altijd voor het eerst klinken - maar ook die zijn toch minder vrij dan je zou denken: ze zijn à la Sartre 'gedoemd tot vrijheid', er is een *dwang* tot voortdurende vernieuwing.
Ik denk dat de haan en het wakker schrikken metaforen zijn voor het moment binnen een bepaalde structuur, waarop een sequentie overgaat in een volgende. In het algemeen is er toch sprake van continuïteit, die naarmate onze afstand tot die momenten groter wordt, gemakkelijker kan worden waargenomen. Was dat niet zo, dan zouden we allemaal getraumatiseerd zijn, want dat Buiten, heb ik de indruk, heeft sublieme kwaliteit: het shockeert, zoals alle dei ex machina. Dat is wanneer twee incongruente momenten worden verbonden (zoals in het voorbeeld van Jezus) bepaald anders. Het is dat 'grootsch verband' - een paranoïde trekje - dat Chrétiens ontroering teweegbracht. De breuk is dan veeleer een schizofreen moment, dat niet ontroert, maar vervreemdt en onttovert, in de traditie van Benjamin en Brecht, en ook Cage. Ik ben zelf niet zo'n liefhebber van dat wakker schrikken, ik hou niet van wekkers, en ben zelfs geneigd te zeggen, nu ik er over nadenk, dat alle metaforen op reeksen metonymia berusten.
Je schrijft prikkelende stukjes, dat blijkt wel weer!
# re: Het brood / De breuk: Hoc est lingua meum
6/9/2008 2:26 PM by
Samuel,
Inderdaad, een prikkelende gedachte, maar, om maar gelijk met de deur in huis te vallen, ik vond zowel jouw korte benadering, als die van Chrétien Breukers niet alleen kort door de bocht, maar ook getuigen van een nogal katholieke (en in het geval van Breukers, conservatieve) opvatting van het Avondmaal. Die Mosebach waar Breukers het vandaan haalt prefereert niet voor niets de katholieke rituelen van vòòr de hervormingen van eind jaren zestig en begin jaren zeventig. Deze hervormingen waren bedoeld om o.a. het avondmaal wat toegankelijker te maken voor het publiek. Bijvoorbeeld, het hele gedoe rondom het brood enzo wordt naar de gelovigen toe gedaan, in plaats van achter de rug van de uitvoerende priester. Daarnaast zijn er nog wat ‘onnodige’ details uitgelaten en is het gehele proces een beetje gestroomlijnd: Chrétien's (en Mosebach's) voorkeur voor de ouderwetse vorm lijkt mij verbonden aan de spanning van een mysterie dat zich verborgen achter de rug van de priester, in het Latijn, afspeelt en niet zozeer aan een volledig zichtbare talige daad waarbij het 'nieuwe ontspruit aan het oude'. Kerkelijk-cinematografisch gezien is de oude vorm misschien spannender, maar om over poëzie na te denken is deze enscenering denk ik niet zo vruchtbaar.
Ik zou dan ook voorstellen om eens naar de protestantse Avondmaalsleer kijken. Ik denk dat deze geschikter is om over het Avondmaal en poëzie na te denken, en wel om twee redenen: 1, de protestantse opvatting is minder verbonden aan een binnen versus buiten rhetoriek (die, naar mijn mening, tegenwoordig in literatuur en poëzie theorie onhoudbaar of op zijn minst problematisch is) en 2, in plaats van een daadwerkelijke (“magische”) transsubstantiatie zoals bij de katholieken, is er in de protestantse leer wellicht meer ruimte voor een talige opvatting van het Avondmaal. Als we het toch over Thoreau hebben, ligt bijvoorbeeld Calvijn’s benadering van het Avondmaal dichter bij Thoreau’s opvattingen over taal en wereld dan de katholieke variant. (En aangezien ik, net zoals Stanley Cavell, denk dat er bij de Transcendentalisten een opvatting over taal te vinden is die voor onze huidige situatie van belang is, is het het denk ik waard deze weg te bewandelen).
Maar, om het in ieder geval nog een beetje kort te houden, In zijn Institutie zegt Calvijn over het Avondmaal het volgende:
..."Het heilige mysterie van het Avondmaal bestaat uit twee dingen: fysieke tekens, die onzichtbare dingen representeren, en waarheid, die tegelijkertijd gerepresenteerd èn getoond wordt door de symbolen zelf." (vertaling van mij)
Aan de ene kant heb je dus de fysieke tekens: “dit is mijn lichaam” etc, etc, die descriptief stellen wat er aan de hand is, en tegelijkertijd wordt er in die tekens waarheid gerepresenteerd èn getoond. Er is dus iets aan de hand, talig gezien dan, dat die tekens een lading van waarheid geeft, zonder ze van hun descriptieve, normale, betekenis te ontdoen. (Dit is anders dan de katholieke transsubstantiatie, waarbij God op magisch-aristoteliaanse wijze de uiterlijke kenmerken van bijv. de hostie hetzelfde laat blijven, maar de essentie daadwerkelijk transformeert.)
Deze aanwezigheid van waarheid, of lading van tekens met waarheid, vertoont overeenkomsten met Calvijn’s omgang met de stoffelijke wereld:
Hoe helder de manifestatie van God dan ook is in de natuur, wij zijn zo afgestompt dat wij hier geen voordeel uit halen. Want hoe weinig zijn zij die bij het nadenken over de natuur het goddelijke in de geest houden? Is het niet zo dat wij over Hem heen kijken, en dat we met een luie blik op de wereld genoegen nemen?
Het avondmaal, en, mutatis mutandis, wellicht ook poëzie gaat deze luie blik op de wereld tegen. Wat het ritueel en een gedicht wellicht gemeen hebben kortom, is dat er iets wordt gezegd, met descriptieve inhoud en woorden enzo, maar tegelijkertijd wordt er in het zeggen iets direct getoond. Geen metafoor dus; het Avondmaal staat niet voor het lichaam, op metonymische of symbolische wijze, noch is het de overgang (of breuk) van een sequentie naar de volgende, maar een plaatsvinden dat zich niet laat beperken tot descriptieve (of materiele) inhoud, maar toch aanwezig en effectief is.
Waarom is dit handig voor het nadenken over poëzie? In een literaire vorm zie je een dergelijk fenomeen bij de Transcendentalisten, die, om op mijn beurt maar eens kort door de bocht te gaan, een (Amerikaanse) literatuur proberen te funderen op een taal die zich niet verlustigd aan speculaties over een buiten, maar alledaagse dingen (bijv. de natuur rondom een vijvertje) in samenspraak met het goddelijke probeert te denken.
Voorbeeld:
Men esteem truth remote, in the outskirts of the system, behind the farthest star, before Adam and after the last man. In eternity there is indeed something true and sublime. But all these place are now and here. God himself culminates in the present moment, and will never be more divine in the lapse of all the ages (...) Let us spend our lives in conceiving then. The poet or the artist never yet had so fair and noble a design.. (from Where I Lived and What I Lived For, in Walden)
Vandaar Thoreau's voorliefde voor het 'simpele' nadenken in en over de natuur (die, naar mijn mening, net zo goed in de stad botgevierd zou kunnen worden), en zijn antipathie jegens journalistiek, borrelpraat en al te complexe theorieën. Het gaat Thoreau om het nadenken over de waarheid die al aanwezig is in het alledaagse, en literatuur is de ruimte om dit samenvallen te communiceren en te beleven (immers, als Thoreau het zo naar zin had in de natuur, waarom schreef hij dan eigenlijk?).
Waar Chrétien Breukers zijn inspiratie uit de Rooms-katholieke rituelen van voor Vaticaan II haalt, en, zoals Mosebach dat doet, de huidige situatie koppelt aan een 'ontheiliging van kunst' in het algemeen (in tegenstelling tot de 'spannende' periode toen het mysterie zich nog achter de rug van de priester afspeelde), lijkt het mij dus vruchtbaarder om vanuit protestantse hoek te kijken naar een 'alledaagse' literatuur zoals bij de Transcendentalisten. Zo'n aanpak zou zich niet richten op het mysterie van het onzichtbare, of mystieke buitengewone geheimen, maar op het mysterie van het zichtbare, van het bonen tellen, van een huis bouwen, of van het luisteren naar een trein. Kortom, in plaats van een ‘ontheiliging’ betreuren, of de poezie door begrippen als 'van buiten' proberen te verklaren, zou de taak zijn juist zijn poezie te zien als het presenteren van alledaagse dingen (zoals woorden) met een nieuwheid die er al in verscholen ligt.
Het Avondmaal lijkt mij dus waardevol voor het nadenken over poëzie niet zozeer omdat het een breuk of een op een buiten wijst, maar omdat het de aanwezigheid van iets nieuws in het alledaagse als onderwerp heeft.
Om het met Thoreau te zeggen:
For we are in danger of forgetting the language which all things and events speak without metaphor, which alone is copious and standard. (Sounds, Walden)