Komrij klaagt. Van Komrij's
De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de zestiende eeuw en
De Nederlandse poëzie van de zeventiende en de achttiende eeuw zijn in het afgelopen jaar landelijk 24 exemplaren verkocht. Dit is inderdaad raar. Ik zou bijna direct naar de boekhandel snellen om de boeken toch nog aan te schaffen. Bijna - probleem is dat ik bloemlezingen vrijwel altijd onleesbaar vind, tenzij ze een duidelijke lijn voorstaan; anders zijn ze op zijn best bruikbaar als naslagwerk. Komrij is zijn bloemleescarriere begonnen met een groot overzicht met deels polemische insteek om het belang van de Vijftigers en andere avantgardisten te relativeren. Zonder evenwel daar een duidelijke andere poëtica dan een van goede smaak en algemene representativiteit tegenover te stellen. Komrij heeft daarna een ontwikkeling gemaakt van giftig polemicus naar 's lands Voorbeeldige Lezer, tot het dichter des vaderlands-schap en het stichten van een poëzieclub aan toe - en van gevreesde TV-criticus werd hij de lezer die in NRC gedichten die hij mooi vond ging uitleggen. Zijn bloemlezingen hebben nu geen polemische functie meer, alleen een naslag-functie; zoals in het Engelse taalgebied bijvoorbeeld de Norton Anthology. Zulke boeken richten zich sterk op een academische markt. Misschien is het een vergissing om van een dergelijke bloemlezing te willen dat die door het brede publiek gelezen wordt, en had die meer expliciet academisch van opzet moeten zijn.
Ik zou het boek kunnen willen lezen, als ik me in de poëzie van die eeuwen zou willen verdiepen en/of als ik graag gedichten zou lezen die Komrij mooi heeft gevonden. Maar als ik af ga op wat ik aan uitspraken wel eens van Komrij over de poëzie van
vandaag tegenkom dan interesseert de smaak van Komrij, als zodanig, mij niet in het bijzonder. Komrij biedt op dit moment ongetwijfeld de beste ingang tot dit werk, maar ik zou liever een prikkelender ingang tot al die mooie eeuwen vinden. Een of andere specifieke poëtische invalshoek die mij nieuwsgierig maakt.
               
*
Een geweldige bloemlezing is Ernst van Altena's
Daar ik tot zang word aangespoord met vertalingen van troubadourspoëzie uit het occitaans, uit 1987. Er ligt nog één exemplaar bij Perdu. Geweldige vertalingen, veel achtergronden over de dichters, op elke pagina wordt duidelijk waarom die poëzie en die tijd spannend en belangrijk is.
               
*
Ik hou van bloemlezingen die veel ruimte laten voor poëtica - wat ik niet zie in de Nederlandse overzichtsbloemlezingen. Je ziet het vaak in Amerikaanse bloemlezingen.
In the American Tree bestaat voor 1/3 uit statements, theorie, kritiek.
American Poets in the 21st Century bevat van elke opgenomen dichter werk en poëticale statements, en ook nog een essay van verschillende critici over de dichter. En dan ook nog een CD en een website - een ijzersterke formule. En
The L=A=N=G=U=A=G=E Book (ook verkrijgbaar bij Perdu!) bestaat uitsluitend uit poëtica.
Kunnen we de Nederlandse situatie niet wat corrigeren? We zouden voor de Nederlandse poëzie eens een dik boek moeten samenstellen met alleen polemische en poëticale teksten uit de laatste dertig jaar. En onbescheiden gelardeerd met de opinies van de samenstellers. Die dan ook weer replieken op hun meningen opnemen. Het groot polemisch vakantieboek!
               
*
De laatste maanden ben ik ook Spaanse bloemlezingen van recente poëzie aan het bekijken. Wat me daar opvalt is de gewoonte die de bloemlezers hebben om inleidingen te schrijven van 80 pagina's met historisch overzicht en vol verwijzingen. Vaak dor, maar je krijgt wel een beeld van het veld, en van de positie van de bloemlezer. En je krijgt ook een samenvatting van de poeticale debatten. Zulke dingen geven ingang.
               
*
Vandaag las ik een van de sterkste bloemlezingen die ik ken uit:
Tout le monde se ressemble van Emmanuel Hocquard uit 1995. Volstrekt geniale titel voor een bloemlezing. Het boekje is deel van een reeks van vier bloemlezingen, een sterke formule waarin uitgever P.O.L. vier uiteenlopende dichters heeft gevraagd een persoonlijke bloemlezing samen te stellen. Hocquard koos zeer eigenzinnig, met ook werk van Amerikaanse dichters in Franse vertaling, en schreef een scherp inleidend poëticaal essay in lemma's, dat ik driftig inderdaadinderdaad-knikkend heb gelezen. Het essay gaat door op de achterflap, met het laatste lemma, Thé (de lemma's van het essay staan op alfabetische volgorde):
Anna Akhmatova écrivait: <<Le poète travaille sur un matériau si difficile: la parole... Vraiment, rendez-vous compte: le poète doit travailler avec les mots dont se servent les gens pour s'inviter à prendre le thé>>.
Je trouve cette remarque désobligeante envers les buveurs de thé. Personellement je n'aime pas le thé mais il ne me viendrait pas à l'esprit de reprocher à ceux qui en boivent d'utiliser les mêmes mots que ceux dont je me sers pour écrire.
Et si justement, c'était une chance - et non un handicap - que les mots qui servent à écrire de la poésie soient les mêmes que ceux dont on se sert pour s'exprimer dans la vie de tous les jours? Et si, on renonçait, vraiment, à vouloir donner un sens plus pur aux mots de la tribu?