Conceptualism is not concerned with purely modernistic exercises in the region of euphony, syntax, metaphorics, and plot composition. It considers all more or less substantial innovations (or pseudo-innovations) of contemporary art to be objects of reflection in exactly the same way as the classical forces and genres are. All is equally new, and all is equally old.
             - Lev Rubinstein
De afgelopen dagen maakte ik kennis met het werk van Lev Rubinstein, van wie ik in New York een boekje met enkele teksten, vertaald in het engels, kocht (zie onder). Rubinstein is een moskouse dichter die sinds de jaren '70 teksten schrijft in de vorm van stapels systeemkaarten. Een tekst bestaat niet uit een continue lap geschreven taal, zoals meestal bij proza of gedichten, maar uit een reeks tekstjes op systeemkaarten. Elk fiche kan van alles bevatten: losse woorden, regels poezie, proza, citaten, enzovoorts. De fiches zijn vervolgens gerangschikt in wat mij doet denken aan een filmische montage. Elk fiche lijkt een still te zijn uit een soort tekst-film. Daarbij monteert hij systematisch verschillende soorten tekst door en naast elkaar. Een werk van hem kan verschillende genres bevatten die in een montage door elkaar heen optreden. Treffend daarbij is de grote helderheid die in zijn vorm vaak te vinden is: de afwisseling van verschillende soorten tekst verloopt vaak volgens patronen; ook is het hele werk vaak duidelijk onderscheiden in delen. Zo bestaat "The Hero Emerges" uit 94 eenregelige fragmenten, flarden van alledaagse gesprekken (maar wel in een strak metrum), gevolgd door zeven prozafragmenten over een 'student' die elk eindigen met de woorden "he began to think", gevolgd door zeven fragmenten die gedachten van de student beschrijven, gevolgd door een laatste fragment "Then he sank deep into thought".
Het citaat hierboven is afkomstig uit een poeticale tekst "What Can I Say?" die aan het eind van het boek staat. Het treft me om een paar redenen. Het sluit aan bij mijn idee dat het in de kunst, ook de experimentele, er niet in de eerste plaats om zou moeten gaan om nieuwe dingetjes te verzinnen. Ik heb wel eens het gevoel dat het voor veel mensen modern en/of experimenteel en/of gewaagd is als iemand ingewikkelde dan wel curieuze woordopeenvolgingen verzint, of in de muziek: ingewikkelde harmonieen en onvoorspelbare melodieen vol rare gesten, enzovoorts. Zulks kan natuurlijk prachtig zijn maar ook leent zo'n fascinatie zich makkelijk voor een fetishisme dat alleen nog maar ornamentele kunst oplevert.
Maar een conceptuele benadering maakt experimentele kunst mogelijk die het niet van amplificaties van het materiaal hoeft te hebben. Het kan om veel simpelere, en misschien veel ongrijpbaardere dingen gaan. Om het kiezen van types materiaal, of om de verhoudingen tussen verschillende soorten materiaal bijvoorbeeld. Bij een muziekstuk b.v. is het totaal anders als er eerst lange tijd een tutti klinkt en dan korte tijd een solo, dan als er eerst een kort tutti klinkt en dan lange tijd een solo. Dat soort dingen.
Rubinstein's keus voor de systeemfiche als basiseenheid maakt het voor hem mogelijk om alle types tekstmateriaal die op zo'n fiche passen gelijkwaardig te behandelen - om verschillende soorten tekst onbevooroordeeld te benaderen - of misschien: om verschillende soorten tekst met hetzelfde vooroordeel te benaderen, dat dan zuiver bestaat uit de afmeting van het fiche.
Dit ontslaat de avant-gardist Rubinstein van de avantgardistische in een moeite door plicht om eindeloos te mieren over het verzinnen van een nieuwe taal. Het fiche is het basiselement van zijn syntaxis. De taal die op die fiches terechtkomt is gewoon onze taal - zijn gewoon de taalmogelijkheden die ons omringen of ze nou literair of alledaags of wat ook van karakter zijn - maar zij komen door de constructivistische benadering op een andere manier tot spreken. Op deze manier is er dus ook een continuiteit tussen traditie en experiment.
Dit is een aspect dat mij als componist ook interesseert - in de muziek word je namelijk horendol van al die componisten die zich onder verwijzing naar Schoenberg alleen nog maar druk kunnen maken om de "crisis van de muzikale taal", en die vervolgens eindeloos sleutelen aan allerlei denkbare tooncomplexen en akkoordverbindingen in de hoop dat zulks op een goede dag nog eens een nieuwe taal gaat opleveren. Terwijl ik er van overtuigd ben dat de "nieuwe taal" er al lang en breed is - je hoeft alleen maar je oren te gebruiken, en dan enige fantasie.
Bovendien hebben de heldere vormen die de constructivist Rubinstein voor zijn tekstwerken kiest zelfs een bijna classicistisch karakter. Dat is trouwens iets wat vaker voorkomt: experimentele kunst die een klassiek karakter lijkt te hebben, doordat de gekozen vormen zo helder zijn, of doordat het karakter van de verhoudingen in het werk een grote rol spelen. Ik denk aan Mondriaan, of Barnett Newman, of Cage (ihb. het latere werk zoals de Number Pieces), aan Ted Berrigan's gebruik van het sonnet, voorbeelden legio. Juist experimentele kunst, die een ongehoord, nog niet bekend, effect probeert te bereiken heeft tegelijk, op een of ander gebied, een grote mate van eenvoud en helderheid nodig, niet uit simplisme maar om zo scherp mogelijk aan te geven waar het in zo'n werk om te doen is.
Lev Rubinstein, tr. Philip Metres & Tatiana Tulchinsky: "Catalogue of Comedic Novelties", Ugly Duckling Press 2004, ISBN 0-9727684-4-0