Op De Contrabas een
discussie van recordlengte over het eeuwige onderwerp van de relatie tussen tijdloos papier en tijdvolle voordracht. Deze discussie heb ik net bijgelezen, en ik heb vijf zijpaadjes voor de liefhebber (waarvan een aantal trouwens aansluiten bij de ritme-posts die ik nog eens moet hervatten dus dat komt mooi uit):
(1) Rutger Cornets de Groot houdt niet van het hoorbaar maken van enjambementen bij voordracht. Vriezen Vindt: of je enjambementen moet voordragen of niet is afhankelijk van dichter en gedicht. Creeley leest zijn regels heel nadrukkelijk en dat is hardstikke mooi. Bij Ashbery heeft zoiets veel minder belang. Ik neig er zelf naar om een regelbreking de status te geven van een soort leesteken, dus zeker met een syntactische waarde, maar dan een stiekeme.
(2) Veelal onderschat element in de voordracht: stilte. stel je toch eens voor, een voordracht die uit vier woorden bestaat met telkens vijf minuten stilte er tussen! Iedereen valt van zijn stoel als er weer eens iemand iets zegt! Als ik Lucht voordraag in zijn geheel zit er een passage van 2 minuten stilte in. Ik weet uit mijn componistenpraktijk dat dat best kan. Het publiek kan meer hebben dan het beseft. Bij de
Wandelweiser-componisten, waar ik me nu in aan het verdiepen ben, zou die 2 minuten nauwelijks een lange stilte zijn.
(3) Catharina zegt ergens vroeg in de draad dat complexe teksten zich slecht lenen voor voodracht. Uitgangspunt voor de "integrale bundelvoordracht"-serie in Perdu is dat dat niet per se zo hoeft te zijn. Klem, van Ouwens (moeilijk!) deed het heel goed, evenals de complete Weg naar Egypte van Starink (ook geen half werk). Van Ouwens had ik eigenlijk zelfs het nog wat lastigere Afdankingen willen doen - was namelijk benieuwd hoe die poezie wordt als je je niet zo verplicht voelt elke syntactische kronkel apart te determineren en interpreteren, maar als je die overvloedige syntax als ritme ervaarbaar laat zijn.
(4) Wél volgens mij ontzettend lastig om voor te dragen: Emily Dickinson. Ja, als je op de manier van zekere recente vertalingen er vooral een soort gezellige meezingers in leest (want het rijmt toch?). Nee dus. Die poezie is te weerbarstig voor een gewone voordracht. In Perdu hopen we dan ook binnenkort een ongewone voordracht van haar werk te kunnen presenteren...
(5) Rutger vraagt zich bij Arjen Duinker af waarom de "eindeloze reeks opsommingen van hem nooit de indruk van monotonie" wekt. Mijns inziens moet je vaak Duinker's structuur niet als een reeks van regel-voor-regel of couplet-voor-couplet iets nieuws zien, zoals Rutger doet als hij schrijft: "Hij staat bij elke regel weer aan het begin, geschiedenisloos, bijna als een afasiepatiënt. Die gaan ook elke tien minuten uit hun dak over het wonder dat ze nu weer aanschouwen - net als Duinker." Want dat miskent dé poetische techniek bij uitstek van Duinker: de paralellie, bij uitstek een geheugenfoefje. Die maakt van die gedichten een soort mobiles, waar steeds andere invullingen hangen aan dezelfde syntactische opzet. En dan gaan de verschillende invullingen in het hoofd van de lezer weer met elkaar een verband aan, ze zijn elkaars schaduw, en suggereren zo de betekenis-plek tussen al die woorden in waar het allemaal écht zou moeten gebeuren.