Posted on Wednesday, September 27, 2006 3:57 AM
Op de crematie van Jeroen Mettes speelde ik twee korte pianostukken en sprak ik een korte tekst uit. Die korte tekst had de vorm van een mailtje, maar was tegelijk onderdeel van een langere tekst, volgens het genre van de z.g. "blogpost" zoals we die kennen van de modale licht essayistisch aangelegde poezieweblog. Deze post geef ik hieronder in volledige vorm. De uitgesproken tekst is onder kopje III te vinden. Onder IV iets over de stukken die ik speelde.
"Why the imagination? To change the world. The world is not good!"
(herinnering aan Julio Estrada in gesprek met compositiestudenten in Amsterdam 2004)
I
Het opgaan in een boek, in een "vuistdikke roman" bijvoorbeeld. Meegesleept worden in de wereld die tussen je hoofd en de tekst in je handen wordt opgespannen. De lezer is dan samen met die virtuele wereld. Maar die wereld bestaat natuurlijk alleen in zijn hoofd. Dit mechanisme van meegesleept worden is niet goed te accepteren voor kritische lezers die argwaan als overlevingsmechanisme koesteren. Zij willen niet zo makkelijk meegesleept worden hun eigen hoofd in. Maar dat stelt ze voor een groot probleem. De aard van het lezen is namelijk dat de woorden pas eerst in het hoofd van de lezer beginnen te werken, pas in het hoofd van de lezer wordt het woord woord. Lezen vindt op radicale wijze hier plaats en kent geen daar. Daar, in je handen, is wel een boek, maar het woord in dat boek wordt hier pas gehoord, in mijn hoofd.
Ter vergelijking: een musicus is samen met zijn instrument en het instrument is, in tegenstelling tot het boek, altijd een ander. Een klanklichaam dat op mijn bewegingen reageert en waar ik mee in dialoog ben. (*) En als ik luister is het natuurlijk zo dat pas in mijn hoofd de klank wordt geinterpreteerd, maar die interpretatie altijd getekend door het feit dat de klank echt daar is, buiten mij, in de ruimte, als trillende lucht.
Maar de lezer is nooit anders dan eenzaam. (**) Het opgaan in de tekst, en dus opgaan in je hoofd, is altijd deel van elke mogelijke leeshouding. De lezer die bewust leest, die leest hoe hij leest, zal dus altijd zijn eigen eenzaamheid lezen in het lezen. Hoe hij altijd hier is.
II
De klank staat buiten mij, heeft bovendien een begin en een einde. De tijdsduur van de klank, of het verloop van de klank in de tijd, is een heldere eigenschap van de klank. En als de klank er is, is hij er nu. Hij begint nu, klinkt nu nog, nu niet meer. In de herinnering zal de fixatie van de klank in de tijd enigszins verwateren, zeker als de gehoorde klank verbanden aangaat met herinneringen aan andere klanken, maar de klank blijft altijd getekend door zijn oorspronkelijke bepaling in de tijd. De klank is in principe daar, buiten mij, en op een zeker moment: nu, bijvoorbeeld.
Een woord, daarentegen, staat minder duidelijk in de tijd. Tijdens het uitspreken van een woord is niet altijd aan te geven wanneer precies het woord woord wordt - wanneer de betekenis van het woord er is. Je kunt een klank uitrekken tot een uur. Maar een woord dat een uur duurt zal niet gedurende het uur geleidelijk aan begrepen worden. Zo'n betekenis maakt geen fade-in. Het woord is hier altijd plotseling aanwezig, en dan alleen bij de gratie van verbanden met andere woorden of met de werkelijkheid, met herinneringen of verwachtingen die geactiveerd worden. Het woord is altijd hier in mij maar nooit nu.
III
Ha Jeroen,
augustus vorig jaar schreef je:
"ik heb altijd een poëzie van de wereld willen schrijven. niet de wereld zoals alleen IK die beleef, maar zoals ik door de straat loop [...] een dynamische assemblage. [...] op het moment denk ik over dit boek als geschreven in de modus [...] van het heden: proza, horizontaal, veel "is". het volgende zou in de modus van de toekomst geschreven moeten worden."
En in october, naar aanleiding van mijn eigen Mogelijke Wereld-gedicht:
"Ondertussen wordt op vrolijke wijze een (?) hele wereld opengegooid. Daar zal ik je verder niet voor roemen, want de lof zal niet te onderscheiden zijn van eigendunk. Dat is immers precies waar ikzelf de new sentence voor gebruik."
Ik geloof dus dat je als als lezer wel altijd radicaal "hier", in je eigen hoofd, maar nooit echt "nu" bent. Je zou misschien kunnen zeggen dat jouw boek juist een poging is het "daar" en "nu" van de wereld in de tekst te importeren met als doel om het "hier" te ontsnappen. Je lijkt te proberen in de interne spanningen van al dat "daar" en "nu" een mogelijke toekomst te ontwaren. Wat je aan het eind van N30 schrijft over de hoop die leeg is gebleven suggereert dat het niet helemaal geworden is wat je had gewild. Maar je hebt me nu eerlijk gezegd vooral nieuwsgierig gemaakt naar dat tweede boek waar je over schrijft, dat zelf in de modus van de toekomst staat. Ik zal proberen het me voor te stellen.
IV
Schoenberg, op. 23 nr. 1. Een ongelooflijk stuk van een moeilijke componist die zeer van zijn tijd was maar niet helemaal goed in zijn tijd paste. Ik speel deze muziek zelden, en bij het zoeken naar de partituur kwam ik een stuk tegen dat Dante Oei voor mij heeft geschreven en dat ik dacht kwijt te zijn geraakt. Dat stuk heet Blues en is gebaseerd op een vertaling in noten van de naam van Hans van Sweeden. Van Sweeden was een briljante jonge dichter en componist die in 1963 op 24-jarige leeftijd zich voor het hoofd heeft geschoten, wat toen een geweldige indruk op zo ongeveer iedereen in de Amsterdamse kunstwereld heeft gemaakt. Mensen zoals Louis Andriessen hoor je nu, meer dan veertig jaar later, nog steeds wel eens over hem praten.
(*) Voor zangers is het nog gekker. Hun eigen lichaam is die ander. Vaak lijken zangers ook lichtelijk narcistisch over te komen.
(**) Een schrijver is natuurlijk ook eenzaam - schrijven is meestal vooral schrijven wat je wilt lezen: zelf-conditionering, of misschien tegen jezelf praten om eens te zien wat je te zeggen hebt. Een componist kan trouwens ook eenzaam zijn, meer dan een uitvoerend musicus: zo'n componist is alleen met een klankvoorstelling en minder vaak samen met een daadwerkelijke klank.