Sinds de laatste Yang op mijn deurmat viel vraag ik me af: Stottert Stein? Het karakter van haar werk is in elk geval verre van stotterend - toen die Yang binnenkwam was ik net aan het eind gekomen van "Everybody's Autobiography", een van de meest kletserige boeken die ik heb gelezen, maar het gezoem is voor wie eenmaal de Stein-slag te pakken heeft aangenaam en soms, plotseling, verbluffend. EA is natuurlijk een totaal ander werk dan
Tender Buttons, maar ook in TB valt me eerder de treffendheid van haar toon op, zelfs een soliditeit, een feilloos bewustzijn, dan een indruk van stotteren. Wat we over Stein's karakter op kunnen maken uit haar geschriften suggereert ook bepaald geen stotteren - het gaat hier om een auteur die door te schrijven, in de handeling van het schrijven zelf, er achter kwam dat ze een genie is. Nu zijn er zeker goede redenen om Stein (en dan vooral Stein vertaald door Van Bastelaere) in een stotter-dossier op te nemen. Deze keuze van Yang wordt gemotiveerd enerzijds vanuit een algemeen perspectief op literair stotteren aan de hand van een essay van Gilles Deleuze, anderzijds aan de hand van een essay van Van Bastelaere over TB en poeticale stukken van Stein.
Dit wordt een kleine digressie over deze Stein-opvattingen, dan weer ritme.
Eerst Deleuze. Als ik het artikel Stotterde Hij (vertaling van Bégaya-t-il door Piet Joostens) goed begrijp bedoelt Deleuze met stotteren iets als het anders leggen van de dynamiek in het systeem van de taal, ergens heet het 'uit balans trekken'. Ik stel me voor dat je een normale manier van omgang met taal zou kunnen hebben, die allerlei complexe verbanden en bewegingen die je in de taal zou kunnen zien normaliseert door alles te bekijken door de bril van een of ander gestandaardiseerd idee van syntaxis en van hoe een verhaal wordt opgebouwd. Maar de taal biedt ook de mogelijkheid om er juist heel andere soorten verbanden in te zien, er zijn zelfs oneindig veel andere soorten verbanden latent in de taal aanwezig, dus de taal als geheel is niet beheersbaar, en dat zou dan het stotteren van de taal zelf zijn. Bijzondere schrijvers nu kapitaliseren op dat stotteren in de taal, op die andere manieren om een opvolging van het ene woord naar het andere te begrijpen, en verleggen als het ware de bedding van de stromen in de taal tot er andere circuits aan het licht komen. Dat destabiliseert dan de normale omgang met de taal, en uiteindelijk kan uit zo'n ongebalanceerde toestand via een 'strakke lijn van variaties of moduleringen' (van het taalsysteem) uitmonden in een 'limiet', een eindpunt waar de goede oude grammatica er niet meer toe doet. Zo'n proces speelt zich altijd binnen de taal af - we blijven gewoon woorden gebruiken en we schakelen niet zo maar even ons syntactisch bewustzijn uit - maar reikt naar een grens van de taal: "[de limiet] vormt wel de buitenkant van de taal maar ligt er niet buiten. Het is een schilderij of een muziekje, maar dan een woordmuziek of een woordschilderij, een stilte in de woorden [...]".
Natuurlijk was Stein een flink deel van haar carriere bezig met zulke veranderingen binnen de taal. Je hebt die eindeloze zinnen vol herhaling van The Making of Americans, die zijn nog wel grammaticaal maar de lezer raakt er zo dolgedraaid van dat het grammaticale van die zinnen op een goed moment ophoudt überhaupt waarneembaar te zijn. Met Tender Buttons en andere Portraits en extreme boeken als How to Write houdt het dan met die grammaticaliteit wel ongeveer op. Hoewel... een lezing als Poetry and Grammar laat wel een blijvend, nogal kritisch oor zien voor grammaticale categorieen. Werkwoorden en bijwoorden zijn interessanter dan zelfstandig naamwoorden en bijvoeglijk naamwoorden, maar voorzetsels zijn het interessantst. En hoewel ik het toepassen van Deleuze op Stein zeker kan volgen, merk ik dat ik op dit punt neig naar een andere accenten in mijn lezen. Stein's "limiet" is geen stilte, maar een luisteren - naar of het een voorzetsel is of een zelfstandig naamwoord. En die ervaring werkt door in de latere boeken, waarvan er veel weer conventioneel leesbaar zijn (de autobiografieen, dat kinderboek, die lezingen).
Ik twijfel aan dat aspect van de combinatie Deleuze/Stein. Niet om een analytische reden maar om een reden van smaak. Het is die stilte waar Deleuze's stuk op uitdraait die ik niet helemaal kan accepteren. Sowieso heb ik weinig affiniteit met benoemingen van negatieve absoluutheden, metafysische obsessies met het negatieve doen mij denken aan spartelen. Het negatieve is altijd goed voor veel paradoxen en dat is aantrekkelijk, het negatieve is een prachtig spiegelpaleis van niet, niet en niet, maar er zit ook vaak iets dwangmatigs bij. En wat de stilte betreft: ik volg Cage: de stilte bestaat niet, er is altijd je hartslag en je zenuwstelsel. Die "stilte" in de woorden is misschien eerder het moment waarop je ze eindelijk eens zinvol kunt gebruiken. Minder het punt waarop namen verdwijnen maar een punt van eindeloos noemen, een punt waarop je hoort dat een zelfstandig naamwoord bijvoorbeeld niet interessant is en een voorzetsel wel.
Ik zei al, het is een kwestie van smaak, & ik heb weinig smaak voor stilte als metafoor. Maar Deleuze's tekst is wel verder doortrokken van negatieve metaforen en op sommige punten vind ik dat hij ontspoort. Van de bijzondere schrijvers die de taal laten stotteren zegt hij dat ze de taal
verminderen, "zoals in de muziek, waar de mineure modus betrekking heeft op combinaties die voortdurend uit balans zijn". Dat slaat wat mij betreft de plank totaal mis. Mineur is niet per se meer dissonant dan majeur en zeker geen 'vermindering' van majeur, maar een volkomen onderscheiden ladder. Het is een kleinigheid, maar Deleuze lijkt zo gretig op die negativiteit dat hij in de conventionele naam voor het verschil tussen de kleine terts (frequentieverhouding 6:5) en grote terts (frequentieverhouding 5:4) aanziet voor een ontologische hierarchie. Het artikel is er niet minder boeiend om maar raakt wel zo ontsierd, dat ik de terminologie begin te wantrouwen. Ik vraag me uiteindelijk ook af of 'stotteren' wel zo'n rake metafoor is voor hetgeen Deleuze beschrijft. Het zou interessant kunnen zijn om een positievere herformulering uit te proberen.
Van Bastelaere's positie over Stein wordt door inleider Sarah Posman als volgt samengevat: "In
Wwwhhhoooosshhh beschreef hij
Tender Buttons als Steins mislukte poging de dingen een adequatere naam te geven. De dingen laten zich niet kennen. Ze laten zich zeker niet herscheppen in de taal. Met taal willen we dan wel collectief de grote chaos structuur geven, een transparant resultaat van dit betrachten is niet mogelijk". Ik heb dat essay van Van Bastelaere,
Het onnoembare herlezen. Van Bastelaere volgt Stein's lezing
Poetry and Grammar, waarin zij laat zien hoe zij tot het schrijven van poezie kwam, en wat voor haar poezie tot poezie maakt. Poezie gaat over de fascinatie met de naam van de dingen. In haar proza was ze er achter gekomen dat zelfstandig naamwoorden - de conventionele namen van de dingen - niet zo interessant zijn: "A noun is a name of anything, why after a thing is named write about it. A name is adequate or it is not. If it is adequate then why go on calling it, if it is not then calling it by its name does no good." Maar poezie gaat over de fascinatie met de naam, de liefde voor het noemen van de dingen. In het schrijven van poezie moet Stein dus grote moeite doen om dingen niet bij hun naam te noemen. Ze zoekt een andere techniek die de namen van de dingen zelf vermijdt om de dingen te her-scheppen in de taal: "I remember in writing An Acquiantance With Description looking at anyting until something that was not the name of that thing but was in a way that actual thing would come to be written." Inspiratie vond ze bij Shakespeare: "I had always been very impressed from the time that I was very young by having had it told me and then afterwards feeling it myself that Shakespeare in the forest of Arden had created a forest without mentioning the things that make a forest. You feel it all but he does not name its names."
Van Bastelaere wil niet meegaan in zoveel optimisme. Hij spreekt van een verblinding "die er ... op neer komt dat Stein in de ... waan verkeert dat een gedicht 'over' een ding 'that actual thing' is". Merk hierbij op dat Van Bastelaere de reserves die Stein formuleert laat vallen (ze schrijft "
in a way that actual thing"). Op dat punt grijpt Van Bastelaere naar Nietzsche om Stein een standje te geven, dat toch ook haar dinggedichten "nichts als Metaphern der Dinge [zijn], die den ursprünglichen Wesenheiten ganz und gar nicht entsprechen." Stein beschreef haar project als recreating, her-scheppen van de dingen in de taal; hier wordt dat entsprechen, overeenkomen. In de loop van het zevende segment van zijn essay verschuift Van Bastelaere de term her-scheppen verder: "Zowel in een tekst als 'Poetry and Grammar' als in
Tender Buttons zinspeelt Stein op het onrepresenteerbare" - herschepping wordt hier representatie.
Kan het zijn dat er in representatie een problematiek schuilt die Van Bastelaere zo streng maakt, maakt dat hij de poetica van Stein moet afwijzen? Ik hoor een groot verschil in ethische lading tussen her-scheppen en representeren. In het eerste geval kun je denken aan een speels nabouwen zoals van een zandkasteel. Maar een representatie is ongeveer een afvaardiging, een afvaardiging van een ding uit de werkelijkheid naar de taal, en de afgevaardigde komt natuurlijk makkelijk in problemen als hij geen recht doet aan zijn achterban. En inderdaad, een representatie is een vertaling, en er gaat iets verloren in die vertaling, en de representatie doet nooit volledig recht aan de werkelijkheid. En omdat het bij representeren, bij vertegenwoordigen, over iets met mogelijk serieuze consequenties gaat, over macht misschien, moeten we ten allen tijde ons bewust zijn van dat falen van elke representatie. Vandaar dat we streng moeten zijn tegen eenieder die probleemloos meent te kunnen representeren. En hier kom ik bij mijn twijfel aan Van Bastelaere's Stein-lezing. Ik kom namelijk in die hele poetica van Stein helemaal geen claims van het soort repreentatieve pretentie tegen die wat mij betreft zulke strengheid rechtvaardigen.
Stein zegt niet dat haar herschepping van de dingen de dingen probeert te vervangen. Ze suggereert zeker niet dat wij haar tekst "Pastry" moeten eten, en voor zover ik kan zien ook niet dat wij er hongerig van zouden moeten worden. Ik geloof niet dat haar 'descriptions' grote claims leggen op de werkelijkheid - ze blijft kennelijk steken bij "An
Acquaintance With Description", wel dat ze er op een of andere manier door veroorzaakt waren. Het her-scheppen van de dingen zou nog best iets totaal persoonlijks kunnen zijn, mogelijk gaat het vooral om de persoonlijke ervaring van dat over de dingen schrijven zelf, en wie zijn wij om dan met Nietzsche in de hand te zeggen dat dat helemaal niet mogelijk is? Het gaat ook niet om het vinden van een adequatere naam - Stein zegt, "Was there not a way of naming things that would not invent names, but mean names without naming them". Het gaat dus eerder over
iets adequaters dan een naam. Ik neig er naar te concluderen dat Stein, in haar portretten en 'descriptions', op zoek was naar iets adequaters dan representatie zelf, en dat vond in de handeling van schrijven en luisteren.
Ongeveer de helft van Poetry and Grammar gaat over de "nuts and bolts" van de taal. Ze evalueert woordsoorten, door te luisteren naar wat het is dat ze doen, dan evalueert ze verschillende soorten interpunctie, ze evalueert het emotionele verschil tussen een alinea en een zin. Dit zijn allemaal vormen van luisteren naar de taal, en daarmee vormt haar buitengewoon eigenaardige omgang met taal zelfs een affirmatie van de taal: "Of course you might say why not invent new names new languages but that cannot be done. [...] So every one must stay with the language their language that has come to be spoken and written and which has in it all the history of its intellectual recreation." (in Poetry and Grammar) - waarmee zij haar accent anders legt dan Van Bastelaere, die
Tender Buttons hoort als een 'texte de jouissance', die "zelfs de meest gehaaide lezer destabiliseert: de meest diverse waarden worden door deze vreemde prozagedichten (nou ja) aan het wankelen gebracht." Tussen deze twee citaten zit geen regelrechte tegenspraak, en Van Bastelaere heeft zeker geen ongelijk - heel wat lezers voelen zich gedestabiliseerd, en er valt zeker een hoop sublieme chaos in die teksten zelf lezen als je er oog voor hebt - maar je kunt je zeker afvragen of de Tender Buttons en An Acquaintance With Description inderdaad wel vooral over die destabilisering gaan, wat je overslaat als je ze vooral in het teken van destabilisering leest, waar het ook mogelijk is ze eerst als bevestigingen te lezen van het gedrag van het Engels, maar dan op een zeer gedetailleerd niveau van syntaxis. Het niveau waar grammatica overgaat in ritme (ha, iets voor de volgende post).
Stein verlangde naar woorden. Naar het gevoel van de woorden. Ze gebruikt dingen om haar heen om tot aandachtiger schrijven te komen. Jeroen Mettes neemt in zijn ritme-artikel een motto van Stein: "Successions of words are so agreeable. It is about this". En aan het eind van Everybody's Autobiography - een boek dat deels gaat over het overkomen van de twijfels bij het schrijven die zij kreeg na haar doorbraak, toen haar werk plotseling geld waard bleek te zijn ofwel: toen haar werk iets ging voorstellen (representeren?) - kun je lezen hoe haar verhaal steeds dichter het heden nadert, en ze gaat steeds enthusiaster schrijven over het schrijven:
Of course all this time I was always looking at pictures, why not except walking and driving an automobile it is what I like best after my real business which is of course writing. I like writing, it is so pleasant, to have the ink write it down on the paper as it goes on doing. Harlan Miller thought I left such a large space in between so that I could correct in between but I do not correct, I sometimes cut out a little not very often and not very much but correcting after all what is in your head comes down into your hand and if it has come down it can never come again no not again.
Schrijven vertegenwoordigt niet, het maakt de lezer en de schrijver zelf tegenwoordig. En als die tegenwoordigheid op zich het hoofdonderwerp zou zijn zou er eigenlijk is stotteren eigenlijk niet eens mogelijk. Everybody's Autobiography eindigt als volgt:
That is a natural thing, perhaps I am not I even if my little dog knows me but anyway I like what I have and now it is today.