Posted on Thursday, June 08, 2006 2:02 AM
De komende maand of zo neem ik ritme als leiddraad voor mijn posts - een onderwerp waar ik de laatste tijd veel aanleidingen voor vond om over na te denken. Maar ik ben in het denken nog niet op een centrale these gekomen, dus deze posts worden vrij uitwaaierende schetsen - laat de weblog daar nou net de ideale vorm voor zijn. Ik ga daarbij vrolijk heen en weer tussen disciplines. Ritme speelt immers een even fundamentele rol in poezie als in muziek, maar de verschillen tussen hoe het functioneert in die twee kunstvormen zijn enorm en, hopelijk, leerzaam. We zien wel bij welke discipline het schip strandt
Onlangs verscheen de eerste Yang van 2006 met een dossier over stotteren, waarin temidden van vele andere interessante bijdragen twee stukken zijn opgenomen die mij in het bijzonder raakten: een artikel van Jeroen Mettes over ritme en een serie vertalingen uit Gertrude Stein's Tender Buttons door Dirk van Bastelaere. Jeroen's stuk schetst de rol van het ritme in de poezie aan de hand van diverse theoretici en filosofen. Hij laat zien hoe ritme bepalend is voor de eenheid van een gedicht en daarin voorafgaat aan vorm en zelfs aan metrum, en tegelijk aan de hand van Deleuze geeft hij een schets van hoe ritme werkt op de lezer. Daarmee zet hij een aanzet neer voor een manier van denken over poezie die vooraf gaat aan de 'final state'-analyses die je vaak ziet, waarin het streven naar een interpretatie van de elementen van een gedicht leidend is (danwel de onmogelijkheid van het bereiken van zo'n stabiele analyse). In dat soort lezingen staat minder het lezen centraal dan de uiteindelijke verandering in de geest van lezer die het gevolg is van het lezen. De manier van denken die ik in Jeroen's stuk aantref zou sterker kunnen zijn om te beschrijven wat mij aantrekt in de poezie die mij aantrekt.
Het artikel zorgde minstens voor mijn jaarlijke portie versterking van mijn ik-moet-nu-toch-eens-Deleuze-gaan-lezengevoel. Maar ook bracht een citaat dat Jeroen aanhaalt van Derek Attridge zekere herinneringen bij mij boven:
All languages have their own distinctive rhythms, their own ways of harnessing the energies of the body as they unfold in time. The job of rhythm in any language is to economize on that expenditure of energy by imparting a degree of regularity to it. And poetic rhythm is a heightening and an exploitation of a particular language.
Jeroen gaat verder op de laatste zin van dit citaat en plaatst achter het citaat de observatie dat de superioriteit van deze theorie ligt in het feit dat ze niet langer een abstract 'metrum' nodig heeft om het poetische van poetische taal te verklaren. Dus met Attridge in de hand hoef je niet meer te zeggen dat ritme een contrapunt is met, of een eigen manier van verschillen van, een onderliggend metrum. Maar je zou misschien nog verder kunnen gaan en eens kijken wat er gebeurt als je metrum opvat als een resultante van het ritme. (waarbij wat men normaliter een "metrum" noemt nu een specifiek geval wordt van metrum, namelijk een puur regelmatig metrum). Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat het metrum in eerste instantie het karakter is van een opeenvolging van ritmische eenheden (versvoeten, motieven) - waarbij metrum ook een zekere interne variabiliteit mag hebben. Metrum is dan een (al of niet regelmatige) herkenbaar bewegingstype dat uit de ritmiek opstijgt.
De zin waar ik zelf in dit citaat in eerste instantie sterk op reageerde was dan ook de eerste, en zeker in combinatie met de Stein-vertalingen van Van Bastelaere een paar pagina's eerder. Het was deze combinatie die mij terugbracht naar 1999, toen ik na lezing van Stein mijn eerste muziekstukken schreef in een stijl die uiteindelijk zou uitgroeien tot wat ik nu als mijn volwassen stijl beschouw. Stein's Engels vormt een herkenbaar idiolect dat zekere typische kenmerken van het Engels intensiveert tot een merkwaardig parlando, tegelijk natuurlijk van toon en herkenbaar en zeer vervreemdend van betekenis. Of het Yang-dossier-thema "stotteren" recht doet aan dit taaltje vraag ik me af - Stein komt op mij, zelfs op haar meest abstract, zelfs op haar meest beknopt, toch altijd een beetje kwebbelig over. Haar schrijfwijze is vaak gebaseerd op woordgroepjes van overwegend eenvoudige engelse woorden, die niet in eerste plaats semantisch als wel ritmisch gekozen lijken te zijn, en die vaak voorkomen in al of niet gevarieerde herhaling. Daarmee ontstaat een additieve ritmiek, verwant aan de variabele ostinato's (zoals b.v. in Stravinsky's Sacre du Printemps te vinden), die een in het Engels latent aanwezige variabele metriek tot uitdrukking brengt - maar ik zie dat ik muziekjargon begin te gebruiken. Laat ik in de volgende post het dan hebben over additieve en divisieve ritmiek.