Posted on Thursday, May 18, 2006 3:53 AM
In De Waag vond vanavond een presentatie plaats van Poezie op het Internet: zes samenwerkingen tussen dichters en internetvormgevers (Geert Buelens & Hans Op de Beeck, Paul Bogaert & Danny Butaye, Hans Kloos & Olivier Otten, Rozalie Hirs & Harm van den Dorpel, Joke van Leeuwen & Francien Fromme, Ted van Lieshout & Niels Schrader). Om met Het Oordeel te beginnen: de avond was geslaagd, en eigenlijk waren alle projecten minstens interessant en onderhoudend, sommige veelbelovend, sommige schitterend: en allicht het ene iets affer of prikkelender dan het andere. Ik wil eigenlijk niet de werkstukken zelf bespreken. Ik wil het over vorm hebben.
Deze presentatie betrof de tweede editie van een project, dat als ik het goed begrijp voor een deel een initiatief is van
Tonnus Oosterhoff. Zoals bekend geldt Tonnus als de pionier in ons land op het gebied van e-poezie en ik kan me voorstellen dat hij er tabak van heeft om de enige te zijn. Zeker aangezien de mogelijkheden van internet, flash, html, enz. enz. te veel zijn voor een persoon om geheel te ontginnen. En de bewegende en interactieve gedichten verdienen het om een kunstvorm te worden, niet beperkt te blijven tot het kunstje van een enkele dichter.
Tonnus' eigen bewegende gedichten zou je kunnen zien als extensies van de dichtbundel. Het papieren gedicht wordt, op vaak treffende wijze en met ontroerend effect, uitgerust met extra mogelijkheden: regels die verschijnen en verdwijnen, fragmenten van regels die gaan zweven, enz. Maar het vertrekpunt blijft in veruit de meeste van zijn werken het gedicht op papier: de vormgeving blijft er aan refereren, de organisatie van taal in dichtregels, enz. Je zou kunnen zeggen: het denken over taal en haar organisatie blijft in principe intact, maar de manier waarop deze organisatie toegankelijk wordt gemaakt voor de lezer, de presentatie, krijgt er een dimensie bij.
Op verschillende manieren blijkt dit te gelden voor alle projecten die ik vandaag zag - met één uitzondering en één bijna-uitzondering, waarover zometeen meer. De dichters schrijven voor het internet-project gedichten zoals ze die ook op papier schrijven, op zijn hoogst tot een bescheiden graad aangepast aan de parameters van het nieuwe medium. Veel projecten waren vooral een andere, bewegende, vormgeving van bestaand werk - 'verfilmingen'. Deze vormgeving laat dan met fantasievolle middelen van een bestaand soort poezie een andere, verrassende kant zien.
Zo ontstaat de suggestie dat er in dit nieuwe genre twee opvattingen van vorm zijn: de vorm van de poezie, en de vorm van de presentatie. Er is een poetische vorm en een beeldende vorm. De vernieuwing zit vooral in de beeldende vorm. Maar er is naar mijn gevoel weinig terugkoppeling: er is weinig sprake van een nieuwe benadering van taal-organisatie door de dichter aan de hand van die andere beeldende vorm.
Ik wil niet suggereren dat dit verkeerd is. Dit soort dingen roept bij mij vooral vragen op over de aard van de poetische vorm. Deze geeft me de indruk inherent conservatiever te zijn dan de beeldende vorm. Altijd al gaf de beeldende kunst mij de indruk op een veel grondiger wijze met vorm te zijn bezig geweest. Als je overgaat van schilderij naar performance bijvoorbeeld is dat een direct voelbare, fundamentele stap. Die stap communiceert op een bijzonder directe manier een vormvernieuwing. Zulke drastische wendingen lijken in de poezie veel schaarser te zijn dan in de literatuur. Vormvernieuwingen in de literatuur lijken vaak vooral te bestaan uit het vinden van andere vocabulaires of andere manieren van woordvolgorde, en niet het principe van de woordvolgorde zelf aan de orde te stellen, het eerste ding wat je ziet als je met een boek geconfronteerd wordt dus, nog voor je het leest.
Een manier van schrijven die zich serieus richt op een andere vormgeving zou eigenlijk ook met een totaal andere organisatie van taal moeten komen. Eén aspect daarbij is hoeveelheid. Dichters hebben de neiging om zich dichter te tonen in het achter elkaar zetten van heel, heel veel woorden. Zelfs bij de gemiddelde haiku heb je al snel een woord of tien (*). In mijn achterhoofd spookte de hele avond door dan ook de neon-werken van Bruce Nauman in het Stedelijk Museum, bijvoorbeeld Eat/Death, de neon-sculptuur waarbij je Death leest, en waarbij de D en de H knipperen. De presentatie-vorm is hier al zo krachtig, dat er bijna geen ruimte meer lijkt te zijn voor een uitgebreide poetische vorm. Of, zoals ik Melle Hammer (die in het panel zat) na afloop van de avond hoorde zeggen - je kunt de nieuwe mogelijkheden van de uitgebreide e-vormgeving zien als een gigantische uitbreiding van je interpunctie, wat het mogelijk maakt om een effectief gedicht te maken dat uit maar één letter bestaat.
Zoals gezegd: er was een uitzondering, maar die bevestigde dit beeld wel:
Ted van Lieshout en
Niels Schrader deden hun uiterste best om de indruk te wekken dat ze totaal niet hadden samengewerkt. Van Lieshout deed zijn ding (hij maakte een paar leuke filmpjes, op basis van half concrete poezie half rijmpjes voor kinderen), en Schrader deed, daarnaast, een ander ding met de woorden van Van Lieshout: een programma dat ze onderwerpt aan zulke vergaande manipulaties dat de oorspronkelijke tekst in no-time min of meer irrelevant wordt.
Dan de bijna-uitzondering. Dit is een bijna-uitzondering, omdat het gaat om een tekst die al helemaal met een papieren opmaak bestond en ook zo gepubliceerd was, en die vervolgens interactief/bewegend is vormgegeven, dus helemaal volgens het schema. Alleen viel dat aan het resultaat niet te zien: als ik niet de papieren versie al kende, zou ik geloven dat de tekst speciaal voor dit e-werk gemaakt was. Het gedicht is
Stamboom van
Rozalie Hirs. Deze stamboom werd door
Harm van den Dorpel vormgegeven als een
mobile. De structuur van de tekst, waarbij de (vertakkende) stamboom lineair wordt opgesomd door gebruikmaking in de tekst van labels als 'moedervader' en 'vadermoedermoeder', werd ontleed en ruimtelijk gemaakt in de mobile. Het beeld dat zo ontstaat lijkt nauwelijks nog op een gedicht. Zat er iets in de vorm van het gedicht zelf al dat voorbijging aan poetische vorm? Komt het door de opsomming? En bevat deze manier van vertalen van tekst naar beeld, die misschien in eerste instantie ingegeven werd door de opvallende structuur van het gedicht, misschien een aanwijzing hoe men meer in het algemeen teksten als het ware kan ontdoen van hun tekstkarakter om ze op te laten gaan in een beeldende vorm?
(*) en schrijf eens niet meer dan twee woorden op een pagina, zoals Van Dixhoorn doet in "Dan op de zeevaartschool" - krijg je meteen verwijten van onbegrijpelijkheid...