Een terugkerende poeziediscussie betreft het verschil tussen het Wat en het Hoe van een gedicht. Het onderliggende schema is ongeveer: een gedicht is een verwoording van een gedachte. Die verwoording is een beetje raar, zeg: met versificatie en rijm en zo, en daarom is het kunst, hatsikidee. Dit schema is dan een dankbare bron van felle polemieken, waarbij je dan weer mensen hebt die het Wat veel belangrijker dan het Hoe vinden, dan weer mensen die het Hoe veel belangrijker dan het Wat vinden.
Ik vind dat schema onverdragelijk en de bijbehorende discussies dodelijk geplaagd door simplificaties. Poezie bestaat gewoon niet uit reeds klaarliggende 'gedachten' die 'verwoord' of 'onderwerpen' die 'behandeld' moeten worden in een of andere stijl. Zo'n twee-traps-structuur is meer iets voor redevoeringen en powerpointpresentaties van denktanks. Als je poezie schrijft moet je, zodra je merkt iets te hebben geschreven waar zo'n onderscheid ook maar de minste rol speelt, meteen gummen en iets anders opschrijven waar je wel gewoon meteen van van je stoel valt. Die eerdere woorden waren kennelijk onvoldoende opgeschoond, bevatten nog een residu van flauwekul.
Een beter beeld is dit: poezie bestaat uit woorden om mee te denken, om eindelijk eens te denken, waar het ook toe leidt. Poezie schrijven is het met de grootst mogelijke concentratie kijken naar de woorden waar je nou eenmaal mee leeft in close-up in de hoop dat ze nog een verrassende kant blijken te hebben.
Wat me nu interesseert is dit. Ik geloof dus niet in het idee dat je in de poezie een klaarliggende waarheid verwoordt, maar wel in het idee dat je door het denken over woorden op het spoor van een nieuw inzicht kunt komen -
(Om die reden is trouwens ook De Dichter of De Schrijver een maatschappelijk relevante figuur. Het is niet zozeer zijn gedicht of zijn boek dat een analyse biedt van een maatschappelijk probleem of een stelling neemt, het is omdat de dichter/schrijver geleefd heeft met al de elementen die zijn werk uitmaken (taal, ideeen, werkelijkheid, verbeelding) dat hij er een bijzondere ervaring mee heeft. Niet het geschrevene is de politieke zet, het schrijven en de transformatieve gevolgen van het schrijven zelf, in eerste instantie voor de schrijver, zijn de politieke zet. De altijd veranderende maar onverbiddelijke wetten van de vorm zullen bij een serieus kunstenaar altijd zo'n transformatief proces veroorzaken. De schrijver heeft de gedachten en de woorden van alle kanten onderzocht, ingeschat, getest. Sommige gedachten vielen door de mand als ongeloofwaardig. Andere waren helaas onontkoombaar, enz, enz. Niet de schrijfsels zelf moeten zich kunnen laten hanteren als argumenten in een discussie, maar de schrijver wordt een unieke deskundige van de dingen die in zijn werk voorkomen, en de lezer ook. Dus moet men bij discussies over de maatschappelijke relevantie van de literatuur ook niet willen dat van het boek zelf invloed uitgaat (dat levert alleen maar onzinnig litererair machtsvertoon op, spierballenpraat over canonisering enzovoorts), maar van de mensen die er serieus mee bezig zijn).
- en dit kunnen we testen! Vraag aan alle dichters: hebben jullie ooit, onverwacht, iets zo dwingends geschreven dat je anders ging denken over een of ander onderwerp?