Ekstatische lichtheid

Posted on Wednesday, May 31, 2006 12:28 AM
Deze post zal over Tom en Dix gaan, maar eerst ontwikkel ik het woord 'hypertoegankelijk' wat verder.

Ik heb gisteren als eerste voorbeeld van 'hypertoegankelijkheid' het werk genoemd van een componist en niet van een dichter. Het is misschien geen toeval dat de componist in kwestie geldt als de meest radicale van de Europese modernisten. Xenakis ging verder dan de seriele avant-gardisten van zijn tijd in het verplaatsen van zijn compositorische uitgangspunten naar totaal andere gronden dan traditionele. Daarbij schiep hij in de loop van enkele decennia niet alleen een oeuvre dat extremer is dan dat van zijn Europese generatiegenoten, maar uiteindelijk volgens mij ook helderder, aantrekkelijker en toegankelijker, en dat op termijn er zelfs op een overtuigender manier in slaagde om weer elementen van of herinneringen aan diverse muzikale tradities te integreren. De hypertoegankelijkheid van dit werk vereist van de luisteraar niet het aanleren van een code maar het laten vallen van een verwachting van een code. De ekstatische gewelddadigheid van veel van Xenakis' werken kan helpen deze stap te zetten, omdat de confrontatie met het werk een heel direct, onmiddelijk karakter heeft, en dat dwingt een extreme reactie af. (De term gewelddadig is trouwens niet te verwarren met aggressief - Xenakis' werk bevat geen aggressie).

De paradox van het hypertoegankelijke: eerst het hypertoegankelijke dwingt je je rekenschap te geven van een culturele code, die je tegelijk moet laten vallen. Om die reden wordt hypertoegankelijk werk vaak ervaren in oppositie tot het bestaande, als iets dat je vooral zou kunnen begrijpen als een negatief commentaar op de bestaande codes. Alsof de code die je laat vallen het eigenlijke onderwerp is van het hypertoegankelijke werk. Maar mischien interessanter dan de vraag "Welke code moet ik laten vallen?" is de vraag "Wat dwingt mij hiertoe?", "wat is de positieve kwaliteit die deze relativering van mezelf veroorzaakt en in de plaats komt van het verlies?". Ik stel voor die positieve kwaliteit ekstatisch te noemen. Bij Xenakis heeft de overweldiging door de klank die ekstatische rol. Bij Cage is het misschien een vérgaand op zichzelf staan van de gebeurtenissen. Bij Tom Johnson, zeker zo verbijsterend: wat zijn werk hypertoegankelijk maakt is... toegankelijkheid!

Op radicale wijze kiest Tom Johnson voor vormen en technieken die er op gericht zijn om in principe volstrekt doorzichtig en voorspelbaar te zijn voor het publiek, vaak door het gebruik van allerlei hoorbare tel-principes (een van zijn stukken heeft de geuzentitel "Predictables"). Zijn werk maakt op deze manier zijn eigen kunstmatigheid tot onderwerp en nodigt uit tot een bewust luisteren, een luisteren waar je op een gegeven moment gaat letten op het feit dat je luistert zelf. In "Music and Questions", bijvoorbeeld, dat vorige week te horen was in Perdu, wisselde Tom een (voor wie handig is met permutaties) volstrekt voorspelbare serie vijf-tonige melodieen af met 120 vragen over het luisteren zelf (waaronder fantastische vragen als When did your mind last wander? en When will your mind wander next?). Luisteren wordt luisteren naar het luisteren. Alles wat er zou kunnen gebeuren wordt onderdeel van het luisteren inclusief de mogelijkheid dat je afgeleid raakt. Zo wordt de luisteraar radicaal in het moment betrokken.

Zonder twijfel is het mijn muzikale achtergrond die maakt dat ik bij voorbeelden van het hypertoegankelijke grijp naar componisten, maar het is niet alleen dat. Dichters werken immers met taal en taal is meer nog dan klank ongeneeslijk conventioneel, en 'directe ervaring' zonder verwijzing naar iets er buiten is minder problematisch in de muziek dan in de taal. Maar het hypertoegankelijke bestaat natuurlijk ook in poetische vorm. F. van Dixhoorn is volgens mij zo'n dichter wiens werk toegankelijker is dan mensen aan willen nemen. Het voorbeeld van de pagina met alleen de woorden "een boot" er op begint klassiek te worden. Er is eigenlijk helemaal niks moeilijks aan zo'n pagina, maar veel lezers, ook professionele lezers, willen er niet aan. Ze verwachten iets van de poezie dat ze niet altijd zouden moeten verwachten. Men verwacht kennelijk een zekere 'zwaarte', een poezie die al zijn begrippen oplaadt met betekenis en doet opgaan in een of ander dicht netwerk, of men verwacht een met wijsheden opgevulde mededeelzaamheid die je leven gaat veranderen. Maar Dix' werk is licht, lichtheid is zijn ekstatische karakter. De vormgeving van zijn bladspiegel, zijn markeringen met getallen, de herhalingen en de collage-achtige afwisselingen van tekstuele locaties: al deze parameters werken als de assen van een meer-dimensionale ruimte waar de woorden vrijelijk in geplaatst worden, waarin ze lijken te zweven. De hele organisatie van de bundels laat in eerste instantie dit ruimtelijke karakter zien, en nodigt de lezer uit om zich vrijuit door deze ruimte te bewegen, zijn oog te laten gaan over de pagina's, heen en weer, de pagina's te vergelijken met volgende en vorige pagina's (in sommige gedichten zijn de andere pagina's die je door een pagina heen kunt zien schijnen even belangrijk als de huidige pagina zelf), dan weer de getallenreeksen te horen, de cadansen met hun regelmatigheden en onregelmatigheden, of verbanden en (bijna-)herhalingen in de tekst zelf te traceren - en bijna en passant ga je de woorden zelf horen. Het lezen van de woorden is hier een gevolg van het dwalen door de ruimte van het gedicht. In sommige gedichten van Dix is het net of je elk woord dat je leest, ook bij herlezing, zojuist hebt aangetroffen, als bij toeval. (*)

Bij de Perdu-middag van vorige week zondag, "Tellen met Tom en Dix", traden zij naast elkaar op. Tot besluit van deze post een verkorte versie van mijn inleiding. Het programma was een vervolg op het concert "Tellen met Tom" dat ik in 2003 organiseerde, en in dezelfde tijd leerde ik de poezie van Dix kennen. Toen al rees het plan deze twee eens te combineren op een programma. In de eerste plaats is er een oppervlakkig verband vanwege de telsystemen die beide hanteren. Op een tweede niveau is er geen groter contrast denkbaar dan tussen deze twee kunstenaars: het werk van van Dixhoorn lijkt op intuitieve wijze ontstaan, nauwelijks analyseerbaar, terwijl Tom Johnson's werken een totaal en volgbaar constructivisme nastreven. Op een derde niveau echter voelen voor mij deze oeuvres verwant: beiden werken met een ekstatische lichtheid die de aandacht vanuit een bewustzijn van ruimtelijkheid en structurele organisatie leidt naar het moment - het moment van het lezen of luisteren zelf.




(*) Hierin heb ik altijd een verwantschap tussen het werk van Dix en dat van John Cage gezien. Zoals bij Cage muziek op een gegeven moment bestaat uit een architectuur van tijdsduren, die soms zijn 'gevuld' met stiltes en soms met geluiden, zo lees ik bij Dix een architectuur van de pagina, die soms is gevuld met letters en cijfers, soms met witregels. De consequentie die Cage hieraan verbindt heeft Dix voor zover ik weet (nog?) niet getrokken, namelijk om de keus van de geluiden zelf aan het toeval over te laten.

Feedback

# re: Ekstatische lichtheid

6/1/2006 1:13 AM by Rutger H. Cornets de Groot
Hé Samuel,
Het hypertoegankelijke: het lijkt een synoniem voor het hermetische. Beide openen een weg naar een wereld die met de bekende, gecanoniseerde of cultureel gecodeerde wereld weinig heeft uit te staan, en beide zijn behept met de tragiek juist het tegendeel van wat ze beogen te refereren: 'hypertoegankelijk' = zeer, of al te toegankelijk. Voor mezelf vergelijk ik het vaak met sambal: een scherpe, agressieve smaak die de smaakpapillen activeert en daardoor het opnemen van het voedsel vergemakkelijkt.

Over Van Dixhoorn: ik geloof niet dat zijn werk intuïtief tot stand komt, al neemt hij tav het object van zijn poëzie misschien wel een intuïtieve, tastende houding aan. Hij maakt op mij de indruk te willen reiken naar iets dat voorgoed buiten bereik ligt, en dat naarmate zijn oeuvre groeit steeds verder wijkt. Dat 'reiken' en de structuur die hij aanbrengt verraden naar mijn gevoel wel degelijk een neiging naar constuctivisme, zij het met de erkenning dat de resulterende architectuur niet het gezochte object zelf is, maar de vorm ervan. En iets zegt me dat die bij Dix niet samenvallen, wat zowel spanning, tragiek als een hermetisch/hypertoegankelijk element aan zijn werk verleent.

# re: Ekstatische lichtheid

6/2/2006 12:30 AM by Samuel Vriezen
Rutger, ik heb de formulering over Dix en het intuitieve licht aangepast. Ik gebruikte hier het begrip "intuitief" op een misschien wat problematische manier, namelijk in de zin van tegengesteld aan systematisch, met betrekking tot de manier van iets maken. Intuitief is dan "op de tast". Intuitief-systematisch is natuurlijk helemaal geen zuivere tegenstelling - de constructivist Tom Johnson is uiteindelijk niet minder iemand die op intuitie vertrouwt, en achter elk tastende werkproces ligt natuurlijk een min of meer samenhangende, al of niet expliciete idee over hoe dat tasten dan werkt, waar je een systeem in kunt zien. (Deze onzuivere tegenstelling is er een die door componisten nogal vaak en iets te makkelijk gemaakt wordt, en dat komt omdat componisten erg graag praten over constructieprocessen en over de definitie van de muzikale taal, en dat heeft weer te maken met de mythe van het verlies van de gemeenschappelijke taal van het tonale systeem die door het hele 20e eeuwse compositorische denken trekt).

Zou Dix reiken naar iets dat buiten zijn bereik ligt? Daar moet ik eens over nadenken. Naarmate de architectuur van zijn pagina's complexer wordt (het oprukkende wit maakt de zaken er qua structuur grappig genoeg juist complexer op), komen naakte functies van de taal in zijn werk wel steeds pregnanter naar voren. "een boot" is alleen nog maar noemen (tegen de achtergrond van een zee van witregels). "3. kra kra kra" is vrijwel alleen nog geluid. De vraag is misschien of hij meer naar die boot reikt of naar dat noemen van een boot. De boot zelf blijft natuurlijk buiten bereik (ik zou niet weten over welke boot het hier gaat). Of reikt hij naar een Ervaring van het lezen? Dat vereist vooral de welwillendheid van de lezer om het hypertoegankelijke spel mee te spelen.

# re: Ekstatische lichtheid

6/5/2006 11:25 PM by Rutger H. Cornets de Groot
Samuel,
Onder verwijzing naar mijn eerdere artikel over Dix op http://www.cornetsdegroot.com/rutgerh/dixhoorn.html en het tweede dat deze maand in Bunker Hill verschijnt, wil ik hier toch nog wat aan toevoegen. Allereerst vind ik het heel mooi hoe je die boot afzet tegen een 'zee van witregels': het brengt een eenheid aan in de ervaring van de werkelijkheid en die van het lezen die je verder alleen bij zulke vormbewuste dichters als Oosterhoff en Lucebert aantreft. Er zijn er vast meer, maar die schieten me nu niet te binnen, en voor de meesten is het wit toch een amorfe, niet-functionerende ruimte die dan ook niet als levend en ademend wordt behandeld, hoe mooi hun gedichten verder ook zijn.

In je formulering dat de architectuur van zijn pagina's steeds complexer wordt kan ik me niet helemaal vinden. Ik zou het een aangetaste architectuur willen noemen: die 16-regelige mal is er nog steeds, alleen worden er steeds grotere gaten in geslagen. Daardoor komen de naakte functies van zijn taal wel steeds pregnanter naar voren, zoals je zegt, maar het object dat ze aanduiden (een boot bijv) wordt daar niet door dichterbij gebracht; alleen datgene wat nog aan die oorspronkelijke indruk herinnert, het noemen dus. Ik heb het idee dat Dix naarmate zijn oeuvre vordert steeds meer tot de erkenning komt dat zijn oorspronkelijke voorstelling op inbeelding berustte, die misschien wel uit de realiteit voortkwam, maar niet adequaat in de taal kon worden verwezenlijkt (aanwezig gesteld, zoals Peter van Lier het in zijn essay uitdrukt). Om dat voor elkaar te krijgen moet de taal met zichzelf overeenkomen, waarmee ik bedoel dat de taal in zijn vorm moet laten zien hoe gebrekkig de werkelijkheid erin kan worden uitgedrukt. Het resultaat daarvan is dat Dix' taal steeds geavanceerder en genuanceerder wordt, door juist aan dat onvermogen uitdrukking te geven; vandaar de gaten in die mal. Een bijkomend effect is dat er een steeds minder goede indruk overblijft van de oospronkelijke voorstelling (het ankedotische), terwijl de 'poëticale' uitspraken ('weet ik wel wat ik doe', 'ik ben afgeleid', enz.) in frequentie toenemen. Zijn nieuwste cyclus (gedeeltelijk te zien op http://www.intraquest.nl/art/fvandixhoorn/) begint met de zestien regels herhaalde uitroep 'de wat': de vorm is daar op zijn sterkst, maar het object is vrijwel onachterhaalbaar geworden. (Overigens kan die pagina natuurlijk ook als pure klank, bijvoorbeeld van een vogel, worden gelezen, en als zodanig misschien als het equivalent van 'kra kra kra').

Het gevaar dat Van Dixhoorn bedreigt, is dat het poëtische, de vorm, op den duur zodanig de overhand neemt op het gezochte object, dat hij met een volledig lege pagina overblijft: een zee zonder boot. Ook de nummeringen zullen dan zijn verdwenen. Maar misschien staat dat moment ook gelijk aan het satori dat de tot volledig inzicht gekomen mens wacht?

# re: Ekstatische lichtheid

6/5/2006 11:27 PM by Rutger H. Cornets de Groot
Ik vergis me: een deel van die nieuwste cyclus staat niet online, maar in het Dix-dossier in Yang, 40e jaargang, nr. 2, juli 2004.

# re: Ekstatische lichtheid

6/6/2006 11:38 PM by Samuel Vriezen
Rutger,

Of Dix' architectuur complexer wordt met het oprukkende wit of niet is misschien een beetje een glas-half-vol-glas-half-leeg situatie. Wat mij betreft is het vol, vol met wit namelijk, met "positief wit" - dat is iets anders dan het metafysische wit waar ooit alles en iedereen in zou verdwijnen (tegenwoordig verdwijnen we juist in *zwarte* gaten).

Anders gezegd: als je zegt dat de architectuur wordt aangetast en dat er gaten worden geslagen ben je een tekstmens. Als je echter zegt dat de architectuur van de pagina in complexiteit toeneemt met het toenemende wit ben je een bladspiegelmens.

Op de "zee van witregels" heeft eerst Lucas Hüsgen me geattendeerd en misschien heeft hij het from the horse's mouth - ik weet in elk geval dat Dix op een dergelijke manier naar zijn pagina's kan kijken, toen ik werkte aan mijn zetting van Takken molenwater... beschreef hij Uiterton als een soort rivierloop met twee tekst-oevers. (Ik heb toen meteen besloten dat ik dan het best het 'water' kon componeren, dus als Dix in de voordracht aan het eind van een "oever" is, beginnen piano en vibrafoon een klaterend stroompje noten te spelen tot de volgende "oever" inzet). Ipse dixit! (excuseer de woordgrap).

In "de wat" hoor ik inderdaad een hartslag. Maar het is ook typografisch heel speciaal natuurlijk. Is de ultieme vorm een hartslag?

(Nu dwalen mijn gedachten af, via Heinz Holliger's "Scardanelli Zyklus" waar ook de hele tijd uiterst rigide vormprincipes gelijk opgaan met het gebruik van de hartslag als natuurlijk metronoom, naar Hölderlin zelve, die ik nu toch eindelijk eens écht moet gaan lezen...)

# re: Ekstatische lichtheid

6/6/2006 11:56 PM by Rutger H. Cornets de Groot
Samuel,
Ik wil meteen toegeven dat ik in vergelijking met jou ongetwijfeld een tekstmens ben, en wel eens uit het oog/oor verlies wat een gedicht aan beeldende en ritmische effecten teweegbrengt. Ook staat het iedereen natuurlijk vrij om in een gedicht, strofe of regel te lezen wat hij wil: een vogel of een hartslag of een machine, noem maar op. Maar werkelijk zinvol wordt die pagina met 16x 'de wat' wat mij betreft toch pas wanneer je ziet dat die de omgekeerd evenredige verhouding uitdrukt tussen de 'vorm' en de 'inhoud', zoals ik zei: de vorm is er op zijn sterkst (de 16-regelige mal is er bij uitzondering weer volledig intact), maar het aan te duiden object kan zelfs niet meer worden genoemd. Pas wanneer je dat ziet, zie je ook het contrast met die befaamde woorden 'een boot' (duidelijk object) op de verder lege pagina (geen vorm, geen architectuur).
Het is kortom het een of het ander. Een gedachtenexperiment: zou het niet veel logischer zijn geweest wanneer Dix zijn oeuvre in omgekeerde volgorde had geschreven? Dus eerst deze laatste cyclus om te eindigen met het zoveel coherentere Jaagpad? Je ziet gewoon dat hij zijn greep op de taal en op het object verliest - maar had hij het inderdaad in omgekeerde volgorde geschreven, dan hadden we hem van bedrog beschuldigd, denk je niet?

# re: Ekstatische lichtheid

6/7/2006 12:16 AM by Samuel Vriezen
Toch is die hartslag niet een willekeurige interpretatie. De aanleiding dat ik dat zo ging horen komt toch uit een tekstuele cue - "twee piepjes" - een ziekenhuis? In de langere uitwerking die Dix in Perdu voordroeg is verderop ook sprake van een verpleegster (en van een onderzoek, maar wat voor onderzoek wordt niet gezegd). Maar inderdaad, je hebt zeker gelijk, de aanduiding van de inhoud is zoek en dat is zeker zo belangrijk. (Van Bastelaere doet er honderd gedichten over om het hart zoek te maken, bij Van Dixhoorn maken we van begin af aan al ruzie of er wel een hart is! :-))

# re: Ekstatische lichtheid

6/7/2006 12:22 AM by Rutger H. Cornets de Groot
Nog heel even voor de duidelijkheid: als ik zeg dat hij zijn greep op de taal verliest, bedoel ik daar vanzelfsprekend niet mee dat hij minder goed schrijft, maar integendeel dat hij steeds beter in staat is om te laten zien hoe taal werkt, en hoe de werkelijkheid er in taal uitziet. Om Lucebert te citeren: hij geeft meesterschap aan de onmacht.

# re: Ekstatische lichtheid

6/7/2006 12:26 AM by Rutger H. Cornets de Groot
Je hebt gelijk, dat was ik vergeten, van dat onderzoek. Kan je nagaan! Wat een dichter. En bovendien een groot drinker.
Wat mijzelf betreft, en om Jeroen M's taaltje te parafraseren: Van Bastelaere is next up.

# Radio en wit

9/14/2006 12:54 AM by Vriezen Vindt...

# Twee piepjes

3/25/2007 11:16 PM by Rutger H. Cornets de Groot

# Twee piepjes

3/25/2007 11:18 PM by Rutger H. Cornets de Groot

Post Comment

Title  
Name  
Url
Comment   

ATTENTION: the code you need to copy is CaSe SeNsItIvE and is required to prevent spam.
Enter the code you see: