Deze post zal over Tom en Dix gaan, maar eerst ontwikkel ik het woord 'hypertoegankelijk' wat verder.
Ik heb
gisteren als eerste voorbeeld van 'hypertoegankelijkheid' het werk genoemd van een componist en niet van een dichter. Het is misschien geen toeval dat de componist in kwestie geldt als de meest radicale van de Europese modernisten. Xenakis ging verder dan de seriele avant-gardisten van zijn tijd in het verplaatsen van zijn compositorische uitgangspunten naar totaal andere gronden dan traditionele. Daarbij schiep hij in de loop van enkele decennia niet alleen een oeuvre dat extremer is dan dat van zijn Europese generatiegenoten, maar uiteindelijk volgens mij ook helderder, aantrekkelijker en toegankelijker, en dat op termijn er zelfs op een overtuigender manier in slaagde om weer elementen van of herinneringen aan diverse muzikale tradities te integreren. De hypertoegankelijkheid van dit werk vereist van de luisteraar niet het aanleren van een code maar het laten vallen van een verwachting van een code. De ekstatische gewelddadigheid van veel van Xenakis' werken kan helpen deze stap te zetten, omdat de confrontatie met het werk een heel direct, onmiddelijk karakter heeft, en dat dwingt een extreme reactie af. (De term gewelddadig is trouwens niet te verwarren met aggressief - Xenakis' werk bevat geen aggressie).
De paradox van het hypertoegankelijke: eerst het hypertoegankelijke dwingt je je rekenschap te geven van een culturele code, die je tegelijk moet laten vallen. Om die reden wordt hypertoegankelijk werk vaak ervaren in oppositie tot het bestaande, als iets dat je vooral zou kunnen begrijpen als een negatief commentaar op de bestaande codes. Alsof de code die je laat vallen het eigenlijke onderwerp is van het hypertoegankelijke werk. Maar mischien interessanter dan de vraag "Welke code moet ik laten vallen?" is de vraag "Wat dwingt mij hiertoe?", "wat is de positieve kwaliteit die deze relativering van mezelf veroorzaakt en in de plaats komt van het verlies?". Ik stel voor die positieve kwaliteit ekstatisch te noemen. Bij Xenakis heeft de overweldiging door de klank die ekstatische rol. Bij Cage is het misschien een vérgaand op zichzelf staan van de gebeurtenissen. Bij Tom Johnson, zeker zo verbijsterend: wat zijn werk hypertoegankelijk maakt is... toegankelijkheid!
Op radicale wijze kiest
Tom Johnson voor vormen en technieken die er op gericht zijn om in principe volstrekt doorzichtig en voorspelbaar te zijn voor het publiek, vaak door het gebruik van allerlei hoorbare tel-principes (een van zijn stukken heeft de geuzentitel "Predictables"). Zijn werk maakt op deze manier zijn eigen kunstmatigheid tot onderwerp en nodigt uit tot een bewust luisteren, een luisteren waar je op een gegeven moment gaat letten op het feit dat je luistert zelf. In "Music and Questions", bijvoorbeeld, dat vorige week te horen was in Perdu, wisselde Tom een (voor wie handig is met permutaties) volstrekt voorspelbare serie vijf-tonige melodieen af met 120 vragen over het luisteren zelf (waaronder fantastische vragen als When did your mind last wander? en When will your mind wander next?). Luisteren wordt luisteren naar het luisteren. Alles wat er zou kunnen gebeuren wordt onderdeel van het luisteren inclusief de mogelijkheid dat je afgeleid raakt. Zo wordt de luisteraar radicaal in het moment betrokken.
Zonder twijfel is het mijn muzikale achtergrond die maakt dat ik bij voorbeelden van het hypertoegankelijke grijp naar componisten, maar het is niet alleen dat. Dichters werken immers met taal en taal is meer nog dan klank ongeneeslijk conventioneel, en 'directe ervaring' zonder verwijzing naar iets er buiten is minder problematisch in de muziek dan in de taal. Maar het hypertoegankelijke bestaat natuurlijk ook in poetische vorm.
F. van Dixhoorn is volgens mij zo'n dichter wiens werk toegankelijker is dan mensen aan willen nemen. Het voorbeeld van de pagina met alleen de woorden "een boot" er op begint klassiek te worden. Er is eigenlijk helemaal niks moeilijks aan zo'n pagina, maar veel lezers, ook professionele lezers, willen er niet aan. Ze verwachten iets van de poezie dat ze niet altijd zouden moeten verwachten. Men verwacht kennelijk een zekere 'zwaarte', een poezie die al zijn begrippen oplaadt met betekenis en doet opgaan in een of ander dicht netwerk, of men verwacht een met wijsheden opgevulde mededeelzaamheid die je leven gaat veranderen. Maar Dix' werk is licht, lichtheid is zijn ekstatische karakter. De vormgeving van zijn bladspiegel, zijn markeringen met getallen, de herhalingen en de collage-achtige afwisselingen van tekstuele locaties: al deze parameters werken als de assen van een meer-dimensionale ruimte waar de woorden vrijelijk in geplaatst worden, waarin ze lijken te zweven. De hele organisatie van de bundels laat in eerste instantie dit ruimtelijke karakter zien, en nodigt de lezer uit om zich vrijuit door deze ruimte te bewegen, zijn oog te laten gaan over de pagina's, heen en weer, de pagina's te vergelijken met volgende en vorige pagina's (in sommige gedichten zijn de andere pagina's die je door een pagina heen kunt zien schijnen even belangrijk als de huidige pagina zelf), dan weer de getallenreeksen te horen, de cadansen met hun regelmatigheden en onregelmatigheden, of verbanden en (bijna-)herhalingen in de tekst zelf te traceren - en bijna en passant ga je de woorden zelf horen. Het lezen van de woorden is hier een gevolg van het dwalen door de ruimte van het gedicht. In sommige gedichten van Dix is het net of je elk woord dat je leest, ook bij herlezing, zojuist hebt aangetroffen, als bij toeval. (*)
Bij de Perdu-middag van vorige week zondag, "Tellen met Tom en Dix", traden zij naast elkaar op. Tot besluit van deze post een verkorte versie van mijn inleiding. Het programma was een vervolg op het concert "Tellen met Tom" dat ik in 2003 organiseerde, en in dezelfde tijd leerde ik de poezie van Dix kennen. Toen al rees het plan deze twee eens te combineren op een programma. In de eerste plaats is er een oppervlakkig verband vanwege de telsystemen die beide hanteren. Op een tweede niveau is er geen groter contrast denkbaar dan tussen deze twee kunstenaars: het werk van van Dixhoorn lijkt op intuitieve wijze ontstaan, nauwelijks analyseerbaar, terwijl Tom Johnson's werken een totaal en volgbaar constructivisme nastreven. Op een derde niveau echter voelen voor mij deze oeuvres verwant: beiden werken met een ekstatische lichtheid die de aandacht vanuit een bewustzijn van ruimtelijkheid en structurele organisatie leidt naar het moment - het moment van het lezen of luisteren zelf.
(*) Hierin heb ik altijd een verwantschap tussen het werk van Dix en dat van
John Cage gezien. Zoals bij Cage muziek op een gegeven moment bestaat uit een architectuur van tijdsduren, die soms zijn 'gevuld' met stiltes en soms met geluiden, zo lees ik bij Dix een
architectuur van de pagina, die soms is gevuld met letters en cijfers, soms met witregels. De consequentie die Cage hieraan verbindt heeft Dix voor zover ik weet (nog?) niet getrokken, namelijk om de keus van de geluiden zelf aan het toeval over te laten.