I.
In een recent commentaar op dit blog wees Edwin Timmer me op een interessant
artikel over blogs van Geert Lovink. Het gaat over de verhouding tussen blogs en de traditionele journalistieke media. Lovink stelt dat blogs weliswaar een alternatief lijken te bieden voor traditionele media, maar dat dit goeddeels schijn is:
Ondanks vele pogingen om blogs op te voeren als een alternatief voor de gevestigde media, worden ze vaak, en juister, omschreven als “kanalen die feedback geven”. Door “de wacht te houden” bij de uitgang uit de gevestigde media (Axel Bruns) produceren blogs niet noodzakelijkerwijs zinnige commentaren die serieus worden genomen. […] Ik zou blog-bijdragen willen omschrijven als haastig opgetekende overdenkingen rond een link of gebeurtenis. In de meeste gevallen beschikken bloggers domweg niet over de tijd, vaardigheid en financiële middelen voor degelijk onderzoek. Er bestaan wel collectieve onderzoeksblogs naar specifieke onderwerpen, maar dat zijn er niet veel. Gewone blogs creëren een dichte wolk van 'impressies' rondom een onderwerp. Blogs testen uit.
De blogcultuur blijft zo steken in het becommentarieren van de traditionele media, en dreigt zo te blijven steken in nihilisme:
Blogs bezien en documenteren de afnemende macht van de gevestigde media, maar hebben de ideologie van die laatste welbewust niet vervangen door een alternatief. Gebruikers zijn de top-down communicatie beu, maar kunnen nergens anders heen. […] Maar nog afgezien van het feit óf er een alternatief is, zweven er talloze verhalen, observaties, beelden, opmerkingen en notities rond die op zoek zijn naar zo'n tien of meer lezers. Gevangen in de dagelijkse sleur van het bloggen, leeft ergens het idee dat het Netwerk het alternatief ís. […] Bloggen is niet de digitale kloon van de 'ingezonden brief'. Een blogger klaagt en beargumenteert niet, maar gunt zichzelf het perverse genoegen de media te observeren. […]
Volgens de utopische blogfilosofie zijn de massamedia ten dode opgeschreven. Hun rol zal worden overgenomen door de 'participatiemedia'. […] Maar ondanks de voortdurende waarschuwingssignalen blijft het systeem gewoon door (dis)functioneren. […] En het is deze toestand die maar blijft voortduren die leidt tot nihilisme, en niet tot revoluties.[…]
Vanuit de wereld van de geïnstitutionaliseerde betekenisstructuren bezien, staan blogs voor verval. […] De gevestigde media verliezen hun vanzelfsprekendheid. Dat is niet een proces waarin opeens een explosie zal plaatsvinden. Het afbrokkelen van de massamedia valt niet direct af te lezen aan afnemende verkoopcijfers en slinkende aantallen krantenlezers. In vele delen van de wereld wint de televisie nog altijd aan kijkers. Wat afneemt is het Geloof in de Boodschap. Dat is het nihilistische moment, en blogs faciliteren deze cultuur als geen ander platvorm daarvoor ooit gedaan heeft. En terwijl blogs door de positivisten worden aangeprezen als mediacommentaar van de burger, helpen blogs de gebruikers bij hun oversteek van de Waarheid naar het Niets.
Het bloggen waar Lovink over schrijft is een bloggen dat zijn eigen krachteloosheid inmiddels veronderstelt als wezenlijk deel van zijn identiteit. Deze bloggers zijn met zijn allen ook maar een boerenlul die er het zijne van vindt, en wat hij zegt maakt toch geen verschil, dus kan hij het maar net zo goed gewoon zeggen. Het is een spreken dat ervan uitgaat dat het nooit uit de periferie zal treden. Daarom blijft het zo graag vrijblijvend.
Lovink’s stuk kwam ik tegen op een moment dat er veel discussies gevoerd werden rond het van start gaan van De Reactor. Het stuk leek iets te verklaren over die discussie, als je “traditionele media” vervangt door “bovenwereld”. “Bovenwereld” is binnen het poëzieblogjargon de term voor de oude, “officiële” poëziecircuits – met grote uitgevers, krantenrecensenten, prijzen enzovoort – en “onderwereld” staat voor de vrij wereld van de weblogs. De termen zijn ontleend aan een artikel uit 2005 van Hans Groenewegen, en sindsdien is de term “onderwereld” gretig binnengehaald door sommige poëziebloggers als een geuzennaam. (Zie deze
post van Ton van 't Hof uit 2005)
Wat Lovink schetst is een parasitaire houding bij het bloggen: afhankelijk van de traditionele media, waar het op commentarieert, maar niet in staat tot het vormen van een eigen wereld. Een analogon daarvan is ook in die bovenwereld/onderwereld wel te vinden. De "onderwereld" is zich lange tijd erg op de "bovenwereld" blijven richten. Zo kon er enige tijd geen prijs worden uitgereikt of op De Contrabas verscheen er wel een smalend stuk over het juryrapport van Chrétien Breukers. Van 't Hof citeert Groenewegen:
Uit weblogs spreekt vaak verontwaardiging over de boze bovenwereld. Die stelt normen. Men voelt zich buitengesloten. […] Tegelijk is men voortdurend op die bovenwereld gericht. Het lijkt soms verdorie wel of men erbij wil horen.
Maar natuurlijk is er ook een groot verschil tussen de situatie van het poëzieblog en die van het algemene blog dat zich op de journalistieke werkelijkheid richt. Immers, de poëzie wordt in de traditionele media steeds kariger bedeeld. En omdat distributie van informatie en artikelen via blogs veel makkelijker verloopt dan via papieren tijdschriften, konden blogs binnen de poëzie sneller een serieus alternatief gaan vormen voor de traditionele media.
Zo hebben sommige blogs zich wel inmiddels degelijk – willens-nillens, lijkt het wel eens – tot instituut ontwikkeld. Andersom was het voor sommigen in "de onderwereld" flink schrikken dat er plotseling een website bijkwam, De Reactor, met een redactie die voor een belangrijk deel uit de papieren tijdschriftenwereld afkomstig was. "Bovenwereld" en "onderwereld" zijn daarmee steeds minder duidelijk gescheiden werelden geworden. Niet iedereen lijkt die vervaging te verwelkomen.
Delen van de poëzie-blogosphere in Nederland komen er een beetje in de spagaat door. Die nihilistische reactieve houding is niet helemaal verdwenen, al staat die op gespannen voet met de toegenomen betekenis van de blogs. Eigenlijk dient het niet langer, als je blog een belangrijke rol is gaan spelen, om nog de afzijdige commentator, de betweter in de marge uit te hangen.
II.
Bovenstaande overwegingen zijn bedoeld als achtergrond voor mijn antwoord op Chrétien Breukers' recente
aanval op mij. In de comments onder die post heb ik beweerd dat Breukers bezig is met het construeren van een bedenkelijk discours. Dat is een bewering die je niet zomaar mag doen, dat moet worden uitgewerkt. Daarover gaat de rest van deze post.
1. Breukers, geboren miskend dichter, lijkt nooit te hebben kunnen functioneren zonder een vijand. Die vijand wordt altijd neergezet als iemand die in het establishment zit, of zou kunnen zitten, of gaat zitten. Het zijn academici of critici of juryleden of wat dan ook. Het zijn figuren waar Breukers een pretentie van autoriteit aan kan toeschrijven. Het zijn ook vrijwel altijd stropoppen, die Breukers nodig heeft om tegen te knokken. Breukers heeft "insiders" nodig om zijn zelfbeeld van onafhankelijke "outsider" te kunnen blijven bevestigen.
Dit terwijl zijn Contrabas al lang en breed een van de centrale poëzieplatforms van het taalgebied is geworden. Met De Contrabas kan Breukers zijn meningen aan iedereen slijten. Hij zou helemaal een eigen positie kunnen opbouwen, een oorspronkelijke, onafhankelijke stem laten horen, en daar heel veel effect mee sorteren. Maar wat hij te melden heeft is al te zelden onafhankelijk; het blijft in hoge mate reactief. De posts op De Contrabas die de meeste reacties oproepen zijn steevast posts waarin Breukers zich smalend over De Vijand uitlaat.
2. Die Vijand kan steeds een andere naam hebben. Toen hij nog leefde was Jeroen Mettes een geliefd doelwit; maar het kan ook Reugebrink zijn, of Gaston Franssen. Eigenlijk doet het er niet precies toe wie het is. De laatste tijd ben ik het steeds meer. Het patroon en de strategie is toch altijd hetzelfde: buiten context citeren, belachelijk maken, suggestief schrijven, en vooral nooit, maar dan ook nooit een directe confrontatie over een inhoudelijk punt aangaan.
Mijn status van de jongste Vijand heb ik er waarschijnlijk vooral aan te danken dat ik Breukers altijd heb uitgedaagd om zijn aanvallen te expliciteren en zijn kritieken te onderbouwen, wat hij nooit deed (en wat hij ook gewoon niet zou kunnen, daar ben ik van overtuigd). Vanzelfspreken ging hij me daarom lastig vinden. Het mooie van Breukers' jongste aanval op mij is dat die aanval ongebruikelijk inhoudelijk is. Niet consistent, niet doordacht, maar wel inhoudelijk. Daarom ook schrijf ik deze reactie. Die inhoud interesseert me.
3. De Vijand is vanzelfsprekend verantwoordelijk voor alle kwaad in de wereld. In dit postje heet het dan dat allemaal prachtige dichters niet in contact komen met het publiek dat ze verdienen, vanwege wat ik (en 199 naamloze Kenners met mij) zoal schrijf.
Een volstrekt idiote paranoïde redenering, natuurlijk. Als hardstikke goeie dichters als Budé of Hubers geen publiek bereiken, dan verdienen ze een betere marketing. Maar ga me niet lopen vertellen dat het aan mij ligt. Omdat ik bijvoorbeeld een stukje heb geschreven over Al Galidi of over Arjen Duinker. En ga me al helemaal niet lopen wijsmaken dat Budé minder bundels verkoopt omdat ik een zogenaamd ergens onleesbare passages zou hebben geschreven over een totaal ander onderwerp. De macht die mij (en/of 199 Kenners) hier wordt toegeschreven is een buitensporig fantasme.
4. De Vijand moet worden toegerust met bedenkelijke meningen en posities en vooroordelen die het bestrijden waard zijn. De Vijand moet in feite worden uitgevonden om hem te bestrijden. Dus verzint Breukers "200 Kenners". En beschrijft ook even wat die Kenners allemaal vinden. Dat blijkt een verdomd warrig geheel te zijn, dat eigenlijk alleen maar bestaat uit wat willekeurige klokken zonder bijbehorende klepels. Die 200 Kenners hebben het kennelijk de hele dag over verontrustend laatpostmodernisme en het ontregelend afbreken van de traditie (al of niet van de breuk). Inderdaad, dat is het soort mensen dat ik niet wil kennen - en dat ik gelukkig ook niet ken.
Aangezien ik tot die mythische 200 Kenners word gerekend zou het wel leuk zijn om aan die Kenners minstens wat posities toegeschreven te zien worden die ik ook de mijne zou noemen. Helaas slaagt Breukers daar niet in. Zo ben ik in het geheel niet tegen welke traditie dan ook en ben ik niet geïnteresseerd in enig "afbraakwerk". De term "traditie van de breuk" zul je mij dan weer niet snel zien gebruiken. Postmodern en laatmodern zijn te algemene begrippen om zomaar in te zetten. Ik zou wel woorden als "verontrustend", "ontregelend" en "dwingend" durven gebruiken, maar alleen als ik ze een specifieke invulling kan geven binnen een tekst. Maar het is zeker niet zo dat voor mij poëzie "verontrustend, ontregelend en dwingend" moet zijn. Aan dat soort voorschriften doe ik niet. Er is ook teveel poëzie waar ik van hou die ik zo niet zou omschrijven.
(4b. Argumentatie is sowieso niet Breukers' forte. Hij schrijft aan mij, in mijn incarnatie van 200 Kenners, toe dat ik tegen toegankelijke poëzie ben, en gebruikt daarvoor een citaat uit een nogal positieve bespreking van de uiterst toegankelijke Al Galidi.
Tja.
Maar dat terzijde.)
5. Dus blijft de stijl over. Het slapste wapen van de outsider-zeikerd die Breukers zo graag wil zijn: je citeert een zinnetje buiten verband, gaat dan heel opzichtig een vies gezicht trekken, en klaar is kees. Inderdaad, schrap de context en wat je citeert wordt helemaal vanzelf onzin. Zo makkelijk is het.
6. Goed, tenslotte dat bedenkelijke discours. Breukers heeft héél vaag een Vijandbeeld neergezet. Met wat die Vijand allemaal precies vindt heeft dat beeld niets te maken; inhoudelijke positiebepaling speelt geen enkele rol bij Breukers' polemieken. Het gaat er louter om dat die Vijand iets is, of vertegenwoordigt, waar Breukers jeuk van krijgt.
Breukers schetst de Vijand vooral aan de hand van een vage aanduiding van zijn vocabulaire en schrijfstijl. Eigenlijk is het enige waar de Vijand uit bestaat een sfeer, een toon. Dat is de toon van de "Kenner" die zich graag theoretisch uit over poëzie. Eigenlijk is de vijand een
manier van spreken.
Wat is er nu zo erg aan die manier van spreken? Breukers schetst het effect aan de hand van een mythe.
Vroeger, lang geleden, toen de wereld nog heel was, functioneerde het systeem van de poëzie. Het was een gelukzalige wereld waarin de gedichten direct van grote dichter naar grote schare hongerige lezers vloeiden, zonder tussenkomst van wie dan ook.
"Allemaal heel overzichtelijk." schrijft Breukers, om met zijn kenmerkende stilistische brille te preciseren:
"er was, ik zeg ook maar wat, een bepaald circuit, waarbinnen dat werk - ik besef dat ik het echt over héél vroeger heb - een rol speelde."
En toen kwamen de Kenners, en die braken de heelheid van de wereld, die verstoorden de natuurlijke kringloop, die gingen zomaar tussen de lezers en de dichters in staan.
"Dat die dichters geen groot publiek bereiken, of een publiek dat niet groot genoeg is, is mede te wijten aan het gelul van critici-achtigen die zich bezondigen aan dergelijk proza," analyseert Breukers de poëziemarkt. En:
"Want als de kritiek een in zichzelf gekeerde wereld vormt - poëzie-vijandig, afkerig van taal, vijandig tegen lezers - dan wordt het genre, de poëzie zelf, blijvende schade toegebracht."
Met andere woorden: vroeger was de poëzie heel en onbeschadigd, maar nu beschadigen de Kenners de poëzie. De conclusie die Breukers niet expliciet trekt is: de Kenners moeten buiten de poëzie worden gehouden.
Maar aangezien die Kenners niets anders zijn dan een toon, een manier van spreken, komt Breukers' verhaal neer op een pleidooi voor een verbod van een zekere manier van spreken uit naam van een mythische vroegere heelheid van de poëzie.
Binnen de poëziewereld zoals Breukers die wil zien heeft niet elke manier van spreken een plaats. De poëzie moet gezuiverd worden van "Kenners", wie dat ook zijn. Daar komt het op neer. Het gaat dus om uitsluiting.
En dat bedoel ik met een bedenkelijk discours.