Thursday, June 06, 2013

XS4ALL discontinueert per juli 2013 de weblogdienst. Dat betekent dat Vriezen Vindt... op deze plek stopt en ook niet meer te raadplegen zal zijn als archief.

Bij wijze van noodoplossing heb ik het complete archief van alle posts, inclusief commentaren, onder deze link geüpload. Het archief staat in xls-format, en moet dus via een spreadsheet gelezen worden, maar tenminste is het hele blog zo te doorzoeken voor wie daar nog enige behoefte aan zou hebben.

Vriezen Vindt... is de laatste jaren niet heel actief geweest. Voor een mogelijke herstart heb ik al wel een pagina op blogspot geopend: Vriezen Vindt Voorts..., want we zijn nog niet van de afschuwelijke alliteraties af. Wordt vervolgd.

posted @ 5:04 PM | Feedback (0)

Sunday, May 05, 2013

Mijn compositie Disaster Songs, gedichten van Rob Halpern, uitgevoerd door de David Kweksilber Big Band, met de onvergelijkbare Claron McFadden in het Muziekgebouw eerder dit jaar.

posted @ 3:56 PM | Feedback (0)

Tuesday, April 30, 2013

De tekst van mijn voordracht over leegte bij Jeroen Mettes, vorig jaar gehouden in Perdu en in aangepaste vorm gepubliceerd in nY #17, is nu te lezen op nY-web.

Mijn tekst riep bij Piet Joostens enkele vragen op, en die zijn ook op nY-web te lezen.

posted @ 10:57 PM | Feedback (0)

Thursday, March 07, 2013

Weinig geblogd, de laatste maanden. Ondanks dat heb ik vol frisse moed een nieuw blog geopend om Engelstalige posts op te publiceren. De bedoeling is in eerste instantie om het blog te gebruiken om notities en fragmenten van theoretische aard, die wellicht interessant kunnen zijn, openbaar toegankeljik te maken; het is niet mijn bedoeling het blog speciaal vaak te updaten. Voorlopige blogtitel: Detemporalizing. De eerste post betreft een kleine correspondentie tussen musicoloog Gilbert Delor en mijzelf over de compositie The Weather Riots en over de rol van zogenaamde 'block designs' in mijn werk en dat van Tom Johnson.

posted @ 11:50 PM | Feedback (0)

Monday, October 08, 2012

Chord Catalogue Crowdfunding Call from Samuel Vriezen on Vimeo.



Jawel, ik ben op zoek naar veel mensen, met elk een beetje (of eventueel veel) geld. En dat is omdat ik een bijzonder project wil financieren: een CD-opname van twee stukken, die een belangrijk deel zijn geweest van mijn leven in de laatste tien jaar, namelijk The Chord Catalogue van Tom Johnson, en mijn eigen Within Fourths/Within Fifths.

Voor het hele verhaal, en de mogelijkheid om in harde dollars een zachte bijdrage te leveren, zie de campagne-pagina.

posted @ 3:36 AM | Feedback (-1)

Sunday, July 15, 2012

Ook Rutger Kopland is ons nu ontvallen. De dood van Komrij werd daarmee oud nieuws, nog geen dag na het afscheid van hem in Felix Meritis. Tijd, misschien, voor wat eigen overpeinzingen. De man stond in veel opzichten ver van me af, maar was in de laatste jaren, via internet, toch een aanwezigheid geworden. "Wonderlijke ziel. Vleesgeworden paradox, established rebel", was mijn eerste reactie op Facebook toen Komrij net was overleden. Zijn persona en positie, het alomtegenwoordige gedweep ook met deze ogenschijnlijk weerbarstige figuur, intrigeerde me al langere tijd. De persoon leek me complex maar niet onsympathiek, en zijn humor kon ik best waarderen. Zijn positie daarentegen was heel problematisch, misschien zelfs voor hemzelf. Hier wat aantekeningen over zijn vele paradoxen.


                     *


Hoe hij voor Nederland heeft willen doen wat de Oulipianen voor de Franse literatuur hebben gedaan: iets als een hoognodige speelse tournure richting vorm als tegenkracht tegen al te hoogdravende surrealistische metafysica. Maar daarin heeft hij nooit de extremiteit van zijn voorbeelden geëvenaard. Zo is hij, liefhebber van de 'patafysica en vertaler van Jarry (ik ben nog altijd blij met zijn versie van Le Surmâle), uiteindelijk een soort klassieke dichter geworden, als een Roubaud zonder grote projecten.

Hij schmierde in zijn werk graag met een radicaal ogend materialisme - geen hogere waarde zo eeuwig of ze werd doodgedicht in een sonnet - dat op zijn beurt in het postpolitieke, verplicht liberale Nederland juist zo behoudend-burgerlijk uitpakt als het ogenschijnlijk met de bourgeois-moraal breekt. Hij schreef tenslotte wel in NRC handelsblad. Zonder zijn air van elitaire verfijning ooit af te doen is hij zo een populist binnen de poëzie geworden (als een voorafschaduwing van die andere grote rebels-conservatieve homo, Fortuyn?), en alsof het per ongeluk ging extreem populair.

Die positie heeft hij dan weer ingezet voor een grote en zonder twijfel nobele verheffings-arbeid met zijn bloemlezingen en zijn rubrieken en zijn poëzieclubs. Onvermoeibaar was hij "de poëzie" aan het populariseren (maar natuurlijk niet zonder lelijk te blijven doen over zijn vijanden, al was het maar voor de bühne). Met die inzet heeft veel lezers geraakt en geholpen. Maar ook daarover moest hij zich later weer ambivalent uitlaten.

Zonder twijfel schreef hij soms erg goeie columns. Met name aan zijn besprekingen van uitspraken van politici heb ik veel plezier gehad. Maar wat ik las van zijn gedichten verraadt in veel regels absoluut intelligentie en veel talent, kleurrijk, effectief, vaak een goed oor, en toch blijven ze als geheel bij dat talent achter. Ze zijn vaak slordig (opzettelijk? maar waarom dan?), gemakzuchtig soms zelfs, formeel weinig spannend. Een dichter die als persoon belangrijker was dan zijn eigen poëzie?


                     *


NRC bloemleesde bij Komrijs dood vijf "mooie gedichten". Daaronder een gedicht dat me verbijstert, het gedicht "Maskers". Ik wil het niet hier citeren, men kan de link volgen. Ik zie bij Maskers niets "moois", maar vooral technische onbeholpenheid. Het lijkt wel geheel te zijn opgetrokken uit clichés, zwakke metaforiek, onduidelijk beeldgebruik, onnodige stoplappen, krukkige formuleringen, zelfs zinnen die niet kloppen zonder dat ik begrijp waarom. Maar dat is niet wat me verbijstert, er zijn wel meer slechte gedichten van goede dichters. Wat me verbijstert is dat Komrij, geen slecht lezer, dit zelf moet hebben ingezien. En nog meer: dat er kennelijk lezers zijn die het voor grote poëzie houden. Die lezers lijken wel overrompeld door de pathetiek van het gedicht in combinatie met Komrijs belangrijke positie. Wilde hij zijn lezers een loer draaien of zo? Of had hij voor de "ernst" van zijn onderwerp bij wijze van ironie een slechte techniek nodig? Is het een soort proto-flarf? Wat is hier toch aan de hand?

Het is niet aardig om van iemand die net dood is het alleen over slechte gedichten te hebben. Zeker niet omdat er absoluut veel betere gedichten van hem zijn te vinden. Helaas ken ik geen gedichten van Komrij die wel echt diepe indruk op me hebben gemaakt. Toch konden ze zeker intelligent zijn en goed gehoorde, levendige, kleurrijke regels bevatten. Laat ik dan één gedicht citeren, ook een veelzeggend gedicht, dat hij als enige eigen gedicht in de eerste versie van zijn bloemlezing had opgenomen, en waarvan me heel af en toe wel degelijk, als een soort waarschuwing, de slotregels te binnen schieten:


           DE DICHTER

           Toen het letterkundig tijdschrift
           Hem een briefje toe deed komen,
           Waarin stond 'Mijnheer, uw verzen
           Waren lang niet slecht, we zullen
           Er eerdaags een paar van plaatsen,'
           Zwol zijn borst tot slagschiphoogte.
           Heel zijn leven werd nu anders.
           Hij ging doen alsof hij grote
           Mensen hoogstpersoonlijk kende.
           Hij zei stad wanneer jij blad zei.
           Hij zei held wanneer jij speld zei.
           Hij zei ach wanneer jij dag zei.
           En daarvan wilde hij leven!



                     *


Misschien heeft hij gewoon nooit de poëzie geschreven die hij eigenlijk had willen schrijven. Geen probleem natuurlijk, dat overkomt de beste dichter. Maar de kloof tussen poëtisch bewustzijn en publieke verschijning was opvallend (nogmaals gezien zijn blijvend beleden liefde voor 'patafysica en Oulipo - zie de blogrol van zijn weblog). Vandaar wellicht al die publieke wanhoopskreten? al dat gedoe over die maskers, dat gekoketteer met het gevoel ondanks alles onbegrepen te zijn, de combinatie van ijdelheid en behaagzucht? De poëticavijandigheid ook? Zodat "de poëzie" een volkomen willekeurig persoonlijk smaakoordeel kon blijven. Iets waarover eigenlijk geen fundamentelere discussie mag, of kan, worden gevoerd. Een eigen heiligheid voor een ontheiligde wereld.

Op het moment van zijn overlijden had het Centraal Boekhuis in het systeem nog een titel of 20 staan van boeken van Komrij die nog hadden zullen verschijnen bij uiteenlopende uitgevers. Ongetwijfeld waren de voorschotten al wel betaald. Ik vind dat een grappige gedachte. Als je tegen het Fonds bent haal je het uit de Markt, dat is logisch. Tenzij hij die boeken eigenlijk ook echt geschreven had willen hebben natuurlijk.


                     *


Een paar weken na de dood van Gertrude Starink schreef hij een zeer onaardig stuk over haar poëzie in NRC. Een paar weken na de heruitgave van haar complete werk was een bewerking daarvan zijn laatste post op zijn weblog. Een paar weken daarna stierf hij zelf. Deze poëtische antipathie is niet moeilijk te begrijpen. Bij Komrij mochten de twintig scherven op geen enkele manier in elkaar passen. Laat staan dat hij de lezer oproept de delen zelf te verbinden.


                     *


Heel die paradoxale zaak moest met ironie bij elkaar gehouden worden. Ook zijn woede werd zo een maniertje en helemaal op het eind leek het wel een methode om facebook-likes te oogsten. Iedereen (op zijn zorgvuldig geselecteerde vijanden na uiteraard) vond het reuze grappig, zoals Komrij tekeer kon gaan. Wat leuk zoals hij boos is, wat leuk zoals hij scheldt. Elke willekeurige villeine kwinkslag die hij in zijn laatste tijd plaatste kon steevast rekenen op vele dozijnen duimpjes omhoog en honderden instemmende commentaren. Dat wordt vanzelf tragisch. Want men (toch zeker een smurf of negen) vond het ook reuze grappig om zijn allerlaatste comment te lezen op Facebook, waarin hij verklaarde zojuist uit een coma te zijn bijgekomen.

Hoe komt het toch, dat iemand die de woede vooral speelt, maar tegelijk altijd ongrijpbaar probeert te blijven, zo op handen gedragen kan worden als belangrijk intellectueel in Nederland? Het is alsof er een grote behoefte bestaat om het onbehagen in de cultuur een plaats te geven, die liefst door een scherpe polemist moet worden ingevuld, een die flink tegen elites tekeer gaat – alleen dan wel eentje die nooit echt zijn eigen positie zal prijsgeven. En daarom ook geen echt verontrustende boodschappen heeft voor de gewone man (bijvoorbeeld dat die zelf eens iets zou kunnen doen).

Wat zegt Komrijs populariteit toch over Nederland? Waarom dat verlangen naar de rebel, als het maar wel een beetje een grappige is? Waarom dat delegeren van woede, maar geen enkel verlangen naar eigen actie? Of zou achter het hele spel inderdaad nog een verborgen knipoog zijn schuilgegaan, die echt alleen door een zeer klein groepje van insiders naar waarde kon worden geschat? Je weet het maar nooit met die ironie tenslotte.


                     *


Gaan we hem missen? Ja, natuurlijk. Ook al was ik het vaak met hem oneens: zijn aanwezigheid was sterk, levendig en niet te vervangen.


                     *


Komrij was een wijs man die geen comments op zijn weblog toestond. Bij wijze van eerbetoon doe ik deze keer hetzelfde.

posted @ 8:26 PM

Wednesday, June 13, 2012

Op 12-06-2012 droeg ik mijn bundel "4 Zinnen" integraal voor in De Meent. Hier zijn de opnames te beluisteren:




Introductie op de voordracht


Voorwerk (titelpagina, copyrights, inhoud)

Kromming
Gewrichten
De Wolken (vertaling van C. Tarkos, Les Nuages)
steden            tot de toekomst

Verantwoording

posted @ 6:23 PM | Feedback (0)

Wednesday, December 14, 2011

Een discussie'tje over eindrijm op Ooteoote bracht me een van John Ashbery's meest extravagante gedichten in herinnering, een tekst uit The Double Dream of Spring uit 1976 die ik bijna drie jaar terug vertaalde voor DWB. Het rijmelende middenstuk, waarvan ik me voorstel dat Ashbery het zelf op een namiddagje gniffelend in elkaar heeft gedraaid, heeft me destijds ongeveer een dag per distichon gekost.




Variaties, Calypso en Fuga op een Thema van Ella Wheeler Wilcox


"Want voor 't genoegen van de velen
Was ooit 't werk van één van nut
Zoals een hand, een eikel plantend
Legers tegen zon beschut."
En op plaatsen waar jaarlijks 0.018 cm regen valt
Is het zo'n genoegen om onder de boom te liggen, om te zitten, te staan, op te
      staan onder de boom!
Im wunderschönen Monat Mai
Heerst een gevoel dat je nooit meer bij de boom weg wilt,
Van overwegend vrede en ontspanning.
Mocht je wel een momentje de schaduw uit stappen,
Dan enkel om met een hernieuwde verwachting terug te keren, van vervulde
      verwachting.
De duivel hale onzekerheid! Er zit iets in dit alles, wat ons niet zal ontsnappen:
Op te groeien in de schaduw van vriendelijke bomen, met onze broeders om
      ons heen.
En waarlijk, nooit was jongvolwassenheid zo:
Zulk genot, zulke oplettendheid, zulke bevestiging van de manier waarop de dag
      helemaal rond komt.
Zeker, de wereld komt heel wat sneller rond
Als er hoogtepunten op de lippen liggen, onuitgesproken ware woorden in het
      hart,
En de hand een lok kastanjebruin haar opzij blijft strijken, alleen om hem weer
      op zijn plek te doen terugvallen.
Maar aan al het goede komt een einde, dus moet men voortgaan
De ruimte in die onze conclusies achterlieten. Is dit oud worden?
Welnu, het is een goede ervaring, om zich van enkele beproefde idealen te
      ontdoen, enkele oude houvasten,
En zelfs als je niets vindt om ze door te vervangen is het een goede ervaring,
Omdat het, zoals dat gaat, je voorbereidt op de ontsteltenis die komen zal.
Maar - en dit is de kern van de zaak - wat als ik alles gedroomd heb,
De takken, de namiddagzon,
De vertrouwensvolle kameraadschap, de liefde die steeds alles bevloeide,
Die meteen wegzakt naar de wortels zoals het hoort?
Want pas later, in de onmetelijke droefgeestigheid der steden, daar pas leer je
Hoe de ideeën alleen maar goed waren omdat ze moesten sterven,
Jou alleen en ontveld achterlatend, een tekening van Vesalius.
Dit is wat bedoeld wordt, en waar alles toe voert:
Dat de boom verschrompelt in een hitte van 50 graden, de eikels
Verstrooid op de versleten aarde liggen als oogbollen, en de tinnen soldaatjes
      hun schouders ophalen en ertussenuit knijpen.


Zo ging onder de bomen mijn jeugd voorbij
Ik kon overal heen en was helemaal vrij

Ik was tien jaar en bracht Parijs een bezoek
En sprak menig schrijver van een belangrijk boek

Het zien van de alpen was bijna een droom
Mijn tranen welden op in een machtige stroom

De Akropolis raakte een gevoelige snaar
Ik had de Griekse denkers gelezen, vandaar

In het Colloseum brak het nagenoeg mijn hart
Te denken aan wie daar eerst was, aan het onrecht en de smart

Op de Ararat stond ik en op zwol mijn gemoed
Want daar was zo lang terug die enorme vloed

Aan de oever van de Ganges stond ik in de drab
Het water lichtte rood op als een bloederige pap

De Chinese Muur, wel alsjeblieft!
Net een blauwe boon die de lucht doorklieft

Door mensenhand gebouwd wordt hij gevreesd en geliefd
Wat de mens al niet vermag als hij geweld niet meer blieft!

Ja veel heb ik gezien, ik leerde overal een les
Op elk der zeven zeeën, elk continent van de zes
Maar de beste plek die schrijf je T-H-U-I-S.

Nu dat ik mijn huis opnieuw bereiken mocht
Zal ik nooit meer beginnen aan een nieuwe grote tocht

Er is een holletje van waarheid in de groene aardse sprei
En als je dat kunt vinden lig je er warmpjes bij

't Is vast niet voor eenieder zo geschikt als voor jou
Maar je houdt nog niet op met wat je ondernemen wou.

Je moet bedenken dat dit bij jou hoort
Het is daarom dat men je nooit eens bloemen stuurt

Ja wat ik U verkondig is geldig voor altijd
Doe onvoorwaardelijk dat waar je kunst je toe leidt

Want geen ander zou het doen als jij het niet doen zou
En zo'n ander verschilt toch wel erg veel van jou.

Het is de wind die komt van ver
De waarheid van de verste ster

Die dingen daar doe je vast nooit meer iets mee
Dus doe rustig aan en leer je ABC

Want de droom die niet uitkomt is het die ik vertrouw
Die stroom te volgen is het beste voor jou
En dat heeft ook de glans die het meest passen zou.


"LAAT MIJN DROOM UITKOMEN." Deze boodschap, gezet in 84-punts Hobo, deed iedereen opschrikken in de ochtendedities van de krant: de oude, slechts ten dele verworven zekerheid stoort de nieuwe onderbreking. En nu de feestdagen er aan zitten te komen wordt het duidelijk dat het heden zal blijven plakken: de grote fanfare van het bewustzijn van dat specifieke moment valt de pleinen en de nauwe steegjes binnen. Driekwart van de huizen in deze stad staat op dunne stelten, tengerder dan meisjespolsen: hoofdzakelijk een kwestie van je voeten drooghouden, en van privacy. 's Ochtends raak je kwijt wat de straf was. Vast iets als een pretzel eten of de achtertuin ingaan. Je ziet het hoe dan ook niet. Dat soort dingen kan veel helderder zonder wie dan ook te kwetsen. Maar daar volgt niet uit dat zulke kwesties het meest voortvarende geldelijke gewin zullen opleveren voor jou.

Vrijdag. Echt, we missen jou.

"Het meest passende" was alleen niet die waar speciaal om gevraagd werd en ook niet die ene die in de lobby rond zat te hangen. Het was gewoon die waarnaar gevraagd werd, dag in dag uit - wat er overstroomde, en de afvoer toeviel. Wat een hond onderscheidt, zoals een hond loopt. De gedachte aan een hond die loopt. Niemand begon ooit weer over het incident. De zaak was officieel gesloten. Misschien waren er koren van stilzwijgende dankbaarheid, opwellend in de lentenacht als een wolkenkolom, die zich uitstrekt naar de spanten van de hemel - maar dat was hun zaak. Punt is dat geen oor ze ooit hoorde. Zo kon het gaan lijken alsof het incident, om het bij een van zijn namen te noemen - keuze, gedrag, afwezige frons kunnen ook - niet alleen nooit was gebeurd, maar alsof het nooit had kunnen gebeuren. Verzegeld in de muur van alles wat dat seizoen gaat aanvoeren. Zodat het voor een schamel handjevol mensen - simpele zielen voornamelijk en aan lagerwal geraakten - de enige ware versie werd. Verder deed niets er toe. Je had brood 's ochtends en 's nachts, terwijl de dadels lusteloos uit de bomen vielen - man, vrouw, kind, etterend en schitterend in één enkele kring. Het antwoord op 'hallo'.

           Roze paars en blauw
           Hoe deed jij dat nou

De twee dagen daarop verliepen merkwaardig voor Peter en Christine, ze behoorden tot de meest meeslepende die ze hadden meegemaakt. Aan de ene kant een uitgestrekt open bassin - of zee; aan de andere een nauwe landtong, eindigend in een kreupelhoutbosje met hier en daar wat verstrooide vervallen bijgebouwtjes. Dat de bei - bei met korte ei, oosterse heerser - hun vrijlating had verordonneerd, maakte niet uit, ze hadden een gek gevoel dat ze daar altijd zouden moeten zijn, overeind gehouden door uitzichten via de ether, ze missen Moeder en Alan en de rest maar het is ook erg rustig, een soort bezigheid die een eigen levenswijze biedt, zonnebloem aan de zon gekluisterd. Kan dat zich ooit oplossen? Of wordt de vorm van iemands gedachten beheerst door onverbiddelijke wetten, zoals bij Dürers Adam en Eva? Zo elkaar wederzijds uitsluitend, en zo steil - Himalayas tegen elkaar aan geklemd als woonflats in New York. Wat een blaam toch, wat een decrescendo. Mijn zonde is tobben. Vergeet het. Het continue opsplitsen, het oorverdovende geluidsniveau van een brekende poolkap is net wat je wou. En je hebt het gekregen, dus hou je kop.

           Waas van kristal
           Heel de week al

Veel slaap is een belangrijke factor, net als in je ogen wrijven. Toen hij uit de metro stapte, werd hij plotseling hongerig. Hij ging een tent in, een tent die hij kende en bestelde een hamburger en een kop koffie. Hij was lang niet in deze buurt geweest - niet sinds zijn kindertijd. Hij speelde altijd straathonkbal op de verlaten terreinen aan de andere kant van de straat. Soms hadden hij en zijn vriendjes mot met wat oudere jongens, dan kwam hij moe en bloedend thuis. Maar de meeste dagen liepen hetzelfde. Hij zei 'hoi' tegen de andere kinderen en zij zeiden 'hoi' terug. Aardige jongens. Uiteindelijk besloot hij even langs de oude lagere school te lopen waar hij als kind op had gezeten. Het was een rommelig gebouw van gele baksteen, nu vervallen tot een haveloosheid die genadig werd verzacht door de schaduwen van de late namiddag. De speelplaats met de kiezelsteentjes werd overwoekerd door het onkruid. Grote bomen en struiken aan weerszijden van de hoofdingang zouden geen kwaad kunnen. De tijd liet een scheet.

           De eerste schok doet het keukenrekje rammelen,
           De tweede rukt de deur uit zijn hengsels.

"Mijn beste," zei hij vriendelijk, "U zei dat u professor Hertz was. U moet mij verontschuldigen als ik u zeg dat het bericht mij doet schrikken en me in de war brengt. Als u weer sterker bent heb ik enkele vragen voor u, als u zo vriendelijk wilt zijn ze te beantwoorden."
      Niemand was voorbereid op het antwoord van de man op deze schijnbaar onschadelijke opmerking.
      Zwak als hij was, verhief Gustavus Hertz zich op zijn elleboog. Wild keek hij om zich heen en loerde angstig in de beschaduwde hoeken van de kamer.
      'Ik vertel je niks! Niks, hoor je?' gilde hij. 'Wegwezen! Wegwezen!'


                     - John Ashbery

posted @ 3:24 PM

Tuesday, October 25, 2011

Op het terrein van Occupy Amsterdam is een dagelijkse leesgroep begonnen, die op dit weblog verslag uitbrengt van de discussies rond de gelezen teksten.

posted @ 5:13 PM | Feedback (0)

Thursday, October 13, 2011

Een collectief dat zich "De Naamloze Vennootschap" noemt heeft zojuist een Manifest het internet opgestuurd ter ondersteuning van de komende Occupy Amsterdam op 15 oktober. Het manifest wil zo veel mogelijk verspreid worden. Kopieert en stuurt rond!

posted @ 1:51 AM | Feedback (0)

Thursday, August 04, 2011

Over een paar uur vertrek ik met vrienden naar Kosovo, voor het Damoclash-festival. Dit in de mening dat experimentele poëzie, melodica-recitals, bandjes en feesten een de-escalerend effect zullen hebben. Of in elk geval niet al te veel extra ellende veroorzaken. Maar nu eerst iets over de bundel van Martijn Benders, Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem. Die bundel heeft hij me een maand of twee geleden al toegestuurd en ik heb hem eindelijk uit.

Het is de perfecte bundel om mijn serie “toegezonden” mee te openen. Benders zelf behoeft inmiddels geen introductie, want hij heeft zelf de afgelopen tien jaar niets anders gedaan dan introducties op zichzelf verzorgen. Om niet te zeggen dat heel internettend literair nederland inmiddels al wel met hem te maken gehad heeft, en als hij nog geen ruzie met u gezocht heeft, dan komt dat morgen wel.

Zelf ken ik Benders al ruim tien jaar. Dat gaat terug op de tijd dat ik op nieuwsgroepen pedant deed over poëzie als displacement activity om niet te componeren. De laatste jaren componeer ik meer om niet te hoeven dichten. Heel handig, meerdere beroepen: je komt altijd ergens mee verder, zij het nooit met datgene wat je eigenlijk denkt te moeten doen. Hoe dan ook, we hadden in die tijd de grootste lol met het nauwgezet van commentaar voorzien van gedichten van elkaar en van de andere nieuwsgroepleden. Er zat veel enthousiasme en veel slordigheid bij die gedichten. Om niet te zeggen dat ze vaak gewoon niet zo goed waren. Maar het was gezellig, zoals het later op de blogs nog gezelliger werd, en de gezellig op Facebook nu zo ongeveer tot een meltdown komt.

Hoe informeel en slordig ook, bij Martijn zat er in elk gedicht wel een geïnspireerde wending. Iets amusants, verrassends, energieks. Na een paar jaar verloor ik hem half uit het oog, hij verhuisde naar Istanbul, ging in zaken. Maar bij de opkomst van het bloggen was hij er weer, en dubbel zo aanwezig als voorheen. In 2008 kwam hij uiteindelijk bij Nieuw Amsterdam met een mooie debuutbundel, Karavanserai. Nou ja, debuutbundel, er was een paar jaar eerder al een .pdf-bundel verschenen onder de titel Boekhouders en draken en de schouders waarop zij soms moeten uithuilen, maar over die bundel hoor je nooit meer wat en er is ook geen downloadlink meer te vinden. Kennelijk is hij teruggetrokken. Wat jammer is want in mijn herinnering stonden er mooie gedichten in. Karavanserai was wel een ambitieuzer opgezet debuut. Om niet te zeggen, overladen, een dichter die de lezer alle hoeken van de kamer wilde laten zien. Het effect was er: tegelijk onderhoudend en te veel van het goede, vol grillige sprongen en vondsten. Het slordige dat ik nog van de nieuwsgroependiscussies kenden was weggepoetst. In plaats daarvan waren de gedichten soms erg volgestouwd en strakgetrokken.

Inmiddels is Benders weer teruggegaan naar het zelf uitgeven, en gelijk heeft hij. Je verdient meer aan 50 verkochte exemplaren via Lulu dan aan 250 via een uitgever en boekwinkel. En erg ver hoeven de oplages niet uit elkaar te liggen. Willem is dus nu helemaal door Martijn zelf geschreven, geredigeerd, ontworpen. Dat geeft ruimte. Het hoeft niet in de winkel te liggen, dus hoeven er ook geen hinderlijke teksten op het omslag te staan, zoals “auteursnaam” en “titel” en dat soort dingen dat niemand ene zier aangaat.

Zal ik nog iets over wat er in het boek staat zeggen? Het is erg leuk en iedereen moet het lezen! Dat lijkt me het belangrijkste.

Nou goed. Toch nog een paar dingen. Ten eerste vond ik het prettig dat Willem wat ontspannener lijkt te zijn dan Karavanserai. Niets ten nadele van het eerder boek, maar volgens mij past dat lichtere goed bij de toon van Benders. Ik denk dat zijn kracht uiteindelijk in de schijnbare achteloosheid zit waarmee hij je kan verrassen met een op het eerste gezicht vergezochte metafoor of beeld. Die wendingen hebben iets goochelachtigs, maar dan minder kinderfeestjesachtig, het is een performance, en dat werkt het beste als de vorm ook iets lichts houdt. Er zit een grote denksnelheid in deze gedichten. En gelukkig ook soms iets slordigs, of schijnbaar vrijblijvends. Je moet als lezer denk ik ook niet te lang naar de wendingen kijken en ze “duiden”, voor je het weet mis je het belangrijkste, de soepelheid van de geste. Het is al zo geweldig dat het gezegd kan worden:


Ik kom verkleed als Tweede Wereldoorlog
op jouw verjaarsfeestje.



Dat soort dingen. Ik hou het even bij één voorbeeld. Voorbeelden hebben al snel het uitvergrotende kritische effect dat ik hier helemaal niet wil hebben. Maar elk gedicht heeft wel iets fris, zo’n vonkend moment, al vonkt het soms maar even en verdwijnt het als je er te goed naar kijkt. Dat levert een bundel op die onderhoudt en niet teleur stelt. Fantastisch dus. Ook zijn de gedichten gaaf bijgeschaafd, netjes in de vorm. Soms naar mijn smaak te netjes. Een gedachtensprong wordt dan te mooi aan het eind van een gedicht afgehecht. Motieven komen in een afsluitend gebaar aan het eind van een gedicht toch nog de zaak bij elkaar houden. Vaak niet nodig, denk ik. Maar soms werkt een strakke vorm juist heel overtuigend, zoals in Bezoek aan de afdeling voor wonderen: twee strofes, twee keer vijf regels, waarin de ikfiguur vóór de witregel door een stel bureaucratische engelen het bij hem passende “wonder” krijgt toebedeeld, waar op hij na de witregel “brandschoon” weer buiten staat om naar huis te gaan, waar de visite op hem wacht. Simpel en geen speld tussen te krijgen.

Zo’n verhaal past ook bij de opvallend cynische ondertoon in de hele bundel. Die toon heeft me wel wat verrast. Er is heel veel satire op het saaie burgelijke leven. De dichter moet permanent in oorlog met de conventie, en het lijkt erop dat die oorlog niet altijd wordt gewonnen, ondanks alle inventiviteit.

Dat geldt ook zeker voor de vijf gedichten die zijn afgeleid van een project dat Martijn eens samen met mij is begonnen, nu vijf jaar geleden. Vlak na de zelfmoord van Jeroen Mettes wist hij me te verleiden tot het schrijven van wat het grootste gedicht in het Nederlands moest worden. Dat begon met de dichtregel “Mannen met banen hebben grotere lullen”, en eindigde met ellenlange canto’s, vooral door Martijn en mij geschreven, maar ook met gastauteurs Eva Cox, Bart van der Pligt en Morphin van Geeuwen. Het hele project zou “Op vakantie met de pauzeman” gaan heten. Uit het materiaal dat we gezamenlijk gedurende twee maanden wisten te produceren heeft Martijn vijf gedichten gevist. Hij zegt zelf niet meer te kunnen traceren welke regels van wie zijn. Ik beschik nog wel over alle materiaal, en ik stel vast dat Willem zeker drie gedichten bevat die voor een groot deel van mijn hand zijn. Toch zijn het echt Martijns gedichten natuurlijk, door zijn redactie erop.

Misschien is het om persoonlijke redenen, maar die vijf gedichten behoren tot mijn favoriete in de bundel, juist omdat er iets heel anarchistisch in de vorm behouden is gebleven. Deze gedichten hebben me ook het Pauzeman-materiaal doen herlezen, en ik ben tot een andere conclusie gekomen dan Martijn, en ook van mening veranderd ten opzicht van wat ik vijf jaar geleden dacht. Toen leek het nog alsof uit dat ellenlange, melige, slordige materiaal een goed gedicht geredigeerd zou moeten worden, Martijn heeft dat in feite nu gedaan, en overtuigend. Maar nu ik Pauzeman herlees denk ik dat het me met al zijn zwakheden in de ruwe vorm toch het liefste is. Je ziet heel goed de werkwijze die we hadden terug (steeds strofes van 8 regels, elk met een eigen identiteit). Het is grappig en levendig, zij het natuurlijk veel te lang, zodat het onvermijdelijk af en toe een pagina of twee inzakt. Maar dat is niet erg. Pauzeman was vijf jaar geleden een soort noodzakelijk spelletje, een manier om te overleven in een wereld die er bijzonder grimmig uitzag (het gedicht staat nokvol verwijzingen naar de War on Terror: 2006 was zo’n beetje het dieptepunt van de Irak-bezetting).

En ook nu ziet de wereld er grimmig uit. Misschien is het tijd om aan Canto IV te beginnen? Of moet je een goed idee niet te vaak herhalen?

posted @ 12:57 PM | Feedback (3)

Thursday, July 28, 2011

Geacheveerd? Gearchiveerd? Gearriveerd?

Minstens dat middelste.

Bekijk nu de Vriezen pagina op Ubuweb. mp3s en pdfs van tientallen composities. Vier uur muziek!


                     *


Voorts: was ik afgelopen Januari met Tom Johnson en een groep jongere componisten aan het touren door Frankrijk, rondom het thema Muziek en Wiskunde. Op de Universiteit van Lille leidde dat tot een concert, waar ik Johnsons The Chord Catalogue heb uitgevoerd. Een registratie van het concert is hier te vinden. Mijn uitvoering begint op ongeveer 28:00. (De site lijkt niet altijd makkelijk bereikbaar te zijn).


                     *


Ook in Frankrijk: een aflevering van Bernard Girards radioprogramma Dissonances gewijd aan mijn werk.


                     *


En een bootleg van de presentatie van Jeroen Mettes' Weerstandsbeleid / N30+, waar ik een uitgebreide inleiding op het werk gaf. Ik neem overigens aan dat u deze prachtige cassette al lang in de kast heeft staan.

posted @ 2:58 AM | Feedback (0)

Friday, July 08, 2011

Enkele dagen geleden ontving ik van Jori Stam een e-mailtje met vijf vragen ten behoeve van een kort artikel voor De Contrabas over het literaire tijdschrift. Als verse redacteur van nY schreef ik hem onderstaande antwoorden. Er moet daar iets mis mee zijn gegaan, want een ontvangstbevestiging kreeg ik niet en de antwoorden zijn niet gebruikt in het korte artikel dat Stam inmiddels gepubliceerd heeft. Maar bij dezen dan:


Wie leest er tegenwoordig nog een literair tijdschrift?

Ik heb daar geen onderzoek naar gedaan, maar ik kan wel zeggen waarom ik zelf de literaire tijdschriften lees die ik lees, om daarmee aan te geven hoe ik me de lezer van een literair tijdschrift voorstel.

Ik lees de bladen die ik lees hoofdzakelijk vanwege de mogelijkheden die ze bieden om kennis te nemen van nieuwe literatuur, ook in vertaling, en om in uitgebreidere essays op literaire en maatschappelijke onderwerpen te reflecteren. Met name voor die wat ambitieuzere literaire essayistiek (stukken van boven de 3000 woorden) zie ik nog geen andere kanalen in ons literaire landschap dan de tijdschriften, die, mede dankzij ondersteuning van de overheid, goed in staat zijn om opdracht te verstrekken tot zulke teksten.

Ik zie onze doelgroep als bescheiden in omvang maar gretig. We maken het blad voor de literatuurliefhebber met een intensieve literatuur-habit en een honger naar stellingname, naar doorwrochte kritische reflectie op letter en wereld.



Wat is de huidige oplage van uw tijdschrift?

500 exemplaren. Het overgrote deel daarvan gaat naar de abonnees, naar de losse verkoop, en naar de auteurs, geaffilieerde instellingen en de pers. Daarnaast worden er exemplaren gereserveerd voor archief/stock en voor promotie op evenementen.



Ervaart u problemen met het produceren van uw tijdschrift en het werven van lezers?

Het produceren gaat uitstekend. We hebben een enthousiaste redactie en een levendig redactieproces. Ideeen voor artikelen en dossiers kunnen uit de discussies binnen de redactie voortkomen (zoals recentlijk het Overtalig-nummer, over poëzie in andere talen dan de eigen taal) maar kunnen ook ontstaan vanuit een aanbod van buitenaf. Bijvoorbeeld, in nY #3 introduceerden we het buitengewone proza van de Duitser Reinhard Jirgl in het Nederlands op suggestie van Arne De Winde. Een themanummer over radicale poëtica's ontstond rondom een aanbod van vertalingen en reflecties rondom het Franse radicale politieke tijdschrift Tiqqun, enzovoort. Er zijn daarnaast vele inzendingen, die anoniem worden beoordeeld door de redactie en waar soms teksten uitgevist worden. nY introduceert regelmatig debutanten (recentlijk o.a. Maarten van der Graaff, Beda Dhondt, Roos van Mierlo, Maartje Smits). We profiteren van een goede beeldredactie, die vaak voor geschikt beeldend werk bij de tekst zorgt, en van een flexibele vormgever. Onze onvermoeibare redactiesecretaris is bij dit alles een onmisbare steun.

De redactie wil meer lezers werven, en we doen wat we kunnen op dat vlak. nY onderhoudt daartoe onder meer een website als uithangbord, waarop ook volledige artikelen gepubliceerd worden. We zijn actief in de sociale media en zoeken wisselende samenwerkingen met andere literaire organisaties, en presenteren ons bij evenementen. Ik zit nog maar sinds kort in de redactie en probeer ook persoonlijk minstens te werven onder de mensen die ik op uiteenlopende plekken waar ik in mijn artistieke praktijk kom ontmoet, voor zover ik verwacht dat ze inhoudelijke belangstelling voor ons werk kunnen hebben. Voorts werven we onder studenten in de literatuur en verwante vakken. Overigens is geen van de redacteurs professioneel werver, maar we doen wat we kunnen.



Welke functie / macht heeft het literaire tijdschrift?

Wat is de macht van een kunstwerk of artistieke praktijk? De enige macht waarin ik geïnteresseerd ben, is het emancipatoire potentieel van een kunstwerk. Een kunstwerk helpt ons zelfstandigheid te verwerven in onze waarneming van en interactie met de wereld, in ons voelen, denken, handelen. Dat is ook de belangrijkste macht die ik een tijdschrift toeken. Het tijdschrift is specifiek een manier om literaire ideeen te ontsluiten. De macht van het tijdschrift reikt dus zo ver als de macht van de literaire teksten die door het blad beschikbaar worden gemaakt.

Die beschikbaarheid is ook belangrijker dan commercieel succes op de korte termijn. Wat we publiceren wordt natuurlijk al snel door onze abonnees gelezen, maar de adem van een publicatie in een literair tijdschrift is vaak langer dan een publicatie in een dagblad, weekblad of op een weblog, waar actualiteit of het kortlopende debat meer centraal staat. De nummers die we maken blijven ook langdurig nabestelbaar en beschikbaar, bijvoorbeeld via bibliotheken. Veel van de vertalingen en essayistiek die in ons blad gepubliceerd worden kunnen, in de huidige opzet van het literaire landschap, niet op een andere manier beschikbaar worden, om de eenvoudige reden dat er geen andere kanalen zijn waar dit soort werk ook financieel gehonoreerd kan worden.

De tijdschrift-vorm bovendien ruimte biedt daarnaast aan uitvoerige begeleiding van en redactie op de teksten.

Maar over de "functie" van een blad wil ik het niet hebben. Dat woord suggereert dat we het blad maken om een of andere rol te hebben binnen een organische maatschappij, maar zo zie ik dat niet. Ik maak mijn kunst niet om als radertje van de Staat te "functioneren". Ik maak wat ik maak in de hoop juist, waar mogelijk, tot nieuwe verbanden te kunnen komen. In andere termen dan die van mijn antwoord op je eerste vraag zou ik dan ook niet graag over de functie van ons tijdschrift praten.



Heeft het literaire tijdschrift een toekomst?

Ja. Op papier en/of op internet: het medium is voor mij niet de hoofdzaak. Belangrijker dan dat is de mogelijkheid om auteurs te kunnen betalen voor de stukken die we van ze verzoeken en toegestuurd krijgen. En onze inzet om de teksten grondig door te nemen als redactie (de redacteurs werken zelf onbezoldigd).

Zolang het zin heeft om met een groep mensen op regelmatige basis teksten bij elkaar te zoeken, en in grondig geredigeerde vorm openbaar te maken, heeft het tijdschrift toekomst. Ik zie eigenlijk niet in waarom dat ooit anders zou worden.

posted @ 8:49 PM | Feedback (1)

Tuesday, June 28, 2011

Is er licht in de duisternis? Altijd. Langzaamaan begint er nieuw politiek bewustzijn te ontstaan bij kunstenaars onder druk van de komende slachtpartijen. Ramsey Nasr gebruikte op het Malieveld vanmiddag de bezuinigingen als aanleiding voor stevige uithalen naar de politiek van de coalitie in brede zin, zonder te vervallen in slachtofferschap of elitarisme. Nasr liet zien hoe de bezuinigingen op de kunst niet op zichzelf staan, maar het gezicht tonen van een leugenachtige en onmenselijke politiek die zich op alle beleidsterreinen openbaart. Hopelijk is dit de opmaat voor meer doordachte politieke stellingnames van kunstenaars. Maar wat ik meer nog hoop is dat er een verbeterd begrip voor de politieke betekenis van de kunst zelf naar voren zal treden.

Want vergeet niet, vrienden: dat de schoften die over ons heersen ons stuk willen hebben, is ook een groot compliment. En ja, ze willen ons stuk hebben, of minstens onze trots, ze willen ons onderwerpen. De regering wil ons niet zomaar korten of hervormen. De manier waarop de bezuinigingen erdoor worden gejast toont aan dat ze ons knock-out willen slaan. Shock and awe heette dat ten tijde van onze laatste koloniale onderneming. Die politiek van overrompeling heeft een reden, en die reden gaat terug op het emancipatoire potentieel van de kunst: de kunst is één van de belangrijkste disciplines waarmee mensen verantwoordelijk worden voor hun eigen leven. Kunst bevrijdt. Zomaar. Met de kunst kunnen mensen alle kanten op gaan.

Het is dat potentieel dat de politiek wil disciplineren. En het goede nieuws is: het zal niet gebeuren. Er is een verzet inherent aan elke vrije gedachte. Dat verzet gaan wij, kunstenaars, nu op nieuwe manieren leren inzetten. Desnoods zonder subsidie, desnoods zonder de markt: wij gaan staan voor de scheppende mens.


                      *


Maar dat zelfbewustzijn is er nog niet. De afgelopen weken was de woede en paniek onder kunstenaars op Facebook goed te proeven. Het leidde tot stortvloeden van artikelen en boze berichten, die, als ze boos genoeg van toon waren, steevast op wagonladingen likes konden rekenen. Op zich prima, maar daarbij werd niet altijd kritisch naar de inhoud van de stukken zelf gekeken, en de bijbehorende debatten vertonen soms vreemde kronkels.

Zeer duidelijk was dat te zien bij een opiniestuk van Gerrit Komrij. Dat stuk keert zich in Komrijs bekende virtuoze scheldstijl tegen het kabinet. Applaus alom natuurlijk. Maar niet iedereen gaf zich er rekening van dat het stuk onder het mom van protest vooral een afrekening met de literaire tijdschriften is.

De literaire tijdschriften worden in de voorstellen van Zijlstra allemaal uit de staatsbegroting geschrapt omdat ze te weinig bereik zouden hebben. Komrij hierover:


Als ik de woorden ‘literaire tijdschriften’ hoor haal ik mijn wenkbrauwen op, zonder dat ik maar één seconde het triomfantelijke erop loshakken van deze politieke half-aap [Zijlstra, SV] wens bij te vallen. [...] Als literaire tijdschriften zo belangrijk waren, waarom heb ik er dan nooit van gehoord? Goede vraag, lieve lezer. U hebt nooit van literaire tijdschriften gehoord omdat ze al een tijdlang niet meer bestaan. Literaire tijdschriften zijn morsdood.


Ik schreef daarop een reactie op Facebook die ik ook op de NRC-site plaatste maar (vermoedelijk wegens opmaakproblemen) niet werd gepubliceerd:


Gerrit Komrij heeft het best lastig, heden ten dage. Hij is zelf immers één van de retorische grootouders van het hedendaagse populisme. Komrij was misschien altijd grappiger, mogelijk minder apert abject, maar deel van dezelfde dynamiek: succesjes halen met het schelden op veronderstelde elites.

Dat kan. Maar daarom lukt het hem ook nu niet om ondubbelzinnig stelling tegen het populistische beleid te nemen. Dan krijg je speeches tegen de overheid waarin het toch nog even moet gaan over "kunstvarkentjes" die wellicht terecht geslacht worden. Dan krijg je aanvallen op de bezuinigingen waarbij er tegelijk naar de literaire tijdschriften moet worden gesneerd vanuit het veilige bolwerk van de krant.

Het sentiment in dit stuk kan iedereen op zich best navoelen: als er 100 instituten omvallen, kan ik er ook altijd wel 90 tussen aanwijzen die mij niet zoveel zeggen. Maar een politiek uitgangspunt zou toch iets dieper moeten liggen dan de toevallige eigen voorkeuren.

Echt problematisch wordt het als je Komrijs argumenten tegen de tijdschriften eens zou abstraheren. De tijdschriften zijn kennelijk sektarisch en marginaal en daarom is het niet erg als ze verdwijnen. Maar, hee, geldt dat niet toevallig ook voor al die productiehuizen, postacademische opleidingen, presentatieruimtes... die vele dozijnen instellingen die elk een klein publiek, tot duizend man zeg, trekken? Hupsakee, weg ermee! Nou, en dan heb je al zo ongeveer de agenda van Zijlstra. De meer prestigieuze instellingen worden immers netjes ontzien, toch? Er blijft een hoop kunst en cultuur over, toch? Komrij-Zijlstra: een minder grote stap dan het lijkt.

Jammer natuurlijk voor vele dozijnen maal tegen de duizend mensen en het werk waar zij voor staan. Dat wel.



                      *


Nu moet ik één ding toegeven. Het belangrijkste argument dat Komrij gebruikt tegen de papieren literaire tijdschriften verzwijg ik hierboven: het is het mediale argument. Dankzij internet zou het papieren tijdschrift achterhaald zijn en dat zou de belangrijkste reden zijn voor het “morsdood” zijn van de tijdschriften nu. Daarmee doet Komrij het voorkomen dat de tijdschriften niet meer gelezen worden. Maar dat is niet waar. Ja, ze hebben een klein bereik; maar ook: ja, ze worden gelezen. Geloof het of niet. Ik kan het weten. Ik ben zelf zo’n fossiel dat ze graag leest. Sinds een jaar of vijf nog maar. Ik vind er teksten die ik elders niet kan vinden, daarom. Zo simpel is het.

Maar het mediale argument heeft wel een air van plausibiliteit. Kunnen de tijdschriften niet veel beter, sneller, handiger, breder opereren op internet? Met meer “debat” en flitsendere polemieken en dergelijke? Waar meer lezers mee gewonnen kunnen worden? Dit lijkt ook de inzet te zijn van een nogal ik-zei-het-tocherig stukje op Tzum (“essay”, zeggen ze daar) van Bart Temme. Temme is bekend om een afstudeeronderzoek naar de tijdschriften waaruit zou blijken dat dezen hun functie in het bestel (die door Temme nauwkeurig gedefinieerd wordt) verloren hebben. In het Tzum-stuk stelt Temme zelfs dat de tijdschriften hun eigen ondergang hebben bewerkstelligd doordat ze zijn aanbevelingen om en masse over te gaan op het nieuwe medium, internet, niet hebben opgevolgd.

De vraagt dient zich aan: zou internetaanwezigheid de tijdschriften dan wel hebben gered van deze regering? Ik heb zo mijn vermoedens.

Voor de tendens van de bezuinigingen over de gehele linie is de veelgeroemde "vrije markt" op geen enkele manier criterium. Anders zouden instellingen als De Nederlandse Opera en dergelijke wel wat meer gekort zijn. Daarom kun je ook grote vragen stellen bij het belang van dat lezersbereik (dat ook niet per definitie groter is met een website: zoals iedereen een website kan bezoeken, kan iedereen net zo goed zo’n tijdschrift bestellen). Wat we met de presentatieruimtes, productiehuizen, postacademische opleidingsinstituten zien verdwijnen is een functie van het artistieke bestel: R&D, zeg maar, de vrijplaatsen van het artistieke denken. Daar past het schrappen van de literaire tijdschriften en de kunsttijdschriften naadloos in.

Om die reden is het vermengen van de discussie over de bezuinigingen met die over het “juiste” medium voor de tijdschriften ook zo onzuiver. Mogelijk zitten er elementen van waarde in Temmes kritiek, en wellicht zou, pak hem beet, Parmentier als zuivere webpublicatie heel goed kunnen gedijen. Maar de manier waarop die discussie over functie (die de echte politieke discussie is) steeds wordt verward met een discussie over media is storend.

Gek is het overigens niet dat Temme daar aan meedoet. De functies die hij aan het literaire tijdschrift toekent zijn betrekkelijk technocratisch van aard (wat logisch ook uit zijn verlangen voortvloeit om die functies vervolgens wetenschappelijk te kunnen "meten"). Maar vanuit dat perspectief is er geen zicht mogelijk op de ideologische strijd, die óók gaande is.


                      *


Tenslotte: een paar opvallende opvattingen van het tweetal.

Komrij omschrijft een literair tijdschrift als volgt:


Een literair tijdschrift, lezer, was een regelmatig, maar meestal onregelmatig verschijnende kruising tussen een vouwblad en een boek, waarin lezers die het lezen niet konden laten alvast kennis konden nemen van wat er op literair gebied stond te gebeuren, terwijl ze intussen geprikkeld werden met een mengelwerk van boze geluiden, lyriek en teksten waaraan vaak meer drift dan bezinning te pas kwam. In tijdschriften, daar gebeurde het. Daar kregen de polemicus, het aanstormende genie en de zwoeger die een langere rijping nodig had alle kansen.


Die omschrijving komt best aardig overeen met die paar Nederlandstalige en buitenlandse tijdschriften die ik met enige regelmaat in de bus krijg. Nou ja, minus die afgezaagde schrijversromantiek misschien. Maar dat gaat meer over voorkeuren. Je kunt in elk geval met deze definitie niet zomaar concluderen dat het tijdschrift dood is.

Ook schrijft hij: “Literaire tijdschriften zijn na de tweede wereldoorlog nooit meer dan de aanhangwagens van de uitgevers geweest.” Dat schijnt op te gaan voor de meeste grote Nederlandse tijdschriften, maar het is niet waar voor de bladen die ik lees, die worden onafhankelijk van een uitgeverij uitgebracht.

En Temme schrijft deze interessante alinea:


De Revisor is het tijdschrift dat het meeste gehoor heeft gegeven aan de oproep van het Nederlands Letterenfonds. De nieuwe redactie (Gustaaf Peek, Daan Stoffelsen, Jan van Mersbergen en Erik Lindner) zette een stap naar het internet. In januari van dit jaar toonde ik mij op dit weblog positief over deze ontwikkeling. We zijn nu een paar maanden later en de vreugde is stukken minder geworden. Er gebeurt soms weken niets op de website van De Revisor. Dat is verdomde jammer, want juist door frequent bijdragen te publiceren vergroot je het publiekbereik. Ook is er geen sprake van literair debat op de site – dat is teleurstellend. De Revisor was immers vroeger een belangrijke schakel in het literaire debat.


Er wordt in de tijdschrift-versus-internet discussie meestal gedaan alsof het alleen maar om distributie gaat. Het internet is dan de betere manier om dezelfde tekstuele inhoud te verspreiden. Deze alinea toont aan dat er meer aan de hand is. Het brengen van literatuur op een website brengt kennelijk heel andere verplichtingen met zich mee. Elke week moet er iets “gebeuren”, en er moet “literair debat” zijn. Maar ik vind het wat tragere redactieproces met veel overleg en zo eigenlijk ook wel zijn charmes hebben. Het is hoe dan ook niet hetzelfde.

Dat van “het literaire debat” is natuurlijk omdat Temme dat nou net als functie van het tijdschrift had gedefinieerd. Maar als dat zich vertaalt naar het zinloos in cirkeltjes ronddraaien en de rancuneuze ruziezoekerij die op de meest “levendige” sites van het internet voor “literair debat” doorgaan, dan wil ik geen “literair debat”. Doe mij dan maar gewoon gelijk hebben.

posted @ 12:08 AM | Feedback (0)

Tuesday, June 14, 2011

Onderstaande opinie heeft de afgelopen dagen gecirculeerd op Facebook; nu bij wijze van publiek archief op Vriezen Vindt...


Halbe Zijlstra gaat het advies van de Raad voor Cultuur over hoe te bezuinigen naast zich neerleggen. De kunstwereld zal er schande van spreken, en ze zal zich daarmee verder marginaliseren in het politieke proces. Beter zou ze Zijlstra het respect geven dat hij verdient: niet het respect dat een vriend of een grote geest toekomt, maar het respect dat je voor een echte vijand kunt opbrengen.

Nederland heeft een cultuur met een sterke hang naar overleg en consensus. We zijn gewend allemaal min of meer sociaal-liberaal te zijn, met een beetje conservatisme en een toefje religie waar nodig. In ons hart zijn we nog polderaars. Als er dus hard bezuinigd gaat worden op kunst, zijn wij als kunstenaars geneigd om een beroep te doen op de redelijkheid van de regering. We zijn bereid mee te denken in de hoop invloed uit te kunnen oefenen op het beleid en het te matigen. We kunnen maar niet geloven dat de rechtse helft van Nederland de samenwerking met de rest botweg heeft opgezegd.

De tragiek van de Raad voor Cultuur, en ook van het kunstsectoroverleg van de Tafel van Zes, is het verlies van een perfecte kans om te weigeren. De kunst wil, zoals alle maatschappelijke sectoren in Nederland, van oudsher meepraten aan de tafel van de grote jongens met de macht. De kunstwereld kent zichzelf nog nauwelijks anders dan als onderknuppel van de Staat. Door steeds in overleg te zijn gebleven houdt ze zich medeverantwoordelijkheid voor haar eigen inkapseling in het staatsbeleid, iets waar de kunst sowieso geen competentie in heeft, en iets dat de kunstwereld wezenlijke schade gaat toebrengen.

Men begrijpt niet dat Zijlstra de kunstsector kreupel wil slaan, om na de afstraffing alleen met een kleine hoeveelheid gerenommeerde instellingen over te blijven die des te makkelijker aan de leiband van de staat kunnen worden gehouden. Men ziet niet dat de afstraffing van de vrije kunsten tot de symbolisch meest belangrijke politieke daden van het huidige kabinet behoort. Men weigert de doelbewustheid te zien waarmee VVD en CDA een bloeiend cultureel bestel offeren op het altaar van het populisme, om een ver-gaande rechtse sociaal-economische agenda veilig te stellen.

Als Zijlstra nu die klap wil uitdelen, dan moet hem de eer gegund worden persoonlijk de bijl te hanteren. Zijlstra zelf begrijpt dat. Hij stelt zich openlijk op als de vijand die de kunstwereld niet heeft willen zien, en bewijst daarmee gewiekst eens te meer haar irrelevantie.

Wat te doen? Overleggen is duidelijk zinloos. Maar ook verzet tegen het beleid is zinloos: hoe groter het verzet uit de kunstwereld, hoe harder Zijlstra zich zal opstellen, omdat zulks “vastberadenheid” en “moed” (geile woorden voor managers) zal uitstralen. Wat nodig is, is het opbouwen van de eigen positie, van waaruit de tegenaanval kan worden ingezet. Dat begint met het besef van een eigen politiek van de kunst. En: met het erkennen van de vijand.

Laten we stellen: kunst bevordert de menselijke vrijheid van ervaren en handelen. En de vijand is iedereen die de ontplooiing van die vrijheid wil fnuiken. Op dit moment zijn de Nederlandse regering en allen die haar steunen dus zonder meer vijand. Laten wij niet meegaan met hun retoriek. Zij zeggen dat er een “cultuurverandering” nodig is en dat de kunst “onafhankelijker” moet worden. In de praktijk echter betekent dit het afschieten van bloeiende instellingen, zonder dat het minste perspectief geopend is op een alternatieve manier van opereren; en juist toenemend conformisme aan de Staat, en zijn markt-ideologie, bij al wat er overblijft. Trouwens, niemand gelooft serieus dat die markt nu plotseling 200 miljoen gaat ophoesten. Hier zit geen enkele goede bedoeling bij.

Een moeilijke waarheid voor wie de oude politiek gewend was, maar op dit moment zijn alle VVD’ers en alle CDA’ers vijand van de kunst. Het eerste dat kunstenaars zouden moeten doen is hierover duidelijk zijn. Iedereen kent wel een VVD’er die zich voor kunstvriend uitgeeft. Wij moeten deze mensen beleefd maar dwingend erop wijzen dat steun aan de regering en vriendschap voor de kunst niet samengaan. Het is vandaag het één of het ander.

Zij zullen proberen ons te verleiden, met ons “mee te denken” over hoe wij onder het nieuwe regime misschien kunnen overleven. Daarmee zullen zij ons enkel meer aan hen willen binden, en aan de willekeur van hun rechtse markt en mecenaat. Wij moeten daar niet intrappen. Wij moeten durven zeggen: Frits Bolkestein, als je dan zo van kunst houdt, zeg dan je VVD-lidmaatschap op, of je bent, wat de kunst aangaat, net zo’n ploert als de rest.



Inmiddels zijn de plannen van Zijlstra bekend geworden. Topinstellingen worden gespaard, maar min of meer álle instellingen voor ontwikkeling, voor kleinschalig experiment en dergelijke worden niet langer gesteund. Het wordt moeilijk voor deze instellingen om andere geldbronnen te vinden op korte termijn. De meerderheid, zoniet alle, zullen verdwijnen: alle productiehuizen, vrijwel alle presentatieruimtes, alle beeldende kunst-tijdschriften, alle literaire tijdschriften. Op De Nederlandse Opera daarentegen wordt nauwelijks gekort. Dit terwijl DNO tot de zwaarst gesubsidiëerde instellingen behoort, die bovendien een publiek met meestal een hoog inkomen trekt.

Wat daar vooral zo schofterig aan is, is dat het kabinet-Rutte eerst nog heeft geprobeerd om te doen alsof de bezuinigingen op cultuur tot de maatregelen behoorden die vooral door de hogere inkomens in de portemonnee zou worden gevoeld. Leugens van liegende leugenaars. De juiste naam voor deze "bezuinigingen" is: ideologische zuivering van de staatscultuur.

posted @ 1:11 AM | Feedback (1)