>
II. De ongenaakbare.
Geen droom zo goed als zelf bedacht.
Leunend tegen de koude stenen muur, een sigaret in een mond¬hoek, minzaam in zichzelf lachend en toch alert want elk moment; handen nonchalant in de zakken, vingers spelen met kleingeld of aansteker, misschien een propje papier waarop in onleesbaar handschrift een telefoonnum¬mer. Geen hoed, vooral geen hoed dat is verdacht. Geen baard ook of snor. Een zonnebril mag, op het voorhoofd of op de punt van de neus.
De hand slaat as van de broek. De voet schuift as van het trot¬toir. In ene bewegingloos, ogen gefixeerd op de voordeur van een huis waar iemand naar binnen wil gaan. Ogen nemen waar, de hersenen registreren kenmerken, onverwachte veranderingen of berekende gebeurtenissen. Soms een tegendraadse gedachte die terug duikt in de massa van woorden, beelden, geluiden, om op¬nieuw gedacht te worden.
De tegels van het trottoir wiebelen, op een moeras bouwen geeft problemen.
De deur opent. Een jonge vrouw stapt in de deuropening. Iemand praat tegen haar vanuit het huis, ze kijkt achterom en roept iets. De persoon voor de deur kijkt gelaten naar het tafereel en overhandigt haar een pakketje. Hij zegt niet. De ogen registreren: grijs kort jasje, zwarte pantalon, glimmend zwart leren schoenen. Kort geknipt, twee dagen baard, grauwe wallen verraden. Meteen na het overhandigen verlaat hij die overhandigde het tafereel. De jonge vrouw bekijkt verbaasd het pakje, schudt ermee en probeert het te openen. Ze komt niet ver, een explosie volgt die haar en de voorgevel van het huis wegblaast, ruiten springen, auto’s worden weggeveegd, het huis stort in, de buurhuizen meenemend, scherven en brokstukken, vuur, er volgen explosies.
Een zeer onverwachte wending, tamelijk brutaal en nogal rigoureus, iets teveel drama en het had schoner gekund; een niet onaangename ontknoping van een ingewikkelde geschiedenis? Waar staat de kamera? Steeper is verbijsterd. Gelukkig is de plot nog ver te zoeken, het vervolg is van belang; de voortgang na het einde. Misschien dat hij later terug denkt aan het gezicht van de jonge vrouw die vol nieuwsgierigheid het pakje opent, verwachtingsvol, met ingehouden blijdschap, het verrassingseffekt is groot.
Helpen is te laat, hij maakt zich uit de voeten, met de hoop de giftgever in het oog te krijgen, half hollend tegen de toestromende menigte in bereikt hij het kruispunt. In de verte hoort hij sirenen. Mensen rennen van hort naar her. De chaos is groot. Een paar straten verder komt hij enigszins tot rust, zijn hart bonst in zijn keel, zijn ademhaling onrustig, een extatisch gevoel overmeestert hem bijkans en hij kan maar nauwelijks op zijn benen blijven staan. Hij struikelt de trappen van het metrostation af en zoekt steun bij een pilaar. -----------
Politierapporten zullen volgen, gedegen onderzoek naar een motief, geschiedenis, aktie/reaktie. Ze zullen schrijven dat de vrouw waarschijnlijk Annie M is, een 39 jaar oude verzekeringsagente, de hoofdbewoner van het verwoeste huis. Identificatie door middel van gebitsanalyse. Een motief zullen ze niet vinden en van een geschiedenis lijkt geen sprake. Men tast in het duister. Van de dader geen spoor, geen getuigen.
Razend snel schieten de beelden voorbij. Het gezicht van de vrouw, haar ranke gestalte, haar lachend aangezicht. Dan de man, vol vertrouwen tegemoet getreden: hij schaadt met schande. Zijn gezicht, zijn handen, zijn schuchter bewegen. Steeper zou zijn gezicht uit duizenden herkennen.
Er heeft zich een nieuwe opdracht aangediend.
Hij laat zich gewillig door de metro naar huis vervoeren, de beelden blijven komen tot hij in de badkamer van zijn appartement in de spiegel kijkt. Zijn gezicht is bebloed. Met jenever maakt hij de wond schoon, met een pincet trekt hij een stuk glas uit de wond. Hij zet de fles aan zijn mond. Even rust. In de wirwar van gedachten zoekt Steeper zijn geheugen af naar bijzonderheden. Weer ziet hij het gezicht van de vrouw, net voordat het pakje in haar handen uit elkaar spat, haar gezicht aan flarden, haar schedel splijt, valt uiteen in kleine stukjes, veel meer heeft hij niet gezien want brokstukken en de luchtdruk dwingen hem te gaan liggen. Uitgeput valt hij in slaap op de bank, morgen het nieuws afwachten en contact maken.
De giftgever kent geen rancune. Hij gaat meteen door naar huis waar hij vrouw en kind aan tafel vindt. Lachend vertelt hij dat hij werd opgehouden, maar dat hij blij is weer thuis te zijn. Zijn vrouw lacht ook en vertelt hem van de dondersteen van een zoon die een vuurtje heeft gestookt in de achtertuin van de buren.
Later op de avond, zoonlief in bed, vrouwlief kijkt televisie, rookt de giftgever een sigaret in de achtertuin en belt hij iemand op, het is een zeer kort gesprek. Daarna nestelt hij zich op de bank tegen zijn vrouw aan. Ze kreunt als hij zijn hand onder haar rok laat glijden. Hij mag friemelen, fluistert zij, geen penetratie vanavond want bloed. Hij likt zijn lippen. Hij mag oksels likken. Ze vallen nog voor er iets gebeurt is in elkaar armen in slaap, vredig lachend terwijl op de televisie de eerste beelden van de bomaanslag verschijnen, de hulpverlening, overzicht van eerdere aanslagen en overeenkomsten, beelden vanuit een helikopter, de ravage is enorm, de verslagenheid groot.
II Het is moeilijk uit de overdaad aan informatie wijs te worden. Steeper heeft het nieuws gevolgd en de ochtendkrant komt met tegenstrijdige berichten. Hij wrijft zich over zijn hoofd en bekijkt bezorgt in de spiegel: de wond boven zijn oog, hij rukt de korst van de wond die hem gapend aanstaart. Met een watje gedrenkt in jenever maakt hij de wond schoon. Zijn gezicht vertrekt van de pijn. Snel neemt hij een ferme teug uit de fles. De brand in zijn keel verdoezelt de pijn aan zijn oog. Behendig sluit hij de wond met een zwaluwstaart en staart met een oog naar de beelden op de televisie.
Hij moet zo snel als mogelijk contact maken, want dit gaat nergens over.
Bij het gerechtsgebouw posten de nieuwsjagers en ramptoeristen zij aan zij. De rechtsbewaarders laten zich niet zien. De aanslag zou het werk zijn van. De vrouw schijnt duistere praktijken. Niemand weet van het pakje en de giftgever. Men tast in het duister naar sporen.
Specialisten staan voor raadsel. Aanslag beroert de stad. Dodental stijgt nog steeds. Gat in straat. Veertig slachtoffers geborgen. Gewonden in ziekenhuis stabiel. Ooggetuigen hebben niets gezien. Onderzoek naar aanslag stagneert. De raad eist resultaten. Verantwoordelijke IJkmeester stapt op. Slachtoffers massaal begraven onder grote publieke belangstelling. Het land in rouw.
Niemand heeft ook maar een aanwijzing naar de motieven van de aanslag
Hij recht zijn rug en wrijft eens stevig is zijn ogen. De straat is leeg, achter hem hoort hij het rumoer van de dijenkletsers, geilneven, en hoerenlopers. De straat is duister, halverwege de straat brand een lantarenpaal op halve kracht, de lamp flikkert en valt dan uit. De straat is donker slechts schaars verlicht door de lampen achter de gesloten gordijnen. Een onduidelijke kracht dwingt hem de straat in te lopen. Hij verzet zich licht, maar is ook nieuwsgierig naar wat er komen gaat. De straat deint. Hij verliest zijn evenwicht en valt. Met hoge snelheid komen twee felle lichten op hem af die hem rakelings voorbijschieten. Woeste rode ogen staren hem aan vanuit het duister. Hij springt op en rent weg van de ogen maar achterom kijkend ziet hij dat de ogen zich van hem verwijderen. Op de hoek van de straat draait hij zich om. De straat is donker. De lantarenpaal halverwege de straat flikkert.
Hij ziet geïrriteerde gezichten in de auto als het niet snel genoeg gaat, fietsers rijden vloekend langs. Blèrende peuters hangen aan moeders, rukken en trekken aan de armen die zich wild losrukken van hun nazaat. Er is onrust.
Die onrust wordt niet alleen veroorzaakt door de aanslag. De aanslag is misschien een druppel in een volle emmer of op een gloeiend plaat.
En dan gaan de horden de straat op want de angst leeft.
Alle televisiezenders brengen elk uur nieuwsuitzendingen met het laatste nieuws. De regering neemt defensieve maatregelen.
Nog voor de avond valt exploderen twee bommen in het centrum van de hoofdstad. Nog voor het ochtend gloren zijn nog eens zes bommen tot ontploffing gebracht. Honderden doden en gewonden. Op meerdere plaatsen in het land vinden opstootjes plaats: winkels worden geplundert en er zijn schermutselingen tussen het plaatselijk gezag en door angst bevangen menigten.
Wat komen gaat is ongewis. Niets is hetzelfde als. Nog minder de . De droom heeft plaatsgemaakt voor een realiteit benaderende nachtmerrie. En er lijkt geen ontkomen aan. Losgescheurt van de eens zo vaste waarden. Steeper wordt wakker! Kijk! Huiver! Maak je los van de histerie en handel.
Steeper kan geen krant openslaan, geen nieuwsbericht zien, dat niet verslag doet van de aanslagen reeks.
Ondertussen zit de giftgever rustig thuis. Hij bekijkt het nieuws ongeintereseerd. Voor hem was het niet meer dan een klus. Over de aanleiding van de aanslag, noch van de betekenis van zijn actie heeft hij enig benul. Als pion in een groot spel weet hij minder dan de middelmatige nieuwsmaker. Meer wil hij ook niet weten. Kennis is macht en daar wil hij niets van weten, want macht leidt to complicaties en complicaties leiden tot. En dat alles maakt hem moe en prikkelbaar. Vandaar.
Dat Steeper onderwijl overal zijn licht op doet zal niet tot de verwondering behoren. Overal stuit hij op onwil.
Verdraaide verhalen:
Op nog geen honderd meter van de aanslag is een auto aangetroffen met sporen. Zeer verdachte sporen dat meer onderzoek noodzakelijk maakt De aanslag zou het werk zijn van de Psychotische Kerk.
Er zouden meerdere mensen gesignaleerd zijn voor de aanslag die zich nog niet bij de autoriteiten hebben gemeld. Getuigenverklaringen over de dader lopen uiteen van donkergekleurde dertiger in zwarte regenjas tot een oudere dame in een te kort rokje.
Het gaat wellicht over een huiselijke afrekening.
Of in het criminele circuit.
Er zijn misschien drugs bij betrokken.
Een politieke aanslag.
Wat had de vrouw op haar lever? Was zij op de verkeerde plaats op het onjuiste moment. En dan: wie had er dan moeten staan? Vragen die geen antwoorden opleveren.
Nee, mooier wordt het.niet.
Tot dat. Steeper voert het woord.
In tijden van war dient ontwart. In tijden van waan dient de rede. Het is tijd voor anders. Anders dan alle dingen. Ontneem alle dingen hun eigenschappen en herwaardeer naar inzicht. Mettertijd zal zich een nieuw inzicht vormen: de achterkant der dingen.
Geen ziel die luistert naar de bevlogen woorden van Steeper. Zijn kerk is leeg.
Onvermoeid blijft Steeper op zoek naar de giftgever. Hij dwaalt door de stad, zoekend naar sporen, een vage herinnering of de geur van bloed. Terstonds zal hij hem vinden en weten van het motief. De bloedgeur van de vrouw zal betekenis krijgen.