Posted on Friday, June 12, 2009 2:31 PM
De voorbel rinkelt als ze de gang in loopt, verwachtten ze iemand? Ze heeft een onbestemd gevoel waaraan ze gehoor wil geven... ze wil de deur niet openen..., ze wil de gang niet in lopen..., ze wil terug de kamer in om haar boek weer op te pakken.
Bij elke stap in de gang naar de voordeur wordt haar weerstand groter, ze aarzelt, maar haar nieuwsgierigheid, drang naar het onbekende? De stappen in de gang zouden haar laatste kunnen zijn. Een laatste blik in de gangspiegel. Ze aarzelt weer, haalt een hand door haar donkere krullen en veegt een stukje maskara uit de hoek van haar oog, ze lacht naar zichzelf, ze weet dat ze mooi is. Onwillekeurig zet ze haar handen op haar heupen en wiegt met haar achterwerk. Het onbestemde gevoel blijft, de glimlach in de spiegel had toch wat onwerkelijk geleken, gemaakt als oefening in de kunst van het glimlachen.
In haar ooghoek ziet ze nog -als een echo- haar beeltenis in de spiegel (of is het haar schaduw), ze herinnert ter plekke de blik in haar ogen, die angstig leken, leken of zijn? Ze neemt een stap terug en kijkt haar spiegelbeeld indringend aan. Wat denk je? vraagt ze zich hardop af. Ze grinnikt. “Praat ik met mezelf?“ vraagt ze zich verontschuldigend aan zichzelf af. Een stem van verre roept iets onduidelijks vanuit de huiskamer. Ze negeert het geluid. Ze ondersteund haar borsten met beide handen en frommelt wat aan de bandjes van haar bh. Nu kijkt ze uitdagend naar zichzelf met een gemeen glimlachje in haar rechter mondhoek. Ze voelt een opwindende warmte in haar onderbuik en met een hand duwt ze tegen haar kut om de plas tegen te houden die met kleine scheutjes haar onderboek nat maakt. De deurbel rinkelt opnieuw. Ze kijkt naar haar schoot en ziet een natte plek ter hoogte van haar kut. Ze vloekt binnensmonds, maar moet lachen om zichzelf. Ze ziet zichzelf staan in de spiegel. Benen wijdt grote natte plek op haar jurk, een verhit gezicht en fonkelende ogen. Ze is accuut klaargekomen. Weer rinkelt de voordeurbel. De stem in de kamer is nu luider en ze hoort vaag iets als “opendoen”.
Ze trekt haar jurk recht en stapt kordaat op de deur af. Voor ze de deur opent haal ze een keer diep adem.
Voor de deur staat een man, grijs kort jasje, zwarte pantalon, glimmend zwart leren schoenen. Kort geknipt, twee dagen baard, grauwe wallen verraden. Hij houdt een pakje in zijn handen dat hij zonder iets te zeggen overhandigd. Meteen na het overhandigen verlaat hij het tafereel. De jonge vrouw bekijkt verbaasd het pakje, schudt ermee en probeert het te openen. De stem in de kamer roept weer iets onduidelijks. Ze antwoord niet op wat een vraag lijkt te zijn.
Haar bestaan blijft steken midden in de gedachten: “wat zit er in ...?” Want het pakje explodeert in haar handen, in duizend stukjes spat ze uit elkaar en wordt zij één met haar omgeving.