Friday, March 20, 2009

20 maart 1644 staat als dagtekening onder het Aen den Leser dat de auteur van de Klucht, van de Qua Grieten aan de tekst vooraf liet gaan. Op de titelpagina staat: “Gespeelt in de Amsterdamsche Schouburgh, 1644”. Zeer waarschijnlijk heeft dus rond 20 maart 1644 de première plaatsgevonden van deze buitengewoon succesvolle klucht. Op 16 maart 1649 is echter pas de eerste vermelding van een opvoering. In die jaren noteerde de klerk helaas lang niet altijd welke naspelen er op het toneel werden gebracht. Qua Grieten zou één van de meest gespeelde kluchten worden en tot 1768 meer dan 150 keer worden opgevoerd. Het was een populair thema: hoe krijgt men er een katijf van een wijf onder.

Op de titelpagina prijkt de regel: De beste Griet diemen ter wereldt vant, / Was die den Duyvel op 't kussen bant. Roemer Visscher had meer dan veertig jaar eerder deze regels al geschreven in zijn Brabbelingen:

De beste Griet, seydt Mieuwes, die men vant,

Was, die de Duyvel op het kussen bant:

Dan haer rechte goetheyt werdt hier bevonden,

De quade had hem op een hekel gebonden.

Hierna volgt op de titelpagina ook nog een citaat uit de Andria van Terentius: quod fortunatum isti putant / Uxorem nunquam habui [=wat zij een zegen vinden: ik heb nooit een echtgenote gehad]. De toon is hiermee gezet.

 

De auteur is niet bekend. In zijn Aen den Leser vertelt hij dat hij deze Boert op aandringen van vrienden het licht doet zien: ‘wat insichten sy, om dit soo ernstigh te begeeren, gehadt hebben, weet ick niet: Mogelijck schuylender Grieten onder haer geslacht, die sy dit als een voorbeeldt willen vertoonen. Exemplen, seytmen, leeren wel, en hij spiegelt sich sacht, die sich aen een ander spiegelt. Kan dan dese myne Griet eenige deught aen de hare doen, soo berout het my niet mijn pen in 't werck ghestelt te hebben; doch ick heb daer weynich moet toe, dewijle ick der quade Grieten quaetheyt by de proef ken. Evenwel dit sie ick'er in, dat door veel toelatinghe de vrouwen de volle heerschappye aennemen. Jan Goet-bloet (die vry veel mackers heeft) buyght in 't begin, en wort tot het eynde toe onder-druckt. De Notaris, die sich tegens den eersten aenval stelt, wort, en blijft meester. Dictum Sapienti sat [=Eén woord is genoeg voor de goede verstaander].’ Hij heeft het geschreven, omdat hij door de strenge winter (1644 had hiervan inderdaad tot in maart last) niet buiten kon wandelen en het schrijven van de klucht als zijn ‘eenige tijdt-passeringe’ had, ‘Sijnde dan ghenootsaeckt in huys te blijven, hebbe gedacht dat het beter was ledigh te sijn, dan niemendal te doen.’ We kunnen hieruit opmaken dat de auteur een vermoedelijk oudere welgestelde, klassiek geschoolde man was. Een begenadigd auteur was hij niet: de zinnen lopen niet altijd even soepel.

Het is heel waarschijnlijk dat hij het idee van de wieg (waarmee de notaris zijn kwade Griet zal temmen) ontleend heeft aan de Latijnse schoolklucht Cunae (1596) van de Haarlemse rector van de Latijnse school Cornelius Schonaeus. De Brusselaar Joan de Grieck zou op zijn beurt de Amsterdamse klucht als voorbeeld nemen voor zijn Ghedwonghe Griet (ca. 1650).

 

Werkelijk komisch is de klucht niet, daarvoor had de auteur teveel de lering voor het vermaak gesteld. Er zijn betere scheldpartijen opgevoerd op de Schouwburg, en de door het publiek zeer geliefde vechtpartijtjes ontbreken hier zelfs helemaal. De meeste kluchten uit die periode zijn platter en zeker mede daardoor voor de schouwburgganger komischer. De klucht voldeed echter aan de fatsoensnormen die steeds meer in acht genomen moesten worden voor op te voeren kluchten. Daarom zal de klucht het, nog afgezien van het populaire onderwerp, zo lang hebben volgehouden op het toneel. Daarom ook heeft Andries Pels in zijn Gebruik én misbruik des tooneels (1681), vers 1259-64, een goedkeurend woord over voor kluchten als Qua Grieten:

Wy zien te graag, dat hy, wien we onrécht geeven, lydt.

Weshalven 't Huuwelyk van Niet, ook Haat-én-Nyd,

De Ontrouwe Dienstmaagd, én Pefroen, én Kwaade Grieten

Behaagen, omdat we ons gewénschte wit beschieten.

Die dan verdiende lóf in 't stichten van de Jeugd

Behaalen wil, geef straf aan Ondeugd, loon aan Deugd.

Grappig is de beschrijving van een opvoering in de ‘Boertige Beschryving van den Amsterdamschen Schouwburg, en het vertoonen van Aran en Titus’ (1715) van Pieter Langendijk. Hier vertelt boer Jaap aan boer Kees van zijn uitstapje met zijn vrouw naar Amsterdam en hoe zij terecht kwamen in de Schouwburg waar zij Jan Vos’ vermaarde gruwelstuk Aran en Titus te zien kregen. Hoewel iedereen in het stuk was vermoord, zagen ze er tot hun verbazing even later weer een paar levend en wel terug:

            Wel jae; wangt kort daer an zag ik ze saemen dangsen,

            Terwyl ’k ien Scharretje mit maertje zat te schrangsen.

            En daer nae zag ik weer die aigen Keuningin,

            Maer in een ander pak eklied as in ’t begin,

            Mit noch ien angder, die me nou niet in wil schieten,

            En deuze wieren toen genaemd de Quaeije Grieten,

Twie booze Heksen, die heur Mannen plaegden, maer

Ze wieren in ien Wieg esmeeten, de ien nae de aêr,

En toen zo lang ewiegd, tot dat ze vroomer wieren,

En daer meê maekten ze de pais weêr mit heur vieren.

Toen dangsten ze veur ’t lest noch iensjes tot besluit.

 

Jan Goet-bloet doet zijn beklag over de huwelijkse staat. Vijfentwintig jaar geleden trouwde hij met Griet, en hoewel er op zijn gedrag niets valt aan te merken, maakt Griet hem het leven tot een hel met haar gekijf. Hij raadt dan ook iedereen aan om toch vooral niet te gaan trouwen, want je zit er je leven lang aan vast. Trap niet in hun lieve maniertjes bij het vrijen, want zodra je met ze getrouwd bent is dat mooi over. Neem nou zijn dochter, de jonge Griet, die zal net zo worden als haar moeder. Moet hij haar vriend, de notaris voor haar waarschuwen? Anderzijds is hij fijn van haar af als ze met hem trouwt.

Het dienstmeisje Aal laat bij de afwas een schotel op de vloer kapot vallen. Trijn schiet uit haar slof en ontslaat haar op slaande voet. Aaltje kan haar doos (koffertje) gaan pakken en opdonderen. Aaltje haalt haar doos en laat die aan Griet zien, zodat zij kan controleren dat ze niets heeft gestolen. Op de mededeling van Aal dat er genoeg en betere dienstbetrekkingen zijn, valt Griet uit dat ze ook achter de ramen kan gaan zitten. Of ze kan zich door een gezonde knecht laten bezwangeren en dan als min in een deftig gezin gaan dienen, waar de vrouw het te hoog in de bol heeft om haar kinderen zelf te zogen. Ze kan zich dan voordoen als weduwe of zeemansvrouw, want hoeren komen er daar natuurlijk niet in. Aal vraagt om haar loon, maar wordt van diefstal beticht waardoor Griet haar niet wil betalen. Aal dreigt naar de schout te gaan en gilt moord en brand. Jan Goet-bloet komt op het gekrijs af en vindt een gebroken schotel geen reden tot ontslag. Dit is al de vierde meid in een half jaar die weg wordt gestuurd. Wat moeten de buren denken? Er wordt al gepraat! Griet wil echter niet luisteren, integendeel, ze wil Barends Griet, die in een half jaar wel tien meiden had versleten, verslaan. Moeder en dochter gaan deurensmijtend het huis in en Aal gaat weg.

Jan richt zich weer tot de jonge lieden: zie je wel! Niet trouwen! Hij haalt een Romeins orator aan:

            Indien het moogelijck was om sonder Vrou te leven,

            Wy vlooden al te saem dit moeyelyk verdriet;

En souden nimmermeer ons tot dien last begeven,

Nu buygen wy den neck nae ’t geen natuur ghebiet.

En hy voegde daar noch by: Een vrou is een nootsakelijck quaet.

En hoewel er ook latinisten zijn die zeggen dat het parels zijn, door de bank deugen ze niet. Het spreekwoord zegt: ’t Was de beste Griet die den Duyvel op ’t kussen bant.

Mr. Abraham, de notaris, en vrijer van de jonge Griet, komt bij het huis van Griet en filosofeert wat over serieus vrijen. Hij klopt en Grietje doet zelf open. Ze vindt het wat laat, maar hij zegt dat hoe later men komt hoe serieuzer men is. Hij probeert haar er van te overtuigen dat hij veel van haar houdt, en dat niet om haar geld. Hij is een fatsoenlijk man en geen hoerenloper. Nee, zegt Griet, maar die hebben lelijke vrouwen thuis, die moeten wel. Hij wil met haar trouwen. Ze vrijen nu al twee jaar, het wordt een kwelling. Ze zal het haar ouders voorleggen, want zonder hun toestemming gaat het feest niet door.

Intussen komen twee makkers, Simon van Bystervelt en Dirck de Beer, elkaar vroeg in de ochtend tegen. Dirck komt uit Enkhuizen. Of hij nog vijgen heeft gegeten [de scheldnaam voor de Enkhuizers luidt 'vijgen']? Dat heeft hij tot verbazing van Simon niet. Wie gaat er nou naar Enkhuizen en eet daar geen vijgen als ze rijp zijn? Dirk had daar gelogeerd in een herberg van een echtpaar dat de hele tijd ruzie maakte. Daar ging hij nooit meer heen. Dat gebeurt hier in Amsterdam ook, zegt Simon. En hij vertelt over het herbergierechtpaar, dat een grote herberg heeft. De man moest vis halen en kreeg ruzie met zijn vrouw over de bereidingswijze. Ze gingen vechten, en de man won. ’s-Avonds wilde zij lang opblijven met een lekker vuurtje aan. Hij deed het vuur steeds weer uit. Weer gekrakeel en vechten en alle gasten werden wakker. De volgende dag bezoop hij zich, en zij vervolgens ook en ze lag zo te stinken in haar bed, dat het een wonder mag heten wanneer de zaken goed blijven gaan. Dat dat in de stad gebeurde verwonderde Dirk zeer. Als het nou buiten de St. Teunis poort gebeurde, dan was dat logisch. En ze gaan eens kijken in de betreffende herberg.

Jan vertelt zijn dochter hoe de verhoudingen in haar huwelijk met Abraham zouden moeten zijn: zij moet echt van hem houden, aardig voor hem zijn, gehoorzaam zijn en doen wat hij begeert.

            De vrou moet altijdt de minste wesen, dit is een les die ons den Hemel gaf,

            En die haer boven haer man verheft, die ghenaeckt voor seker straf.

            Zijt dan u man onderdanig, op datme alles goeds vanje mach getuygen.

Dit schiet zijn echtgenote in het verkeerde keelgat. Haar dochter is haar dochter niet meer als zij zich zo gaat gedragen. Ze bezweert haar dochter dat dus niet te doen. Jonge Griet stelt haar gerust. Ze laat zich liever hangen. Ze zal van meet af aan niets doen wat hij van haar wil: dan weet ie meteen waar hij aan toe is. Juist wanneer haar ouders beginnen met ruzie maken moeten ze ermee stoppen want notaris Abraham komt eraan. Hij vraagt om Grietjes hand. Die krijgt hij. En Grietje belooft lief en gehoorzaam te zijn.

Jan wil de sleutel van de kast hebben om zijn jas eruit te halen. Hij moet naar een bijeenkomst. Griet geeft de sleutel niet: hij moet de administratie doen en zij gaat uit. Jan legt zich erbij neer. Er zijn mannen die het nóg beroerder getroffen hebben, die moeten hun vrouw zelfs om geld vragen.

Simon van Bystervelt en Dirck de Beer komen uit de herberg. Het was inderdaad een hel daarbinnen. En de herbergierster licht de klanten nog op ook. Laatst had zij haar gasten, Heeren van Staat nota bene, een veel te hoge rekening gegeven. De heren trapten er niet in: zij wisten wat ze hadden verteerd. Ze betaalden, maar zeiden dat ze er nooit meer zouden terugkomen. Ze komen notaris Abraham tegen, die ze geluk wensen met zijn huwelijk met dat pareltje. Abraham nodigt ze binnen. Grietje begint meteen te kijven: ze mogen niet de mooie kamer in want dan wordt het vuil. Hij wordt naar het voorhuis gestuurd. Hij vraagt of de meid wat komt inschenken. Dat kan niet, want ze is vrij. En Grietje doet het niet: ze is de meid niet. Dus doet Abraham het zelf. Maar Griet weigert hem de sleutel van de kelder te geven, want ze wil niet hebben dat ze zitten te drinken. Hij pikt dat niet. Tenslotte is hij de baas in huis. Zij schampert dat weg. Maar hij wenst niet dat zij in bijzijn van de twee gasten zich zo gedraagt. Hij gaat de kelderdeur intrappen.

Moeder Griet komt haar te hulp en geeft haar groot gelijk. Simon en Dirck vinden Grietje een helleveeg en denken dat Abraham daar wat aan moet doen, want anders wordt zijn leven een hel. Ze vertrekken. Abraham komt terug en vraagt Griet waar de heren gebleven zijn. Grietje deelt hem mee dat hij voortaan moet doen wat zij zegt. Abraham vraagt zijn schoonmoeder wat ze daar van vindt. Deze geeft natuurlijk haar dochter gelijk. Abraham waarschuwt hen: de volgende keer zal hij het niet meer pikken. Grietje dreigt terug: ze zal hem tot moes slaan.

Jan komt er ook bij en berispt de beide dames, die daar echter geen boodschap aan hebben. De heren blijven samen achter en filosoferen wat over dat men beter arm kan zijn dan een kwaad wijf te hebben. Als je arm bent kun je altijd nog rijk worden, heb je een kwaad wijf dan hang je daar je hele leven aan. Abraham denkt erover om bij haar weg te gaan, maar Jan ziet daarin allerlei bezwaren. Hij had het kunnen weten hoe Grietje was: hij had de moeder toch gezien? Abraham vindt dat Jan zijn dochter beter had moeten opvoeden. Hij ziet er ook niets in om zijn vrouw alsmaar te slaan en steeds maar ruzie te maken. Hij heeft wel eens gehoord dat kinderen vaak wakker liggen, wanneer ze in hun jeugd niet genoeg werden gewiegd. Hoe was dat met zijn dochter? Lag die veel te blèren in de wieg? Jan beaamt dat. Dat brengt Abraham op een idee. Hij gaat naar de buren, Trijn en Floris, om daar een wieg te lenen. Deze zijn verbaasd: zijn vrouw is toch niet bevallen? Hij krijgt de wieg en belooft ze later te vertellen waarvoor hij deze nodig had.

Griet komt naar buiten en vraagt of hij nog wat slaag wenst te krijgen. Hij pakt haar en doet haar in de wieg en gaat haar wiegen:

            Soo selmen die boose wijven temmen, ja, ja, ja:

            Al souwense in heur tranen swemmen, fa, la, la.

Ze probeert uit de wieg te komen, maar hij houdt haar er in, want hij wil haar voor eens en voor al klein krijgen. Wanneer zij belooft lief te zijn, laat hij haar eruit, maar als ze dan meteen weer begint te kijven, duwt hij haar weer terug in de wieg. Wanneer ze blijft schelden, gaat hij een wiegeliedje zingen. Ze bedaart en belooft beterschap. En nu meent ze het: ze zal lief en gehoorzaam zijn. Jan wil zijn vrouw ook gaan wiegen. Abraham richt zich tot de zaal en biedt lotgenoten aan om gratis hun onwillige vrouw te wiegen. Het lijkt erop, getuige het verslag van boer Jaap hierboven, dat ook Jan Goet-bloets Griet gewiegd werd. Een verstandig besluit van de regie om de hilariteit voor de toeschouwers wat groter te maken.

posted @ 9:50 AM | Feedback (0)