Op maandag 6 januari 1625 was de première van het treurspel Biron van Hendrik Roelandt. De première vond plaats op het toneel van de Nederduytsche Academie, dat toen bespeeld werd door de Brabantse Kamer, de rederijkerskamer waar ook Vondel lid van was. In 1625 werd het stuk tien keer achter elkaar gespeeld. Ook in 1629 werd het weer tien keer opgevoerd. In dat jaar werd het stuk ook voor het eerst gedrukt.
Op de Amsterdamsche Schouwburg was Biron immens populair. In januari 1639 werd het stuk negen keer gespeeld en van 1643 tot 1665 ten minste één keer per jaar, in het totaal in die jaren 61 keer. Omdat het stuk in augustus 1667 werd bewerkt voor opvoeringen op de nieuwe Schouwburg kunnen we aannemen, dat het in het seizoen 1667-1668 gespeeld is. Het repertoire van de periode 1665-1672 is helaas nauwelijks overgeleverd en in 1672 werd de Schouwburg gesloten wegens het Rampjaar tot 1677. Daarna werd het nog een keer opgevoerd in juni en oktober 1678, in juni 1679 en voor de allerlaatste keer op 8 november 1683.
De titelrol werd de eerste decennia gespeeld door één van de beste en succesvolste toneelspelers van die tijd, Thomas de Keyser (1597-1651), die al sinds de Academie van Samuel Coster verbonden was geweest aan het theater aan de Keizersgracht. Over de opvoering van het stuk met hoofdrolspeler De Keyser hebben we een contemporaine bron, het anonieme amusante boek vol roddels over de Schouwburg, De geest van Matthæus Gansneb Tengnagel, in d’andere werelt by de verstorvene poëten uit 1652, vers 121-128:
’K sie Byron daer, ’k meen sijn maker
Roelants die hem buldren doet:
Wat’s dat ook een duyvelbraker!
’K krijg een grilling in mijn bloed,
Die mijn hair te berg doet rijzen
Als ik my ’t gedacht verbeel.
Keyzer, dee’er duyzent yzen
Als ’t gespeeld wiert op ’tooneel.
Voor de première van het stuk in 1625 werden onkosten gemaakt voor de kleren van Biron: zes gulden voor het hoofd, tien stuivers voor poveretten [=geplooide manchetten], een gulden en tien stuivers voor het maken van ‘pypen’ [=holle, cylindervormige plooien] in de halskraag en zes gulden voor de huur van de mantel.
Het stuk is altijd beschouwd als een bewerking van het Spaanse El mariscal de Viron van Juan Perez de Montalvan. Het Spaanse stuk is echter pas later geschreven en nog veel later gedrukt en na vergelijking van de beide stukken kan men constateren dat het één geen overeenkomst vertoont met het ander. Ook met het stuk van George Chapman, The Conspiracy and Tragedy of Charles, Duke of Byron, Marshall of France, heeft Roelandts stuk niets te maken. Het stuk behandelt een actueel onderwerp: de Franse koning Henri IV, die op 31 juli 1602 werd verraden door Charles de Gontaut-Biron (1562-1602), was een bondgenoot van de opstandige Nederlanden en had de Spaanse koning als vijand. Daarbij was de Franse koning de kampioen van de vrijheid van godsdienst, een vrijheid die in Amsterdam, waar de predikanten hadden gezorgd voor de sluiting van de Nederduytsche Academie, door de liefhebbers van het toneel ook werd nagestreefd. Het toneel werd sinds september 1624 weer bespeeld en na de opvoeringen van Biron in januari en februari 1625 zou er pas weer in juli worden doorgespeeld. De hele geschiedenis, die afgezien wat extra dramatische scènes zoals die waarin Biron kaart met de koningin, door Roelandt vrij waarheidsgetrouw is weergegeven, viel in 1627 te lezen op pagina 176-192 van P.C. Hoofts Henrik de Gróte.
Over de auteur is buiten dit succesvolle toneelstuk niets bekend, behalve dat hij de druk uit 1638 bij D.C. Hout-haeck zelf “op nieus, voor sijn doot, oversien ende verbetert” heeft. Hij maakte zich niet druk over het feit dat een treurspel in die periode idealiter werd ingedeeld in vijf bedrijven. Het stuk heeft een ‘eerste uytcomste’, en daar blijft het bij. Wel geeft hij toneelaanwijzingen. Bepaald aandoenlijk doen de drie aanwijzingen aan, waarin hij meedeelt dat er eventjes gepauseerd of gerust moet worden. Wanneer men dat als einde van een bedrijf beschouwt, dan heeft het stuk toch vijf bedrijven. Het doet wat vreemd aan dat iemand die zo'n pakkend toneelstuk heeft geschreven, dat ook nog eens uitblinkt in eruditie en fraaie verzen, niet meer geschreven zou hebben.
Net als de hiervoor op 31 december 1648 besproken klucht van Boelens werd ook Biron door de fatsoensrakkers onder handen genomen. Waar Boelens nergens meer werd genoemd, niet op de titelpagina en zelfs niet in de opdracht van bewerker Pluimer, is Roelandt door de anonieme bewerker wel in ere gehouden als auteur. Het is de vraag of Roelandt zijn stuk er in herkend zou hebben. De bewerker informeert de ‘konstlievende lezers’ over zijn beweegredenen:
“Dit Treurspel van den vermaerden Heldt Biron geniet d’eer dat het menigmael, door de vlijt en zorge van de Regenten van d’Amsterdamsche Schouwburg, op hun toneel wort gebracht om alle Aenschouwers, als door een levend voorbeeldt, krachtigh in te boezemen, wat quaedt verblinde Staetzucht, verselt van ’t heylloos Verraet, oock den deurluchtigsten Helden kan veroorzaken: op dat een yeder leere, sijn wettige overheidt, waer onder hy geboren is of leeft, getrouw te zijn en te gehoorsamen. Maer dewijl dit Spel over meer dan veertig jaren is gerijmt, waren daer in eenige aenstootelijckheden (die men in dese tijdt, met de grootste reden, verwerpt) te vinden, als het misbruick van Gods allerheyligste naem, en veele schrickelijcke en overtollige vloecken, waer door het ten deel van sijn glans, in de oogen der verstandige Konstbeminnaers, wierd berooft. Derhalven heb ick eenige ochtend-uren aengewent, om de gemelde misbruicken weg te nemen: en dat te liever, dewijl ik weet dat de gemelde Regenten alle de voorverhaelde en andere aenstootlijkheden uyt den Schouwburg in een eeuwige ballingschap senden. Hoe verre mijn pooging my geluckt is, laat ick aen ’t oordeel der Liefhebbers van de edele Dichtkunst, die ick bid mijnen arbeit ten besten te duyden, en dit en ander Toneel-stucken tot hun verbetering te gebruicken. Vaert wel. t'Amsterdam, desen 22 van Oogstmaand, 1667.”
Over deze Frans-classicistische grote schoonmaak kan men hier lezen in het artikel van Anna de Haas.
Het spel begint met koning Hendrik IV, de koning die ooit Protestant was geweest en nu als katholiek vorst voor godsdienstvrijheid was. Hij memoreert dat na vele moeilijkheden alles nu rustig en vreedzaam is. Ook in de Nederlanden gaat alles gelukkig goed: Lodewijk van Nassau zal vast en zeker overwinnen. Hij wil op jacht en laat iemand de Duc de Biron halen, want alleen op hem vertrouwt hij volledig.
Biron intussen verwoordt in een fraaie monoloog zijn gemoedstoestand: als kapitein in oorlog was hij een belangrijk man, en wat is hij nu? Niks! Is hij geen kroon, geen troon waard? Hij verveelt zich in vredestijd, hij wil vechten, hij wil macht. Er zijn heel wat edellieden die nu met hun ziel onder de arm in Frankrijk rondlopen omdat er niets meer te vechten valt. Zij vervallen in armoede. Maar ja, hij gaat nu maar naar het hof, om met zijn majesteit op jacht te gaan.
Vier berooide edellieden, Nicolaes, Philips, Pieter en Jeremias, zijn aan het mopperen: ze hebben geen geld en niets te vechten. Ze maken plannen om dan maar wat boeren te gaan plunderen. Of af te reizen naar Nederland, “daer hoortmen noch gheraes / Van Trommel en Trompet, daer deyltmen om de kaes / Die wy den Spaengiaerden soo dickmael deden eten / Doese met duysenden van ons zijn doot ghesmeten. / ’t Was al Gout datter blonck, het schijnt ten mocht niet op, / Nu loopen wy beroyt met eenen lichten cop, / Wat duyvel of ons houdt, laet ons rooven en branden.” In ieder geval gaan ze er met geweld voor zorgen dat ze hun oude staat van weelde en oorlog weer krijgen.
Biron heeft de hand van de dochter van de hertog van Savoye aangeboden gekregen, wanneer hij Hendrik van zijn troon weet te stoten. Hij gaat op pad, eerst naar de edelman Lafin, die al net zo ontevreden is als zijn lotgenoten. Hij zegt Biron graag toe zich te melden wanneer hij hem nodig heeft. Biron hoort dat alle edellieden aan lager wal zijn geraakt en actiebereid zijn. Dat is nou net wat hij wil horen. Hij gaat nu naar een andere krijgsmakker, Hendrik van Auvergne (Hendrik van Bouillon) om de zaak goed mee door te spreken. Ook de Spaanse ambassadeur zal hij vast op de hoogte brengen. Maar allereerst gaat hij aan het hof de vrolijke Frans uithangen, zodat ze niets in de gaten zullen krijgen.
De edellieden Renaze en Lafin uiten hun ongenoegen over hun huidige staat. Intussen bespreekt Biron met Auvergne en de Spaanse ambassadeur de plannen. Ze zien de beide edellieden en spreken hun aan. In dit gezelschap doet Biron zijn plan uit de doeken. Hij stuurt Renaze naar Hendrik van Auvergne met in een brief het volledige scenario van de beraamde moord. Deze moet dan klaar staan om de kroon van Frankrijk over te nemen. Hijzelf zal op jacht gaan met de koning en hem door de edelen en hun soldaten laten vermoorden. Wanneer de taken zijn verdeeld, wrijft de Spaanse ambassadeur zich in de handen. Hij had nooit gedacht dat Biron tot zo iets te porren zou zijn geweest, maar zoals het spreekwoord zegt: “Eergierich van ghemoedecan nimmer van hem legghen / Het gheen hy voor hem neemt.”
Het gerucht dat Biron zijn kroon, ja zelfs zijn leven te na staat, heeft de koning bereikt. Hij vraagt zich af hoe Biron hiertoe kon komen: heeft hij hem niet altijd begunstigd? Was hij niet een vermogend man geworden dankzij hem? Of zou het een vals gerucht zijn? Nemours, secretaris van de koning, wijst erop dat Biron veel vijanden heeft onder de edellieden, die jaloers zijn op het feit dat de koning hem voortrekt. Het is dus afwachten.
Lafin begint te aarzelen. Hij heeft vernomen dat de koning al op de hoogte is gesteld van het verraad. Hij is zo stom om zijn aarzelingen uit te spreken tegen de Spaanse ambassadeur Fuentes.
Jeannin, President van de Hoge Raad bespreekt met Nemours het morren van het volk dat bij zo’n staatsgreep gevaarlijk kan worden. Het is zaak daarop te anticiperen. Jeannin zal Biron hierop aanspreken.
Biron zit in zak en as. Hij vertelt het Auvergne. Lafin heeft hen verraden. Die moeten ze om zeep helpen. Lafin intussen maakt zich op om naar Parijs, naar de koning te gaan. Hij voelt zich verraden door Fuentes. De koning is in beraad met Jeannin en Nemours. Hij kan nog steeds niet geloven dat Biron hem voor geld wil verraden. Jeannin zegt dat het toch echt zo is. Hij haalt nu Lafin er als getuige bij, die hem het plan van Biron ontvouwt en hem vertelt over de samenzwering met Savoye en de Spaanse ambassadeur. Hij laat de brief zien die hij van Biron aan Auvergne moest geven. De koning is nu overtuigd en geeft bevel Biron gevangen te zetten.
Biron heeft een onderonsje met zijn minnares Cieria. Deze is bevreesd. Ze heeft een voorspellende droom gehad, waarin een dappere leeuw, Biron, werd beschuldigd van verraad en door tijgers werd omgebracht. Ze smeekt hem niet naar het hof te gaan. Wanneer hij toch gaat, smeekt ze hem en hun zoontje nog eenmaal te kussen. Dat doet hij en vertrekt, haar in grote vrees achterlatend.
Biron gaat naar het hof en komt Auvergne tegen, die met hem meegaat. Biron zegt, dat hij wilde “Dat ’t noyt begonnen waer, dat waer ons wel soo goet.”
Tegenover de koning ontkent Biron, maar de koning heeft bewijs. Biron is geschrokken, de koning wil hem niet geloven. Maar Biron blijft volharden in zijn ontkenning van de feiten. Zelfs de koningin kan hem niet op andere gedachten brengen.Ook de belofte dat hem vergiffenis geschonken zal worden als hij bekent helpt niet tot verbijstering van iedereen blijft hij koppig ontkennen. De koningin vraagt hem die avond bij haar langs te komen. Dat zegt hij toe.
Auvergne wil met Biron vluchten. Maar Biron wil dat niet. Hij gaat kaartspelen met de koningin. Auvergne blijft hem dan toch trouw.
De koning filosofeert over hoe het kwaad het kwaad vermeerdert. Hoe kan iemand zo lang en tegen beter weten in volharden in het ontkennen van de waarheid. Hij vraagt Vitry, kapitein van de garde, Biron in te rekenen wanneer deze niet komt. De koningin zal proberen hem de waarheid te ontlokken. Maar eerst doet de koning nog een vergeefse poging. Biron en de koningin gaan kaarten. Tegelijkertijd neemt de koning Auvergne apart, die al gauw toegeeft, dat hij betrokken is bij het verraad. Hij smeekt om vergiffenis, maar de koning ontsteekt in woede. Dan verraad Auvergne Biron als de aanstichter en verlaat het vertrek. De koning beschuldigt Biron nogmaals en Biron ontkent weer. De koningin wijst hem er intussen op dat hij vals speelt door de kaarten verkeerd te geven. Hij verontschuldigt zich: dat was nooit zijn bedoeling. De koningin wijst erop dat hij wel het ene na het andere spelletje wint. Biron zit nu met twee leugens opgescheept. De koningin breekt het kaartspel af. Biron vindt het nu tijd Auvergne op te zoeken en samen te vluchten. Maar dan wordt hij ingerekend door Vitry. Auvergne en Biron willen de koning spreken, maar dat gaat niet meer. Vitry vraagt Biron zijn geweer te overhandigen. Biron weigert ook zijn zwaard af te staan, waarmee hij de koning heeft verdedigd, maar gaat uiteindelijk door de knieën. Ook Auvergne geeft zijn zwaard aan Vitry. Ze worden in de gevangenis opgesloten.
De koning dankt God voor de goede afloop, maar hij is bedroefd dat dit allemaal is gebeurd. Jeannin dringt erop aan dat Biron nu zijn verdiende straf krijgt. De koning heeft het er moeilijk mee, maar laat zich door Jeannin en Nemours ervan overtuigen dat hij voor de rechters moet verschijnen.
Laforce (Jacques-Nompar de Caumont, duc de la Force, 1558-1652), een bloedverwant van Biron, bezoekt met een paar vrienden van Biron deze in de gevangenis. Een soldaat wil hen niet meteen toelaten, maar Vitry keurt het goed. Biron verontschuldigt zich meteen: zonder zwaard is hij niet meer dezelfde. Hij vraagt hen een goed woordje te doen bij de koning. Maar Laforce wijst hem erop dat hij zichzelf in deze nesten heeft gewerkt en hun te schande heeft gemaakt. Hij moet zelf de koning genade afsmeken. Biron vraagt hem te helpen en zijn verzoek bij de koning te brengen. Hij heeft er alles voor over. Hij wil de Turken gaan bevechten en de Fransen roem brengen, hij zal desgewenst hele landen platbranden. En als de koning zo wreed is hem dat niet te gunnen, laat hij hem dan maar naar de duivel zenden. In de gevangenis wordt hij gek, bezocht als hij wordt door duizend saters, die met zijn gedachten spelen.
Laforce doet welbespraakt een goed woordje voor zijn neef. De koning legt hem uit dat hij Biron in dit stadium echt niet meer kan beschermen. Iedereen zou hem verwijten dat hij Biron een ander recht dan zijn verdiende straf zou geven. Het hele land, zijn familie, de troon: alles en iedereen eist van hem rechtvaardigheid. Laforce zegt dat hij niet begrijpt hoe Biron, die zoveel van de koning hield, tot deze daden is gekomen. Dat beaamt de koning. Laforce probeert het nog met de schande die er over zijn familie wordt uitgestort, maar dat vindt de koning geen argument: kijk maar eens naar de wandaden van zijn eigen voorouders, maar dat schaadt hem niet. Hij zal niemand zijn ambt afpakken omdat een bloedverwant een verrader was. Het gezelschap gaat gerustgesteld naar huis.
De koning drukt de rechters op het hart rechtvaardig te oordelen. Hij zoekt niet de dood voor Biron, maar een rechtvaardige straf. Zelf gaat hij naar Fontainebleau. De rechtszitting begint. De vier raadsheren betreuren het dat ze een persoon, die ze in het verleden met zoveel vreugde zagen, nu moeten gaan verhoren en veroordelen. Biron wordt voorgeleid en toont zich verbaasd over het feit dat hij hier moet verschijnen. En weer ontkent hij in alle toonaarden. Hij weet van niets en de brieven zijn vervalst. Hij beroemt zich weer op zijn heldendaden als krijgsman. Jeannin wijst hem erop dat hij terecht staat voor een misdaad van de hoogste graad: crimen laesae Majestatis, ofwel hoogverraad. Er is geen ontkomen meer aan. Biron smeekt: “Ghenade en gheen recht, denckt wat ick was voor desen.” De raadsheren gaan zich beraden en zij kunnen niet anders dan hem ter dood veroordelen.
Wanneer Biron het vonnis hoort, kan hij het nauwelijks geloven. Dan roept hij dat Lafin, die hem verrraden heeft, geen rust zal krijgen, want zijn ziel zal hem achtervolgen. Hij doet de schede van zijn degen af. Het wapen was hij al kwijt. Nu is hij geen maarschalk meer. Ze kunnen ook zijn sporen krijgen, hij is geen ridder meer. Jeannin houdt hem nogmaals voor dat hij het allemaal aan zichzelf te danken heeft.
Terug in de gevangenis zit Biron nog na te mopperen. Vitry komt hem vertellen dat hij om drie uur in de middag zal worden onthoofd. Biron zegt waardig te zullen sterven, maar hij wil nog één keer vrijuit spreken. Hij spreekt zijn soldaten toe en roept hen op voor de koning te vechten, en hem niet te verraden zoals hij zelf heeft gedaan. Dan bid hij dat God hem tot zich zal nemen en dat de hellehond kan worden afgeslagen. Hij wil de beul zijn ring en wambuis schenken. Deze weigert. Biron ontsteekt in woede, Vitry zegt dat hij moet bedaren. Biron barst weer uit in een monoloog vol zelfbeklag, en stelt als laatste eis zijn geestelijke vader te mogen spreken. Dan valt de bijl. Het hoofd van zes gulden zal toen omhoog gehouden zijn. Vitry heeft nog het laatste woord. Hij citeert tenslotte de spreuk van Solon (Nemo ante obitum felix, destijds toegeschreven aan Solon), die ook op de titelpagina van het stuk staat:
Hoe machtigh, Edel, Rijck of Groot,
Niemandt gheluckigh voor sijn dood.