Wednesday, December 31, 2008

Op 31 december 1648 gaat de Klucht van de Bedrooge Vryer van Adriaen Boelens in première. Over Boelens, vermoedelijk een telg uit het geslacht Boelensz. dat sinds de zestiende eeuw allerlei functies in Amsterdam had bekleed en geparenteerd was aan vele vooraanstaande Amsterdamse families, zoals de Bickers, is weinig bekend. Deze Boelens zal genoeg geld hebben gehad om stil te leven. In 1648 schreef hij twee kluchten en een reeks vertoningen ter gelegenheid van de vrede van Munster voor de Schouwburg. De andere klucht en de vertoningen zullen te gelegener tijd worden besproken. Dankzij een opdracht van Isaak Vos voor De beklaegelycke dwang (1648): Aen mijn Heer Ioncker Adrien Boelens, Edelman van mijn Heer Geerard Schaep, Burgermeester t’Amsterdam, Zijnde Ambassadeur van haer Hoog:Mog. By Wijlen Kristiaen de IV. Koninck tot Denemarcken, &c. weten wij wat hij in 1644 deed. In 1644 werd onder andere de Amsterdamse regent Gerrit Schaep als tijdelijk ambassadeur naar Denemarken afgevaardigd. Zij voeren op de oorlogsvloot van Witte de With mee, toen deze naar de Sont werd uitgezonden om de voornamelijk Amsterdamse koopvaardijvloot in verband met de oorlog tussen Denemarken en Zweden te beschermen. Boelens is als kamerheer van Schaep meegegaan. Een tweede opdracht, van Jan Vos voor Inwyding van de Schouburg t'Amsterdam, dat in 1665 bij de heropening van de Schouwburg werd opgevoerd, vermeldt hem als regent van het Oudemannenhuis, één van de twee instellingen die als eigenaar van de Schouwburg profijt hadden van de recettes. Wagenaar vermeldt hem als regent van het Oude Mannen- en Vrouwenhuis van 1658-1662.

 

Tot en met 1664 is de klucht ten minste 19 keer gespeeld. In die periode werd niet altijd opgetekend welke klucht werd opgevoerd, dus het aantal opvoeringen zal voor alle kluchten uit die periode zeker hoger liggen. In 1678 wordt het weer op het repertoire genomen. Op 20, 23 en 27 juni werd het als naspel opgevoerd. Maar sinds de jaren ’70 werden al te grove kluchten, en in deze klucht wordt heel wat afgescholden en gevochten, niet meer zo gewaardeerd. Dat hield in dat de meeste kluchten van vóór 1665 niet meer op het repertoire werden genomen. De Schouwburg was juist weer opengegaan, na een sluiting van juni 1672 tot eind november 1677. Er werden wat oude succesnummers van stal gehaald, waaronder kennelijk ook Boelens’ klucht. De pret zou niet lang duren. Joan Pluimer (1646-1720) was een aanhanger van de ideeën van het smaakmakende kunstgenootschap Nil volentibus arduum, dat fatsoensnormen ingevoerd wilden zien op het toneel van de Schouwburg. Pluimer beijverde zich in 1678 zeer voor de Schouwburg en hij zou dan ook spoedig regent van de Schouwburg worden. Hij schreef het in februari 1678 opgevoerde Voorspel ter openinge van de Schouwburg, een programmatisch gelegenheidsstuk in de geest van het genoemde genootschap en hij bewerkte de aanstootgevende klucht van Boelens onder de titel De verliefde Lubbert. In zijn opdracht aan de ‘Gunstige leezer’ zette hij uiteen wat hem ertoe had gebracht de klucht te bewerken: “Eenige tijd geleden, kwam my de Klucht van de Bedroge Vryjer in handen, over de welke ik met een van mijn Vrinden sprekende, vonden wy die zodanig, dat wy oordeelden, zo dezelve van alle aanstootelijkheden, en eenige misstellingen gezuivert wierd, dat die dienstig zou kunnen zijn, om tot proffijt der Armen, te Tooneele gebragt te worden: waar door ik aangeprikkelt wierd om zulks te doen. Ik heb daar by gedaan en afgenomen, ’t geen ik noodig oordeelde. Indien het U E. eenigsints behaagt, zal ik mijn moeiten dubbelt betaalt achten. Vaar wel.” Het resultaat kan helaas niet tippen aan het inderdaad hier en daar behoorlijk platvloerse origineel: zo saai en de dialogen zo keurig. Het stuk ging op 15 augustus 1678, ternauwernood twee maanden na de opvoeringen van het origineel, in première. Het zou tot juli 1683 nog twaalf keer worden opgevoerd.

 

 

Remmert heeft een afspraakje met Jannetje Smickbuyls, die net op het nippertje aankomt. Hij begint aan haar te zitten en vrijpostige opmerkingen te maken. Zij is daar niet van gediend. Wanneer ze haar huis in is gegaan, loert Remmert naar binnen. Jannetje straft hem af door de inhoud van de pispot in zijn gezicht te gooien. Een scheldpartij tussen beiden maakt de ruzie nog groter. Tjemke komt op en ziet Remmert gebaren en vraagt hem of hij tegen zijn eigen schaduw vecht. Remmert doet bij haar zijn beklag: hij is niet de eerste de beste domoor, maar iemand die wel een half jaar Latijn heeft geleerd bij Magister Stephanus Ingelheim in de Witte Vergulde Roos. Zijn neefje Jasper, die naar de Groot-school gaat, kan dat getuigen. Tjemke vindt dat hij vies ruikt. Remmert vertelt wat hem is overkomen. Ze vraagt of het ook in zijn gezicht terecht is gekomen: maagdenpis is zo scherp als loog, als je het er niet afhaalt dan zal hij eruit gaan zien als een Lazarus. Maar zij heeft een remedie, “[…] een compositie of een salfje van Foely, Van ouwe verdrooghde Mannetjes-Neuten [=mannelijke noten, kloten], gemenght met oly quater cluniom [=olie van de crena clunium, poep] en conserf [=geneeskrachtige stroop] van broot: Och vaer, al waerje soo schubbigh [=schurftig] als een Hondt […], dees salf kan 't altemael wegh nemen en verteeren.” Remmert vindt het nu helemaal schandalig wat Jannetje hem heeft geflikt en neemt zich voor haar dat ooit betaald te zetten. Tjemke komt inmiddels met het zalfje. Ze schrobt hem grondig tot hij gaat piepen. Hij begint haar flink uit te schelden en Tjemke stuurt hem weg: “Kijck Hanne [=sul, lulletje lampekatoen] met sijn Veur-broeck [gulp], wegh Sot, wegh Geck, wegh Neske-bol [=zot, mafkees], jou, jou. Remmert komt erachter dat het zeep is, maar is onzeker hoe hij er nu uitziet. Hij veegt zijn gezicht schoon met zijn zakdoek.

Colijntje komt op. Remmert valt meteen weer als een baksteen. Zij is afkomstig uit Brussel, dus weet Remmert aanvankelijk niet welke taal zij spreekt. Hij probeert eerst ‘Mofs’, dan Engels en vervolgens denkt hij dat ze Frans spreekt. Maar wanneer ze zijn rare Frans ook al niet verstaat, vraagt hij waar ze vandaan komt. Uit Brussel dus, en ze heeft ook lang in Vlaanderen gewoond. Remmert schept op over het feit dat hij lange tijd heeft verkeerd in Vlaamse en Brabantse rederijkerskamers en dat hij een ‘expert Retrosien’ is. Ze zegt hem zijn handen thuis te houden, maar hij smeekt haar om een zoen. Hij blijft haar lastigvallen tot ze bij haar huis zijn. Hij vraagt toestemming om haar een aubade te mogen brengen die avond. Hij gaat op zoek naar de speellieden Roncifox en Knipperdollingh. Hij komt Floris de stadsbode tegen die hem aanzegt morgenochtend om negen uur voor de rechter te verschijnen.

Jannetje, Tjemke en Gerbrechje bespreken de aanstaande rechtszaak. Jannetje zal een procureur erbij halen ter ondersteuning.

Remmert draagt ten overstaan van de speellieden en zijn neefje Jaspertje een aantal rederijkersverzen voor, die ze moeten gaan zingen. De speellieden nemen hem in de maling. Colijne komt in het venster. Ze zegt hem op te hoepelen en naar bed te gaan. Maar Remmert wil indruk op haar maken met een Latijnse toespraak. Hij laat Jaspertje, die uit haar zicht moet blijven, het hem voorzeggen. Colijne is noch van de muzikale, noch van de geleerde aubade onder de indruk. Op zijn vraag wat haar dan zal behagen, vraagt ze hem op een schalmei te blazen, die echter geen geluid maakt maar er wel voor zorgt dat zijn gezicht onder het roet komt. Remmert springt weer uit zijn vel en zijn drie gezellen proberen hem tot bedaren te brengen.

‘Dronken’ Gerrit de procureur wordt door Jannetje ingehuurd om haar raad te geven in haar rechtszaak. Remmert wil zij aanklagen wegens “kracht en gheweldt, op dat hem de beul de schouwers wat magh veeghen [=afranselen].” Hij vindt dat ze de zaak te hoog opvat en een te zware straf voor Remmert wil. Tenslotte heeft hij haar niet verkracht. Tjemke vindt het ook te ver gaan. Jannetje wil iets om haar moed te geven voor de rechtzaak, bijvoorbeeld een glas jenever, maar Gerritje geeft haar daarvoor een poedertje. Vervolgens komt hij Remmert en Jaspertje tegen, die ook onderweg zijn naar de rechter. Hij geeft Remmert hetzelfde recept. Ook Colijntje komt, gedagvaard door Remmert omdat ze hem had zwart gemaakt. Gerrit gaat met haar mee en voorspelt haar een gunstige afloop. De schout en Floris de stadsbode roepen de partijen binnen. Zij hadden het poedertje opgesnoven, dus staan zij hevig niezende voor de schout. Deze wordt kwaad, omdat hij denkt dat hij in de maling wordt genomen. Een algemeen plukharen is het gevolg, waarbij Gerritje de procureur als de stofwolken zijn opgetrokken wat van zijn hoofdhaar en een halve baard mist.

posted @ 5:20 PM | Feedback (0)