Monday, October 06, 2008

Op donderdag 6 oktober 1644 ging het gruweldrama van Geeraardt Brandt (1626-1685) in première. De auteur was zeventien jaar toen hij het stuk schreef. Hij was, net als zijn vader, horlogemaker. Zijn vader was tijdens de première één van de hoofden van de Schouwburg. De jongeling zal zonder twijfel het successtuk Aran en Titus van de glazenmaker Jan Vos op de Schouwburg hebben bewonderd. Dit stuk vol gruwelijke moorden en verkrachtingen kende vanaf de première een groot succes. Op 19 december 1645 woonde Tesselschade Roemers Visscher een voorstelling bij, waarop Brandt vol trots een gedicht schreef. Onder de bewonderaars van dit stuk bevond zich ook de hooggeleerde Caspar van Baerle. De hoogleraar in de wijsbegeerte aan het Atheneum Illustre te Amsterdam hield kennelijk van dit soort Senecaans toneel, want ook dit stuk kon, net als Jan Vos' stuk, zijn goedkeuring wegdragen. Hij schreef voor de uitgave ervan een drempeldicht. Hij zag het dusdanig zitten in deze jongen, dat hij hem stimuleerde theologie te gaan studeren, wat hij vanaf zijn tweeëntwintigste zou gaan doen. Hij zou in 1652, het jaar dat hij als Remonstrants predikant werd beroepen in Nieuwkoop, de dochter van de in 1648 overleden Barlaeus trouwen. Als we Jan Vos mogen geloven heeft zijn liefde voor Suzanne van Baerle hem van toneeldichter tot predikant gemaakt:

            De Liefde maakte van Quintyn de smit een schilder;

            Maar hier aan d’Amstel toont de Min zyn kracht nog milder:

            Van een’ tooneelpoëet maakt hy een’ predikant.

            Zo raakt Zuzann’, hoe kuisch en koud van hart, aan Brandt.

Genoemde Quintyn is Quinten Matsijs (ca. 1466-1536), de beroemde schilder, die tot zijn twintigste smid was geweest, zoals Vos ongetwijfeld bij Van Mander had gelezen.

Brandt zou in 1647 nog voor een relletje zorgen toen hij de lijkrede op P.C. Hooft, die door Van Germez op de Schouwburg werd uitgesproken, in hoge mate ontleend bleek te hebben aan de lijkrede die Du Perron op Pierre de Ronsard had geschreven.

Eenmaal predikant schreef hij onder andere stichtelijke gedichten, de Historie der Reformatie, en de eerste kunstenaarsbiografieën in ons taalgebied: die van Hooft en van Vondel, waarvan zeker die over Vondel nog steeds een belangrijke bron voor de kennis van diens leven is. Hij zou zijn toneelstuk als onwaardig verwerpen. Het publiek deed dat zeker niet. Tot 1665 zou het stuk 47 keer worden opgevoerd. Van 1678 tot 1700 volgden nog 14 opvoeringen, evenals in de periode 1700-1739. De recettes waren beslist niet slecht. Er kwam echter steeds meer verzet tegen het daadwerkelijk vertonen van verkrachtingen, gruwelen en moorden op het toneel, en dat was, het moet gezegd, nou juist wat het stuk zo lekker maakte.

 

Wat de toeschouwer wist vóór aanvang van de opvoering was de voorgeschiedenis, die in de Inhoudt wordt uiteengezet. De toeschouwer die deze geschiedenis niet kende, kwam er lopende de voorstelling overigens vanzelf achter.

Noron nam de afwezigheid van zijn broer, de keizer van Rome Manlius, die in Iberie oorlog voerde, te baat om diens vrouw Plancina te verleiden, met o.a. behulp van de toverij van zijn bijzit Byrrhene, die hij uit Thessalië had geroofd en bij wie hij twee bastaardzonen had gekregen. Maar meer nog dan Plancina wilde hij de macht die zijn broer bezat. Toen deze terug was uit de oorlog richtte Noron een bloedig banket aan waar Manlius en zijn raadsheren en de vader van Pizo en Tiggelinus om zeep werden gebracht. De geest van Manlius verschijnt aan zijn zoon Torquatus, die te Athene talen en wetenschappen studeerde. Hij geeft hem de opdracht om zich als krankzinnig voor te doen, waardoor hij te gelegener tijd de gruweldaden van Noron kan wreken. De prins speelt zijn rol met zoveel verve dat iedereen in Athene en vervolgens in Rome gelooft dat hij echt gek is. Noron daarentegen blijft op zijn hoede.

Het spel begint en Noron roept zijn raadsheren bijeen om een plan te maken om Torquatus te ontmaskeren. Zijn vriend Iunius waarschuwt Torquatus voor deze list.

Men arrangeert een ontmoeting met Iuliane, de dochter van de ook vermoorde Kalphurn, op wie Torquatus al heel lang verliefd was, in de hoop dat hij tegenover haar zich niet als onzinnige zal gedragen. De vrouwengek Noron is natuurlijk ook zelf verliefd op de mooie Iuliane.

Buiten, in het bos, vindt de ontmoeting tussen Torquatus en Iuliane plaats. Noron heeft zich verdekt opgesteld in de bosjes. Ondanks de verleidingspogingen van Iuliane laat Torquatus zijn masker niet vallen. Hij jaagt haar weg. De geile Noron kan dan zijn hartstocht niet meer bedwingen en hij verkracht haar, waarna hij terugkeert naar Rome. Torquatus kon niet ingrijpen en zijn gemoed was verscheurt:

            Daar ik ben, ben ik niet, en waar ik niet en ben

            Daar is nu mijn gemoedt

Torquatus troost haar in afwachting van haar broer Pizo, die terug van de oorlog met de Parten, zich slechts drie mijl buiten Rome bevindt. Deze arriveert en Iuliane en Torquatus vertellen hem al het voorafgaande, zodat de toeschouwer die nog van niets wist nu ook op de hoogte is van alle bloederige gebeurtenissen. Torquatus betreurt het dat hij toen niet in Rome was :

            Terwijl de wrok, twist, nijd, Room’ op het herte trappen,

            Las ik de lekkerny der Grieksche wetenschappen.

In zijn slaap doemt de geest van Manlius op die hem alles vertelt en hem opdraagt hem te wreken. Pizo aarzelt echter om iets te gaan ondernemen uit angst voor Noron. Dat wordt de geest van Manlius te gortig. Hij verschijnt in een zonsverduistering en buldert:

            Waar blijft, waar blijft de wraak?

Torquatus heeft een list bedacht waardoor eerst de “zuilen van zoo goddelooz’ een Staat”, de trouwe dienaren van Noron, Popillius en Metellius, van kant gemaakt zullen worden. Hij heeft een brief waarin staat dat er door hen een aanslag op Noron wordt voorbereid. Pizo zal deze brief bezorgen.

Noron is nog steeds bezig te onderzoeken of Torquatus wel echt gek is. Nu stuurt hij diens moeder, Plancina, op hem af en laat raadsheer Lentulus zich onder het bed verbergen, zodat deze moeder en zoon kan afluisteren. Torquatus doorziet dat en helpt de dienaar om zeep. Hij eist van zijn moeder dat zij zich vierkant achter hem opstelt. Pizo is inmiddels aan het hof verschenen en laat zijn broer de brief over de aanslag op Noron in diens handen stellen. Het hof is in rep en roer. Popillius en Metellius worden ter verantwoording geroepen. Ze zweren bij hoog en bij laag dat het allemaal niet waar is, dat ze Noron om willen brengen en de macht grijpen. Noron gelooft hen niet en ze worden gemarteld. Ook buiten het paleis volgen de rampen elkaar op. Tiggelijn valt in de handen van de vijand en Pizo is dodelijk gekwetst en sterft in de armen van Torquatus en Iuliane. Op het paleis heeft Metellius inmiddels zelfmoord gepleegd. Torquatus vertelt Noron dat hij Lentulus had betrapt met zijn moeder en hem daarom had omgebracht. Noron weet niet meer wat hij moet denken en dat wordt alleen nog maar erger wanneer Tiggelinus, toen deze bij hem werd voorgeleid, zich uit angst tegen een muur te pletter loopt. Noron zoekt nu zijn heil bij de nog enige getrouwe, Byrrhene met haar toverkunsten. Hoewel zij nog steeds kwaad is om de trouweloosheid van haar Noron zal zij hem helpen. Maar in plaats van de door haar opgeroepen Hellegod verschijnen de geesten van Norons moeder en van Manlius, die Noron en Byrrhene de dood aanzeggen. Byrrhene probeert het onheil te keren door haar zuster Pamphile in de gedaante van de godin Iris aan Noron te laten verschijnen om hem af te dwingen met Byrrhene te trouwen. Deze doet dat graag, want zijn geveinsde liefde verkeert door deze goddelijke verschijning in ware liefde.

Torquatus verneemt dat Noron met Byrrhene gaat trouwen en dat zijn moeder naar het noorden is verbannen. Hij wordt nu echt kwaad. Iuliane verzint een list. Zij vermomt zich en biedt Noron een vergiftigd gewaad aan uit naam van zijn nicht Vestiliane voor zijn bruiloft. Gek van pijn brengt Noron Byrrhene en haar zoontjes om. Torquatus strooit zout in zijn wonde door hem op zijn laffe gedrag te wijzen, omdat hij er maar niet toe kan komen ook zichzelf van het leven te beroven: verwijfde! Noron sterft een gruwelijke en langzame dood. Iuliane, die nu gewroken is, heeft het laatste woord in deze tragedie. Ze beziet de puinhopen en eindigt met:

                                                                                   Ach!

            In d’uchtend daalt mijn zon. dit’s een verkeerde dag.

posted @ 3:41 PM | Feedback (0)