Op maandag 27 september 1649 ging de klucht Getemde snorker in première. De auteur was J. Nooseman (Noozeman). De klucht is later in 1732 gedrukt met de titel De hollebollige Romboud, of De getemde snorker.
Er waren in de jaren ’40 twee toneelspelers met die naam actief die beiden poëzie en kluchten publiceerden. Van de jongste, Jelis, zijn in de toneelagenda al twee kluchten besproken, Beroyde student (7 augustus 1646) en Lichte Klaartje (10 oktober 1645). Diens drie overige kluchten (Hans van Tongen, 1644, Bedrooge dronkkaart, of Dronkke-mans hel, 1649, en Krijn Onverstant, 1659) zullen later aan de orde komen. Er staan ook nog twee kluchten op naam van J. Nooseman, Getemde snorker en De gelukkige bedriegery, beide uit 1649, die meestal worden toegeschreven aan de oudste van de broers, Jan. Jan speelde van 1639-1642 en 1644-1653 bij de Schouwburg. Hij was opgeleid tot chirurgijn. Hij stierf begin 1653. In tegenstelling tot zijn broer Jelis is van hem niet bekend dat hij voor andere toneelgezelschappen gespeeld heeft.
De klucht kende een behoorlijk succes en werd tot 1759 op het repertoire gehouden.
De thematiek is een bekende binnen het genre: overspel. Maar nog meer dan dat gaat het over hoe opschepperij voor de val komt. De bedrogen echtgenoot, Wybrand, wordt door zijn vrouw, Pryn, namelijk dusdanig gevleid, dat hij het hoog in de bol krijgt. Hij hult zich in een harnas en beeldt zich in dat hij een vermaard krijger is. De toeschouwer zal zeker de bekende kluchtfiguur herkennen, waarvan Plautus Miles gloriosus het archetype was en die op het Amsterdamse toneel al eens optrad in Biestkens klucht van Claes Cloet en als de snoevende hopman Roemer in Bredero’s Moortje. In de commedia dell’arte zou hij als capitano vorm krijgen.
De dappere soldaat zou het echter afleggen tegen de verbale vaardigheid van een voorbijganger, die de vrijer te hulp is geschoten en hem in schermerkledij steekt (een in sociaal opzicht hogere vorm van vechtkunst dan die van de soldaat). Wybrand zal zelfs zover gaan dat hij zijn vrouw aanbiedt aan haar vrijer!
Rombout verbergt zich in het varkenshok in afwachting van het moment dat de echtgenoot (Wybrand) van zijn geliefde (Pryn) gaat slapen.
Wybrand komt , al zingend, bij het hok om zijn varkentje te slachten en treft in plaats van het dier een man aan.
Maer och! ’t is hier gien deegh, dit Varcken is verkeert,
Sint Teunis Swijn heeft hem die wisse kunst gheleert.
Ze vallen beide op de knieën en Rombout probeert Wybrand er van te overtuigen dat hij niet van varken mens is geworden:
Ick sweer je Slager, soo jy mijn ghelooven kunt,
‘k Was noyt gien Swyn, noch nu, ‘k sla seker mensche munt.
Wybrand heeft het door: hij komt hier om zijn vrouw. Rombout zweert dat hij nooit meer in de buurt zal komen. Wybrand laat hem zweren bij van alles en nog wat dat hij zich gedurende een jaar niet binnen twee straten afstand van zijn huis zal ophouden.
Wybrand gaat het varken zoeken.
Rombout loopt vervolgens Pryntje tegen het lijf, die hem weet over te halen toch bij haar binnen te komen: Wybrand is toch nog wel even bezig in dat hok. Wybrand komt het hok uit en treft Rombout weer bij Pryn aan. Hij ontsteekt in woede. Rombout vreest voor zijn leven en blijft stokstijf staan in de hoop zo niet te worden gezien.
Jorden Slick komt zingende op. Hij is beschonken en vreest voor de nagels en klappen van zijn vrouw bij thuiskomst. Hij is Plackaris, die plakkaten op de muren moet plakken. Dat moet hij nu nog doen. Hij ziet Rombout aan voor de stenen Roelant (een reusachtig, geharnast beeld van iets meer dan twee meter, dat tot 1774 op de Nieuwezijds Voorburgwal tegenover de Nieuwezijds Kolk stond, waar destijds de beestenmarkt werd gehouden) en plakt een biljet op zijn kop. Dan verschijnt Wybrand weer, die Jorden eerst voor Rombout houdt, maar Jorden kan hem daar snel van overtuigen dat hij Jorden heet:
Ick hiet Jorden.
‘k Ben eerelijck, O ja. Daer neemt mijn Slonsjen [=lantaarntje]. Och!
Jorden laat het biljet zien dat hij net geplakt heeft en leest het voor. Het is een advertentie op rijm, waarin een hengst wordt aanbevolen voor alle merries. Het beest staat in Oegstgeest, vlakbij de ‘Heeren wegh van Leiden’, wordt in mei twee jaar en is van de barbier, Arent van Omme-dijk.
Ze gaan als vrienden uit elkaar. Wybrand vraagt zich af waar Rombout is. Hij wil hem een flinke aframmeling geven. Dan gaat hij naar binnen. Rombout is opgelucht.
Wybrand geeft Pryn de wind van voeren en scheldt haar flink uit. Pryn beweert dat ze een boze droom had waarin ze werd vermoord door een dikke domme Deen. Hij gelooft haar niet, maar zij weet hem ervan te overtuigen dat ze er ook niks aan kan doen dat al die kerels op haar vallen. Maar ze houdt alleen van hem. Hij moet dat toch begrijpen met zijn belezenheid: hij kent toch die verhalen van bijvoorbeeld Lucretia, die ‘deur schoonheyt wiert verkracht, en noch al meer met heur’! Wybrand vindt het een mooie vergelijking en nijgt ertoe om haar te geloven. Hij snoeft nu hoe hij Rombout een kopje kleiner gaat maken en wil een harnas halen bij zijn buurman, de harnasmaker.
Rombouts buurman Frank heeft dit laatste gehoord. Hij gaat naar Rombout en waarschuwt hem voor de plannen van Wybrand. Rombout vertelt dat het juist Pryn was die hem versierde en niet andersom. Hij smeekt Frank hem te helpen.
Wybrand heeft zich in het harnas gestoken, met schild en zwaard, pistolen en ander tuig. De vleierij van Pryn heeft haar werk gedaan: Wybrand denkt dat hij alle klassieke en recentere helden naar de kroon steekt. Het is hem in de bol geslagen. Mars zou hem aanstellen als hoofd van zijn soldaten en met hem de goden aanvallen. Hij is een Basiliske. Hij is ‘quaer als Rodomont, ja duller als Bieron’.
Frank en Rombout zien hem aankomen. Frank zegt Rombout te doen wat hij hem heeft gezegd en nog even af te wachten. Frank spreekt vervolgens Wybrand aan en bluft hem met zijn eigen fantasie af. Hij vertelt dat Rombout een eersteklas schermer is die gezocht wordt voor het op de bek slaan van een Noorman, en dat hij onlangs nog een man ‘stack […] van boven in zijn mondt, tot deur zijn after-end’. Wybrand slaat de schrik om het hart. Hij vraagt Frank hem te helpen, die daar op ingaat na de belofte dat Wybrand hem op een borrel zal trakteren.
Wybrand verschuilt zich achter Frank. Rombout komt op, met schermmeesters gereedschap, de woorden sprekend:
Durch kracht ont macht, &.
Er volgt een woordenwisseling, waar ook nog oom Koert van Wybrand in optreedt, waarna Wybrand alles over heeft voor de goede vrede. Hij schenkt Pryn aan Rombout. Pryn speelt de geschokte kuise vrouw. Uiteindelijk gaat iedereen naar bed en is het eind van het liedje dat Rombout de minnaar kan blijven van Prijn.