Op donderdag 23 maart 1656 ging Kosroés van Adriaan Bastiaansz de Leeuw in première. Het was de eerste première van het jaar. Kosroés flopte. Na drie voorstellingen werd het stuk van het repertoire genomen. De eerste voorstelling had 210 gulden en 5 stuivers opgebracht in combinatie met de Klucht van Buchelioen, ’t kaboutermannetge van Jan Barentsz. De tweede voorstelling, op maandag 27 maart, met de succesvolle klucht Beroyde student van Jelis Nooseman (zie de première op 7 augustus 1646) leverde 162 gulden, 12 stuivers en 8 duiten op. Met de derde en laatste vertoning, met Klucht van de jalourse jonkker van J. van Dalen, kwam er 165 gulden en 4 stuivers in het laatje. Het zal niet helemaal aan de inkomsten hebben gelegen. Die waren weliswaar niet erg hoog, maar eigenlijk niet veel lager dan gemiddeld werd binnengehaald. Het zal echter de kwaliteit van het stuk zijn geweest, waardoor het slechts een kort leven beschoren was.
Het stuk was de eersteling van de toneelspeler Adriaan Bastiaansz de Leeuw, die in 1647 voor het eerst bij de Schouwburg speelde en vanaf 1655 vast aan de Schouwburg verbonden is geweest. Zijn hoogste speelloon was vier gulden, een gulden minder dus dan Germez (zie hiervoor). Zijn ster zou stijgen tijdens de periode dat het kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum aan het bewind was op de nieuwe verbouwde Schouwburg na 1665. Hij kwam voor in de Nil-klucht De Gelukte List als de toneelspeler en toneelauteur Herman. Hij krijgt in de voorrede van de editie 1702 lof toegezwaaid als voortreffelijk toneelspeler en men karakteriseert hem als een ‘zeer goed verstandig Speeler, zonder waanwysheid; maar ook als een groot kénner van het Tooneel, én van Tooneelstukken; die door veel leezen, kénnisse van de Fransche Taale, én grondige érvarenheid, verscheidene Spélen, die wél uitgevallen zyn, in het licht gebragt hebbende, meerder achtinge had voor stille geschikte Treur, én Blyspélen vol hartstógten, én toevallen, na de régels van de kunst gemaakt, als voor die wilde, én wanschikkelyke Spaansche Stukken, niet tegenstaande die voortyds meer vólk trokken.’ Hij heeft in die periode vooral met zijn kluchten enig succes gekend.
Zijn eerste stuk was een vertaling van Cosroes van Jean Rotrou (1609-1650). Rotrou’s stuk was in 1649 zowel in Parijs als in Den Haag verschenen. Het is gebaseerd op ware gebeurtenissen en personen. Rotrou was schatplichtig aan een Senecaans, Neolatijns stuk, Chosroès, van de Franse Jezuïet Louis Cellot.
Vergelijking van de edities leert dat De Leeuw de Haagse tekst heeft gevolgd. Hij is niet geheel getrouw aan de tekst. Vooral aan het eind wijkt hij af van de oorspronkelijke tekst.
Kosroes, koning der Perzen, die zijn eigen vader had vermoord om aan de macht te komen, heeft een zoon uit zijn eerste huwelijk, en een zoon uit zijn tweede huwelijk. Zijn tweede echtgenote, Syra, wenst haar zoon Mardezane op de troon te zien. Zij zoekt de confrontatie met de oudste zoon, Syroès. Haar eigen zoon wil eigenlijk niet en is van mening dat Syroès de oudste rechten heeft. Intussen is het leger in opstand gekomen en wil dat koning Kosroes aftreedt ten behoeve van Mardezane. De satrapen van Perzië en de lijfwacht van de koning wensen echter Syroès als vorst. Kosroes is gek van wroeging over zijn wandaden en Syra raadt hem aan de troon aan haar zoon Mardezane over te doen. Hij stemt toe. Dan komen de satrapen in actie, die Kosroes afraden de troonopvolging stante pede te regelen. Mardezane staat ook al niet te trappelen, tot ongenoegen van zijn moeder. Maar zij liegt tegen haar echtgenoot dat Syroès haar wil vermoorden. Kosroes ontslaat zijn lijfwacht en draagt zijn kroon over aan Mardezane. Syra is blij, maar zij is de enige. Zij draagt haar dienaren op Syroès te vermoorden. Deze dienaren keren zich echter tegen haar en brengen Syroès op de hoogte van haar voornemen en van het feit dat haar dochter, Narsee, die de minnares van Syroès is, niet haar dochter is, maar van hen zelf. Narsee, hiervan onwetend, kiest de zijde van haar moeder. Bij Rotrou is deze verhaallijn al niet goed uitgewerkt, maar bij De Leeuw wordt deze lijn al helemaal niet meer uitgewerkt. De satrapen laten Syra in de boeien slaan.
De lijfwacht komt met het goede nieuws dat het legeroproer is gestild, de koning, Syra en Mardezane gevangen genomen zijn.
Syra wil dat Syroès haar vergif geeft om zelfmoord te kunnen plegen en wenst dat ook Mardezane de gelegenheid krijgt de hand aan zichzelf te slaan. Syroès is buitengewoon ongelukkig met de situatie en met het feit dat Syra hem zo tot wraak drijft. De satraap Palmyras prent hem in dat hij wel hard moet ingrijpen, omdat hij anders de macht weer zal verliezen. Er doet zich razendsnel een ommekeer voor bij Syroès: hij wordt door zijn macht plotseling zeer eerzuchtig. Hij draagt de lijfwacht op Mardezane voor de ogen van zijn moeder te vermoorden. Deze is hem echter voor door zijn dolk in zijn eigen borst te stoten. Syroès is daar niet blij mee en gaat Syra vertellen dat haar zoon zich van het leven heeft benomen en reikt haar het vergif aan. Zij sterft dan ook. De satraap is tevreden, maar Syroès, inmiddels weer bij zinnen, is wanhopig en biedt de satraap zijn kroon aan. De oude koning Cosroes beneemt zichzelf ook het leven. En Syroès is nu totaal ellendig.
Het laatste bedrijf is door De Leeuw ingekort en enigszins gewijzigd ten opzichte van het origineel. Hij laat, in tegenstelling tot Rotrou, alle zelfmoorden op het toneel uitbeelden, waar bij Rotrou slechts verteld wordt over deze gebeurtenissen. In Amsterdam was men echter gewend aan gruwelstukken, waar in Frankrijk gruweldaden op het toneel in het geheel niet mochten.