Op maandag 13 maart 1645 ging de Vervolgde Laura van de toneelspeler Adam Karelsz. van Germez (of Zjermes) in première. Germez (1612-1667) was chirurgijn/barbier, vervolgens boekhandelaar/uitgever (1647-48) en makelaar. Zijn voornaamste beroep was echter toneelspeler, wellicht de beste die er in zijn jaren aan de Schouwburg verbonden was. Hij was de leermeester in de welsprekendheid van de latere hoogleraar geschiedenis, wijsbegeerte en Grieks aan het Amsterdamse Atheneum Illustre, Petrus Francius (1645-1704), die op het eind van zijn leven nog zijn herinneringen aan Germez opschreef. Germez was ook de acteur die in 1647 de lijkrede op P.C. Hooft uitsprak op het toneel van de Schouwburg. Hij behoorde tot de best betaalde acteurs en verdiende vanaf de jaren vijftig vijf gulden per avond. Hij trad niet op in kluchten en in de balletten.
Op 16 juni 1632 komt zijn naam voor het eerst voor in de rekeningen van de Weesvaders. In 1638 komt hij er twee keer in voor, de eerste keer, op 4 februari, voor “rolleren van het spel van Jan Vos en sijn klucht van Oenen”, waarvoor hij negen gulden ontving, en op 17 februari nog eens 22 gulden en 10 stuivers voor niet nader bepaalde diensten. Dat hij in 1638 een stuk en de klucht van Oene van Jan Vos rolleerde is overigens een interessant gegeven, aangezien Vos’ gruweldrama Aran en Titus pas op 30 september 1641 in première zou gaan, ongetwijfeld in combinatie met zijn Klucht van Oene, hoewel de eerste bekende datum van opvoering van de klucht pas 8 mei 1642 is.
In 1640 was Germez betrokken bij de rechtszaak tegen Tengnagel, Jan Soet en anderen wegens hun lasteringen betreffende de hoofden van de Schouwburg. Hij zou ten minste enige roddels over de heren verteld hebben, maar wellicht zelfs de auteur zijn van zo’n smaadschrift. Dat hij vijanden had zou al meteen blijken, toen zijn eersteling op het toneel gebracht werd.
Zijn ster van acteur begon begin jaren veertig te stijgen en zijn verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van het repertoire ook. Gestimuleerd door Caspar van Baerle die 300 regels van Laure persécutée (1639) van Jean de Rotrou voor hem had vertaald, waarna de later zeer succesvolle vertaler J.H. Glazemaker (1619/20-1682) er een prozavertaling voor hem van maakte, zette Germez de tekst vervolgens op rijm. Het stuk werd niet meteen gedrukt, maar pas in juni 1645. Het verschijnt met een opdracht van Germez aan de Weesvaders, bij wie hij zijn beklag doet over de vakgenoten die hem hebben aangevallen over het stuk. Er zijn zelfs oude vrienden bij die hem aanvallen. Germez verwijt hen dat ze met zijn allen niet in staat zijn om de Schouwburg een jaar lang werk te geven (waar hij gelijk in had, want in 1642-1644 waren het aantal premières op één hand te tellen). Er was een paskwil tegen hem verschenen dat ook de Weesvaders ter hand was gesteld om Germez te bekladden en hem was te verstaan gegeven dat er “eenige van de vervolgers zijn die zich laeten verluiden, zo ik (i.e. Germez) hen met mijn pen kom te moeien, dat zy my met de pistool antwoorden zullen”.
Het stuk van Jean de Rotrou was een bewerking van Lope de Vega’s Laura perseguida (1604). Rotrou had het origineel tot halverwege het vierde bedrijf vrij getrouw gevolgd, maar vervolgens een andere afloop gekozen. De bewerking van Germez volgt Rotrou’s bewerking getrouw, maar verwijst wel naar het feit dat Rotrou Lope de Vega als voorbeeld had gehad, iets wat Rotrou zelf verzuimde.
Het stuk zou van 1645 tot 1665 55 keer worden opgevoerd, wat een behoorlijk succes genoemd mag worden. Op de nieuwe Schouwburg zou het nog vier keer worden opgevoerd, in 1678, 1679 en twee keer in 1681.
De koning van Hongarije sluit zijn zoon, Orantee, op, om te voorkomen dat deze met de laaggeboren en door de koning gehate Laura gaat trouwen. Nadat hij vergeefs had geprobeerd Laura te verkrachten zet de koning met behulp van de dienaar van Orantee en de staatjuffrouw van Laura een val voor het verliefde stel op. De staatjuffer, Lidia, verkleedt zich als Laura en gedraagt zich als hoerig meisje, waardoor Orantee ervan overtuigd raakt dat zijn vader gelijk heeft. Ondertussen is de Infante van Polen onderweg naar Buda om met Orantee te trouwen, geheel volgens de wens van de koning. Door net te doen alsof hij zijn dienaar is, komt Orantee er achter dat Laura niets te maken heeft met dat hoerige gedrag en de waarheid komt boven. Als Deus ex machina komt plotseling de voedstervader van Laura op het toneel, die de inmiddels gearriveerde infante, Porcia, een brief ter hand stelt, die hij van haar moeder op haar sterfbed had gekregen, waarin deze verklaart dat Laura de zuster van Porcia is. Hun vader, de koning van Polen, wilde Laura ombrengen omdat hij in een droom alle ellende had gezien, die nu net allemaal over het toneel was gerold. Eind goed, al goed.