Op maandag 24 november 1659 ging de Bijbelse tragedie Jephta of offerbelofte van Joost van den Vondel in première. Het stuk zou elf opvoeringen beleven, zes keer in 1659, drie keer in 1660, één keer in 1662 en één keer in 1663. De opbrengsten, gemiddeld 200 gulden, waren niet slecht. Desondanks zou het na de heropening van de Schouwburg in 1665 niet meer worden opgevoerd.
Vondel was op 17 november, precies een week eerder, 62 jaar geworden. Hij werkte toentertijd als ambtenaar bij de Bank van Lening. Na de dood van zijn vrouw, die hem lang had bijgestaan bij zijn zaken, was hij zijn geld kwijtgeraakt door toedoen van zijn zoon Joost, die absoluut niet wilde deugen en de familiezaak naar de knoppen had geholpen. Vondel had diens schuldeisers betaald en daarmee zijn geld verloren. De zoon werd gedwongen naar Oost-Indië te gaan, maar stierf al onderweg. De familie van Vondels vrouw regelde bij Anna van Hoorn, de echtgenote van de toenmalige burgemeester van Amsterdam, Cornelis van Vlooswijck, deze aanstelling, waarvoor Vondel 650 gulden per jaar (ongeveer het salaris van een predikant) ontving. Vondel had in 1657 al eens een lofdicht op hun zoon, Tooneelkrans Voor den Edelen Jongkheere, Nikolaes van Vlooswyk, geschreven, toen deze eerst in 1656 ten huize van zijn vader en op 13 en 27 januari 1657 op de Schouwburg de titelrol in het Latijnse toneelstuk Philedonius van Franciscus van den Enden had gespeeld. Deze Van den Enden was rector van de Latijnse school en liet zijn leerlingen, onder wie ook Spinoza, die toen kostganger bij hem was in zijn huis aan het Singel, Latijnse stukken opvoeren op de Schouwburg.
Jephta was het eerste toneelstuk dat Vondel ten tijde van zijn ambtenaarschap het licht deed zien, en hij droeg het op aan zijn weldoenster, Anna van Hoorn. In 1660 zou hij zijn stuk Koning David herstelt opdragen aan Van Vlooswijck.

Gedicht van Balthasar Huydecooper boven de deur van de Bank van Lening te Amsterdam
Na de opdracht aan Anna van Hoorn volgt het Berecht aen de begunstelingen der toneelkunste, waarin Vondel uiteenzet dat hij met Jephta het volmaakte treurspel, dat aan alle Aristotelische wetten van eenheid van tijd, plaats en handeling voldoet, geschreven heeft. De stof is ontleend aan de bijbel (Richteren 11) en niet aan de klassieken, wat alleen nog maar meer waarde verleent aan het stuk.
Jephta, een krijgsheer, heeft God beloofd het eerste dat hij bij thuiskomst tegenkomt te offeren, wanneer God hem de Ammonieten laat verslaan. Dit blijkt zijn dochter Ifis te zijn. Dat was natuurlijk niet de bedoeling, Jephta had meer een lammetje of zo voor ogen gestaan. Maar beloofd is beloofd en hij vertelt Ifis haar droeve lot. Zij wil met haar vriendinnen twee maanden de bergen in om zich erop voor te bereiden. Het stuk begint op de dag dat zowel Jephta, na weer een veldtocht, en Ifis beiden thuiskomen. Dit is nodig in verband met de eenheid van tijd en plaats, want het stuk speelt zich af bij het paleis van Jephta. De hofmeester bespreekt met Filopaie, de echtgenote van Jephta, de thuiskomst van zowel echtgenoot als dochter. Zij weet nog van niets, maar vindt wel dat er wat vreemde dingen aan de hand zijn. De slotvoogd komt eraan en vertelt van de laatste overwinning van Jephta. Filopaie weet niet wie ze het eerst moet gaan begroeten: haar dappere man of haar dochter. Op aanraden van de hofmeester wordt het Jephta, waarmee zij letterlijk van het toneel wordt afgevoerd, omdat ze voorlopig nog onwetend moet blijven van het verschrikkelijke dat staat te gebeuren.
Ifis komt terug, verzoend met haar lot, en wil afscheid nemen van haar moeder. Dat gaat dus niet. Jephta weet zijn echtgenote te omzeilen en komt op het paleis aan. Hij hoort van de hofmeester hoe de zaken ervoor staan. Deze vraagt hem of het nou echt wel nodig is om Ifis op de brandstapel te offeren. Jephta vindt dat hij zijn gelofte, hoe stom dan ook, gestand moet doen. Ook de hofpriester, die nog wordt geraadpleegd, kan hem niet van gedachte doen veranderen, zelfs niet met het voorbeeld van Abraham, die uiteindelijk zijn zoon Isaac niet hoefde te offeren van God. In dit geval komt God helaas niet persoonlijk het onheil keren. Ifis wordt geofferd, zonder haar moeder nog een keer gezien te hebben, maar geheel verzoend met de dood. In het laatste bedrijf komt Jephta tot inkeer. Te laat. Er komen twee paarden aan, met Filopaie en de slotvoogd. De hofmeester zorgt ervoor dat Jephta (op aanraden van de hofpriester) naar de hogepriester van Silo gaat om boetedoening te doen, voordat zij arriveren. De hofmeester en de hofpriester vangen Filopaie op, die uitzinnig van droefheid wordt wanneer zij hoort wat er gebeurt is. De hofpriester besluit het treurspel met de les, dat men niet te lichtvaardig beloftes moet doen.