Op zondag 21 oktober 1629 werd ter gelegenheid van de verovering van Den Bosch door Frederik Hendrik de tragedie Goliath gespeeld. Het leverde een toprecette op: de weesvaders ontvingen maar liefst 126 gulden en zes stuivers.

De auteur was de Amsterdamse advocaat Joannes Victorinus (1589-1642), Victorijn genoemd door zijn vrienden zoals P.C. Hooft, en in 1593 als armlastig jongetje met de naam Jan Pieterszoon Vechter op driejarige leeftijd opgenomen in het Amsterdamse weeshuis. Intelligente jongens kregen in die tijd de gelegenheid om op kosten van de overheid te studeren voor Calvinistisch predikant. Victorijn was al naar de Latijnse school gestuurd en vervolgens dus ook naar Franeker, waar de opleiding voor predikant werd gegeven. Omdat hij Remonstrantse sympathieën had, kwam hij al snel in conflict met de strenge calvinistische hoogleraar Lubbertus. Hij moet een geldschietende beschermheer hebben gehad, want hij werd in de gelegenheid gesteld in Leiden rechten te gaan studeren, waar hij in 1620 summa cum laude afstudeert. Hij trouwt in 1621 een bemiddeld meisje en gaat bij zijn schoonmoeder, de weduwe van een biersteker, een groothandelaar in bieren, inwonen. Nu, in goeden doen gekomen, bouwt hij een geleerde bibliotheek op, waar Vondel, die zich in die jaren met behulp van onder anderen Victorijn het Latijn eigen maakte, veel gebruik van maakte. Waar hij leermeester was van de iets oudere intellectuele laatbloeier Vondel, was hij als gelijke bevriend met P.C. Hooft en de arts, toneelschrijver en oprichter van de in 1622 opgeheven Nederduytsche Academie, Samuel Coster. Het is heel wel mogelijk dat hij de auteur van het gelegenheidsstuk bij de opening van de Academie op 24 september 1617, Suffridus Sixtinus, in Franeker heeft leren kennen, die na een verblijf te Heidelberg, in 1627 naar Amsterdam zou terugkeren. Het is niet ondenkbeeldig dat Coster zijn ideaal van een modern theater nog niet had opgegeven en, nu op de achtergrond acterend, Vondel, Sixtinus en Victorijn bij de rederijkers van de Brabantse Kamer, die nu ‘zijn’ toneel bespeelden, liet inbreken. Vondel was onverdacht: hij was lang lid geweest van deze Kamer, maar in die periode wist men vaak niet of bepaalde hekeldichten op de gehate predikanten van Vondel dan wel van Coster afkomstig waren. Victorijn had in 1624 zijn debuut gemaakt bij de Brabantse kamer. In september en oktober van dat jaar werd een spel opgevoerd dat werd aangeduid met Victorienus, zeer waarschijnlijk een stuk geschreven door Victorijn. En in 1628 zou Sixtinus zijn tragedie, Geraert van Velsen lijende, een vervolg op het treurspel van P.C. Hooft, dat werd gedrukt met een opdracht aan Samuel Coster, in première zien gaan.

In juli 1627 komt Victorijn voor het eerst in de boeken voor: ‘aan den Advokaet Victorinus betaelt voor 2 tonnen bier ƒ 17:-’. Blijkbaar had hij bemiddeld tussen de hoofden van de Kamer en zijn schoonmoeder. Vanaf eind maart 1629 komt hij voor als één van de hoofden van de Brabantse Kamer. Hij regelt kennelijk de financiën en rekent af met de weesvaders. Na de officiële samensmelting van de Academie en de Oude Kamer op 7 juli 1632 treedt Victorijn terug als hoofd. Op 13 augustus 1632 sluit hij zijn rekening af door negen gulden af te dragen aan de weesvaders. In 1638 zou hij zich samen met Coster bemoeien met de vertoningen ter gelegenheid van het bezoek van Maria de Medicis aan Amsterdam.

 

Maria de Medicis rijdt langs een ter harer ere opgerichte poort op de Varkenssluis te Amsterdam in 1638 (Atlas van Stolk, Rotterdam)

 

Op 14 september 1629 gaf Den Bosch zich over aan Frederik Hendrik. Dit betekende het einde van een strijd om het gebied rond Den Bosch, de Meijerij, die sinds 1575 was gestreden. In Amsterdam werd dit gevierd door de Oude Kamer, waar Nicolaas Fonteyn Triumph-trompet op 't veroveren van ’s Hertogenbosch voor schreef en de Academie het stuk Goliath opvoerde ter gelegenheid van de overwinning. Inhoudelijk heeft dit stuk, dat het bekende verhaal van de slimme David die Goliath versloeg vertelt, weinig te maken met de verovering van Den Bosch. Dit wijst erop dat het stuk, dat door Victorijn niet in een maand geschreven zal zijn, al eerder op het repertoire had gestaan. Het kan dan inhouden dat het stuk uit 1624, dat was aangeduid als Victorienus, en Goliath één en hetzelfde stuk is. Het gebruik van de aanduiding Handel voor het na 1625 meer gebruikelijke Bedrijf wijst erop dat het stuk van eerdere datum is.

In één opzicht markeert dit stuk een belangrijke gebeurtenis: op de titelpagina van de druk uit 1629 is voor het eerst sinds 1622 weer sprake van de Nederduytsche Academie. Ook de stukken die hierna gespeeld werden zouden dit weer op de titelpagina vermelden. De Brabantse kamer was van het toneel verdwenen, de Academie was terug van weggeweest.

Post Comment

Title  
Name  
Url
Comment   

ATTENTION: the code you need to copy is CaSe SeNsItIvE and is required to prevent spam.
Enter the code you see: