Op maandag 16 oktober 1645 is de eerste opvoering van de klucht Lichte Klaartje van de toneelspeler Jelis Nooseman (1626-1682). Voor Nooseman raadplege men de klucht De beroyde student op 7 augustus hiervoor. Van de vijf kluchten van zijn hand, die allen op de Schouwburg zouden worden opgevoerd, was Lichte Klaartje verreweg de succesvolste. De klucht zou tot en met 1665 ten minste 81 keer worden opgevoerd.
Op de première werd het stuk gespeeld achter de Verduytste Cid, de vertaling van Johan van Heemskerck naar het Franse origineel van Corneille.
Er is geen klucht, die zo vaak voor officiële gezelschappen gespeeld is als Lichte Klaartje.
Op zaterdag 25 november 1645 werd het, na Bredero’s Stommen ridder, opgevoerd voor de Magistraat.
Op zaterdag 30 december 1645 werd het, na Jan Vos’ successtuk Aran en Titus, opgevoerd ‘voor de Coninginne van Poolen en Prince van Orange’. Louise Maria de Gonzaga was onderweg van Parijs naar Polen, waar zij haar echtgenoot, koning Wladislas IV, met wie zij op 5 november 1645 ‘met de handschoen’ was getrouwd, voor het eerst zou ontmoeten. Zij kwam, met een gevolg van zo’n 500 Poolse en Franse hovelingen en bedienden en 800 paarden op 27 december aan te Amsterdam. De door dit onaangekondigde bezoek volledig verraste stadhouder Frederik Hendrik stuurde zijn zoon Willem, die de voorstelling op de Schouwburg in allerijl liet organiseren. De koningin bewonderde het theater, maar woonde de voorstelling niet bij, omdat zij, naar eigen zeggen, het Nederlands toch niet verstond. Jean de Laboureur, die verslag deed van de reis, zag de voorstelling wel en was vol lof voor het getoonde spel, al vond hij de klucht wel wat losbandig. Vondel barstte in allerijl los in het welkomstlied Geluck aen Louyze Marie, Koningin van Polen en Sweden, Hertogin van Mantua en Nevers.

Louise Marie Gonzaga de Nevers door Justus van Egmont (1601-1673)
Op maandag 21 januari 1647 werd de voorstelling bijgewoond door de ‘Ceurvorstin en Magistraten’. De keurvorstin was de ‘winterkoningin’ Elizabeth Stuart, van 1610-1620 Keurvorstin van de Palts en in 1619-1620 Koningin van Bohemen, die vanaf 1621 in ballingschap te Den Haag leefde op kosten van de staat. De vertoonde tragedie was weer Vos’ Aran en Titus.
Op donderdag 11 januari 1657 wordt het op last van de burgemeesters van Amsterdam vertoond voor de Spaanse gezant te Den Haag, don Esteban de Gamarra. Vondel verwelkomde hem met een welkomstlied. Het vertoonde treurspel was De nederlaagh van Hannibal van Jurriaen Bouckart. Dat De Gamarra met de nodige vleierij werd ontvangen blijkt ook uit het in de uitgave van het treurspel in 1658 opgenomen Pallas aen zyne excelentie Don Estevan de Gamarra, ridder van Sint Jacobs ordre, &c. gezant van zyne Katholyke Majesteyt by de Hooge Mogende Heeren staten der Vereenigde Landen; Midtsgaders aan de Ed. Ed. Heeren Burgermeesters en Regeerders van Amsterdam; toen haare Ed. het treurspel van Hannibals Nederlaag met haar tegenwoordigheyt vereerden. Hij werd zo in de watten gelegd, omdat hij ontstemd was over de versterking van de Nederlandse vloot onder De Ruyter. Amsterdam had echter alle baat bij deze versterking die bedoeld was de handel te beschermen tegen de zeerovers.
De volgende dag werd ditzelfde programma opgevoerd ‘voor zijn Hoogheid Adolf, Paltsgraaf aan den Rijn, Generalissimus van Zweden door ordre van Burgemeestren’.
Op donderdag 11 oktober 1657 was de Franse ambassadeur te Den Haag, De Thou, met de burgemeesters bij de voorstelling aanwezig. Het was een feestelijk programma: als treurspel werd Vondels Sofompaneas of Josef in ’t Hof, een vertaling van Hugo de Groots Sophompaneas, opgevoerd, gevolgd door het ‘Groot Moren Ballet’ en afgesloten door Lichte Klaartje. Het toeval wil dat deze Franse ambassadeur op 12 augustus 1657 op het voor twee rijtuigen te smalle stuk van het Lange Voorhout te Den Haag don Esteban de Gamarra tegemoet kwam, waarbij hij de Spanjaard geen voorrang wilde verlenen. Frankrijk en Spanje waren in oorlog, dus beide heren wilden van geen wijken weten. De Thou's zes lakeien pakten hun degen om de Spanjaard , die slechts één koetsier bij zich had, kwaadschiks te verdrijven. Het toegestroomde publiek koos de kant van De Gamarra. De overlevering wil dat Johan de Witt, die gewaarschuwd was, hoogstpersoonlijk een bloederig conflict voorkwam door in het obstakel, een dwarsgelegen stam, een gat te laten zagen, zodat het rijpad werd verbreed en de heren allebei door konden rijden.
Klaartje is getrouwd met de sukkel Goose. Ze beduvelt hem regelmatig, nu met Kaerel. Goosens knecht, Jurriaen, heeft dat door, in tegenstelling tot zijn baas. Hij waarschuwt hem en neemt hem mee naar de kroeg, waar zij, beiden vermomd als speellieden om niet herkend te worden, Klaartje met haar vrijer zien dansen, schransen en zoenen. Goosen haalt de schout om haar voor haar hoererij te straffen. Klaartje ruikt onraad en gaat snel naar huis. Wanneer Goosen en de schout in de herberg arriveren is zij gevlogen. Thuisgekomen gaat ze ostentatief het huishouden doen. Zo treffen Goose en de schout haar aan. De schout is niet blij dat hij voor niets ergens is bijgehaald, Goose en Jurriaen denken dat ze het slachtoffer waren van hallucinaties en Kaerel heeft geen zin om verder met Klaartje opgescheept te worden en gaat het huwelijk van Goose en Klaartje lijmen. Goose vraagt hem dankbaar nog eens langs te komen.....
In 1687 schrijft David Lingelbach, die in dat jaar met Jan Koenerding de Schouwburg had gepacht, waarbij de weesvaders een flinke huursom opstreken, een bewerking van het succesvolle stuk onder de titel De ontdekte Schyndeugd. De klucht wordt geheel gefatsoeneerd, en Klaartje, die nu Geertrui heet, wordt hier wél als overspelig ontmaskerd. In deze vorm zou het stuk tussen 1687 en 1768 nog 61 keer worden opgevoerd. Op deze gekuiste versie verscheen al snel een schimpdicht, dat in1763 nog met instemming werd geciteerd door de recensent in De Hollandsche Tooneel-Beschouwer (p. 303, n.a.v. de opvoering in maart):
De Klucht van Lichte Klaar, van ouds veracht, verbannen,
Verrimpelt en verrot, als een verkankert Lid,
Een straat, een speelhuishoer wordt door twee dappre mannen,
Twee Schouwburgs-Heeren, weer op nieuws gekleed in 't wit,
En valschlyk opgepronkt met Schyndeugd zonder reden
Verstand of oordeel, 'volk gedischt voor versche spys.
Wat hoot de Schouwburg niet al goeds op deze wys!
Slechte opgewarmde kost, vol vuile onheblykheden.