Op maandag 25 september 1617 ging het eerste blijspel op de Academie in première. In Sixtinus’ Apollo was dit stuk aangekondigd door Thalia, zoals haar zuster Melpomene het Truer-spel van de moordt, begaen aen Wilhem had aangekondigd. Thalia valt meteen met de deur in huis over het grote verschil tussen de genres:
Mijn suster dunckt, dat ze heur dinghen wel doet,
Asse maer ’t hiele taneel becladt met bloet:
Door oorloch en moort, oft met traenen van kint of vrouw,
En d’ansiender deelachtich maeckt van lang verleeden rouw.
Dan hetze rust; maer in teghendeel ick,
Als ick boertighe cluchjens speul ben ik in mijn schick.
Het zal de toeschouwer meteen opgevallen zijn: hier wordt echt Hollands gesproken, zoals de boeren en buitenlui doen die in deze stukken ten tonele worden gebracht. Dit is geen deftige schrijftaal. Zodra Thalia het stuk van de avond, Warenar, dat in Amsterdam speelt, gaat aankondigen, schakelt ze over op de ‘reyne, puyre, loutere, onvervalste Amsterdamsche tael’.
Deze Amsterdamse Aulularia gaat over een oude weduwnaar, Warnar, die helemaal van slag is sinds hij onder de vloer een pot met geld heeft gevonden die zijn gierige grootvader daar had verstopt, zonder iets erover aan zijn zoon, Warnars vader, te vertellen. Warnar wordt een ware nar. Hij denkt dat iedereen erop uit is om hem zijn schat te ontfutselen. Zijn meid slaat hij de deur uit, zodat zij niet kan zien dat hij voor de zoveelste keer gaat controleren of zijn schat nog steeds op de geheime plaats staat. Ze krijgt vervolgens de opdracht om niemand meer in het huis toe te laten. Deze meid, Reym, geeft een prachtige karakterisering van haar van zijn zinnen beroofde baas, die alle tekenen vertoont van complete achtervolgingswaanzin. Hierdoor komen we dus ook te weten dat hij vroeger niet zo was. Ze heeft geen idee hoe hij zo geworden is. Warnars dochter is zwanger, zelfs op haar laatste dagen, en dat ziet haar vader niet eens. De rijke buurman, Rijckert, vraagt om haar hand, hetgeen Warnar maar al te graag toestaat, mits Rijkert de kosten voor het huwelijk zal betalen. Tijdens de voorbereidingen op het huwelijk gaat het mis. Lecker, de knecht van Rijckert, heeft het met twee koks over de gierigheid van Warnar. Dit hoort deze, en hij stuurt ze het huis uit. Hij hoort Rijckert praten over de op de bruiloft te schenken wijn, denkt dat Rijckert van plan is hem dronken te voeren om zijn schat te kunnen stelen, pakt de pot met goud op en gaat die begraven op het Ellendig Kerkhof naast de Nieuwe Kerk, waar men dieven en moordenaars begroef. Lecker komt toevallig langs, Warnar denkt dat hij het gezien heeft, maakt stampij, pakt de pot weer en verstopt hem onder een steiger. Door zijn rare gedrag is Lecker hem gevolgd en kan nu datgene doen wat Warnar zo heeft gevreesd: de pot jatten.
Inmiddels is de buurjongen van Claertje, Ritsert, er achter gekomen, dat hij vader aan het worden is. Hij had haar in een dronken bui verkracht, waar tegenover staat dat ie echt van haar houdt. Hij wil haar dus trouwen. Hij biecht Warnar zijn zonde op, maar deze denkt dat hij het over de gestolen schat heeft. De vrouwen in het stuk, waarvan we de dochter niet op het toneel zien, houden zich inmiddels bezig met de bevalling. Ritsert grijpt Lecker in de kraag, die de pot bij zich heeft en brengt deze terug naar Warnar. Deze is tot het inzicht gekomen dat de schat hem alleen maar ellende heeft gebracht, en schenkt het geld als bruidschat aan Ritsert en Claertje. Reym laat hem zijn pas geboren kleinzoon zien, Lecker krijgt vergeving, en zo is het eind goed al goed.
Het stuk werd in 1617 bij de uitgever van de Academie, Cornelis Lodewijcksz. van der Plasse, anoniem uitgegeven. Begin 1617 vraagt Hooft per brief het kladhandschrift van het stuk, dat in negen dagen geschreven zou zijn om de kosten van een opvoering van zijn Baeto (die er dus pas in 1626 zou komen) te bestrijden, terug van Hugo de Groot, die hij het stuk had gezonden om hem tijdens zijn ziekte op te vrolijken. Hieruit blijkt dat het stuk dus al in 1616 voltooid is, na de Baeto. Uit verschillende zeventiende-eeuwse bronnen blijkt dat het stuk niet van Hooft alleen is, maar dat ook Samuel Coster eraan gewerkt heeft.
Het stuk, dat zozeer aansluit bij de Amsterdamse realiteit van die dagen, zal zeker met succes opgevoerd zijn. Het was kermis in Amsterdam, en dan komt er veel volk.
Op 11 oktober is de eerste afrekening met de regenten van het weeshuis, die 270 gulden ontvingen. De totale recette was dus 810 gulden. Dit zal zowel het Truer-spel van de moordt, begaen aen Wilhem als de Warenar betreffen.
Het spel zou gedurende decennia op het repertoire blijven. Van zondag 13 december 1626 tot en met maandag 4 januari 1627 werd het spel negen keer opgevoerd. Op 3 januari 1627 bezocht Constantijn Huygens, die in Amsterdam vertoefde bij zijn geliefde Suzanne van Baerle, de dochter van de geleerde Caspar Barlaeus, de Academie om de Warenar te zien. Vondel had dat kennelijk te horen gekregen en hij heette de Haagse Orpheus welkom in hoogdravende bewoordingen met het gedicht Wellekomst aen den edelen gestrengen Heer Constantyn Huygens, Ridder ende geheymschryver van den doorluchtighsten prince van Oranje , eindigend met de jubel:
Juycht dit hooghgemelt toonneel:
Orpheus weerd met hemelsche engelen
Stem en senuwklanck te mengelen:
Orpheus stronck van ridderstam:
Welkom welkom t'Amsterdam.
Huygens vond dit kennelijk een genante vertoning. Hoewel het antwoord niet tijdens Huygens’ leven werd gepubliceerd, zal het ongetwijfeld onder de vrienden hebben gecirculeerd in die dagen:
Wan ick mij alle de wonderen gonde,
Alle de vonden die Vondelen vonde,
Doen hij mij boven op ’thooge Tooneel
Wellekom hiet met een handige keel,
’Kstreckte bijkans voor een tweede Comedi
Van seven groots tot twee asen remedi.
Waernar en alle sijn graghe gesinn
Kregen wel honderden kijckers te min,
Alle de monden van all d’Academi
Riepen wel, jemini kindere, jemi,
Waernarr den eersten staet hier voor sijn huys
Waernarr de tweede sitt neffens ’t Raduys [podium].
Amstelod. Ianuar.
Op de eerste schouwburg zou van 1638-1672 het stuk 54 keer worden opgevoerd. Van 1677-1699 werd het 40 keer opgevoerd, echter vrijwel altijd als naspel, in plaats van als eerste, lange stuk. Het zal vermoedelijk niet alleen gekuist zijn, zoals in 1667 zou gebeuren, maar wellicht ook ingekort. In de periode 1700-1772 werd het nog 39 keer opgevoerd.