Op dinsdag 7 augustus 1646 werd de klucht De beroyde student van de toneelspeler Jelis Nooseman (1626-1682) voor de eerste maal opgevoerd op de Amsterdamsche Schouwburg. Jelis was al vanaf zijn veertiende jaar verbonden aan de Schouwburg. In april 1640 debuteerde hij in Bredero’s Spaanschen Brabander. In die periode was Joost van den Vondel actief als regisseur van zijn eigen stukken. Hij gaf toen een aantal jonge toneelspelers de kans zich te bekwamen, waaronder ook de broers Jelis en Jan Nooseman, die beide als zanger in een vierstemmige rei optraden in Vondels Gebroeders in april 1641. In die periode werden de vrouwenrollen door mannen gespeeld, meer in het bijzonder door jongens, die de baard nog niet in de keel hadden. Het ligt dus voor de hand dat Jelis ook deze rollen gespeeld zal hebben. Hij zou in 1649 trouwen met de vrouw, die in 1655 als eerste door de Schouwburg zou worden aangetrokken als toneelspeelster, Ariana van den Bergh, de dochter van toneelspeler en toneelauteur Adriaan van den Bergh.
Zijn kluchten Hans van Tongen en Lichte Klaartje waren al eerder in première gegaan, respectievelijk op 12 december 1644 en op 16 oktober 1645. Er zouden nog twee kluchten van zijn hand volgen. Al zijn kluchten zouden tot en met 1665 regelmatig en succesvol worden opgevoerd. Ze horen dan ook tot de beste kluchten die in die periode verschenen.
Het seizoen 1645-1646 zou voorlopig het laatste seizoen zijn dat Jelis in dienst was van de Schouwburg. Hij zou het voorbeeld van zijn vriend Jan Baptist van Fornenberg, ook één van de jonge honden van Vondel, volgen, evenals in november 1646 Vondels andere favoriet, Triael Parker. Nooseman sluit zich aan bij de troep van de vader van zijn toekomstige bruid, Adriaan van den Bergh. In het najaar sloot hij zich vervolgens aan bij Van Fornenberg, die een nieuw gezelschap had opgericht, dat eind 1646 in Den Haag in de Kaatsbaan zou gaan optreden. Daarna groeide de groep uit tot een gezelschap, dat niet alleen overal in de Republiek zou optreden, maar ook naar de Zuidelijke Nederlanden, Duitsland en Zweden trok. In de winter van 1654 trad Nooseman weer in dienst van de Schouwburg, nu als één van de best betaalde acteurs.
De beroyde student werd in de periode 1646-1665 32 keer opgevoerd. Op 8 december 1678 werd de klucht nog een keer, de laatste, gespeeld. Omdat echter niet altijd de kluchten, die iedere voorstelling volgen op de komedie of het treurspel, worden vermeld, staat het exacte aantal opvoeringen niet vast. Op 7 augustus 1646 werd het gespeeld na het droef-eynde-spel van Jacob Struys, Styrus en Ariame, dat al op het repertoire stond sinds eind 1629. Op 8 december 1678 werd het voorafgegaan door Voorzigtige dolheit, hof-spel van Joris de Wijze, dat al vanaf 1649 een redelijk succes kende.
Molenaar Volckert wordt door zijn vrouw Elsken bedrogen met haar ‘pol’ Leendert. Elsken stuurt haar meid Pleuntje erop uit om Leendert te waarschuwen dat die avond de kust vrij is. Intussen komt student Gregorius, platzak en door zijn hospes wegens huurachterstand op straat gezet, langs en vraagt, of hij de nacht mag doorbrengen op de zakken in de molen. Gezien Elskens plannen voor die avond wordt hem dat geweigerd. Gregorius wordt buitengesloten en begint aan een erg grappige monoloog, doorspekt met Latijnse woorden, waarin hij zijn ellendige toestand met de nodige humor uiteen zet. Omdat het al laat is, legt hij zich onder de bank voor de molen te rusten. Dan komt vrijer Leendert aanzetten, die meteen wordt binnengelaten. Hij heeft gebraden vlees, brood en drank meegenomen, en het minnekozen met zoete woorden neemt een aanvang. Dienstmeid Pleuntje heeft daar snel meer dan genoeg van en levert er commentaar op, tot ongenoegen van Elske. Dan horen ze buiten de molenaar, die dus onverwacht snel terug naar huis is gekomen, zingen. Elske voorziet dat zodra de dronken molenaar slaapt, zij hun minnespel kunnen voortzetten en verstopt het voedsel en verbergt Leendert onder een ton. Volckert staat nog steeds buiten te zingen en hij heeft het met zijn vriend, boer Keesje, over de vechtpartij die hij net achter de rug heeft. Wanneer Keesje weg is, hoest Gregorius. Volckert vreest dat het de ruziemaker weer is, maar het is gelukkig slechts Gregorius, die hem vertelt hoe hem de slaapplaats in de molen werd geweigerd. Volckert vindt dat maar raar en neemt hem mee naar binnen, tot ongenoegen van Elske. Gregorius moet vertellen wie hij is en wat hij doet. Wanneer Volckert hoort dat hij studeert, wil hij weten of hij ook de negromancy, de toverkunst, onderwezen heeft gekregen. Gregorius antwoordt bevestigend en Volckert wil daar dan wel eens een staaltje van zien, ook al weer tot ongenoegen van Elske. Gregorius slaat aan het toveren, met veel potjeslatijn en echt latijn voor de goede verstaanders in de zaal. Gregorius tovert het vlees, brood en de wijn tevoorschijn. Elske, die weet dat Gregorius de zaak voor de gek houdt, kan niets zeggen zonder zich te verraden. Gregorius en Volckert schransen en drinken. Elske is doodsbenauwd dat Gregorius haar verraadt. Maar hij verzekert haar dat hij dat niet zal doen, en tovert de ‘duivel’ Leendert onder de ton vandaan. De molenaar vindt het opmerkelijk dat die duivel zoveel op zijn buurman Leendert lijkt. Dat zal hij hem morgen gaan vertellen. Leendert wordt weer onder de ton gestopt en Volckert is moe en gaat naar bed. Leendert kan er dan alsnog vandoor. Gregorius probeert ondertussen dienstmeid Pleuntje te versieren, hetgeen uiteindelijk lukt. De klucht eindigt met Gregorius die zich tot het publiek richt met de moraal van het verhaal: dat je je nooit uit het veld moet laten slaan door tegenslag, want dat het geluk ooit jouw kant zal kiezen.