Op maandag 23 mei 1644 ging Bernard Fonteyns laatste spel in première. Het was een herdersspel, een geliefd genre in die tijd. Desondanks moeten we hier spreken van een geflopt stuk: het werd 5 keer opgevoerd, eerst op vier opeenvolgende speeldagen, 23, 26 en 31 mei en 4 juni en daarna nog één keer op 3 oktober 1644. De opbrengsten waren laag. In totaal bracht het 475 gulden, 18 stuivers en 8 penningen op, waarvan het leeuwendeel afkomstig was van de laatste voorstelling die 152 gulden en 15 stuivers had opgeleverd. Het stuk was opgedragen aan het voltallige college van schouwburgregenten van het seizoen 1643-1644, allen geestverwanten van Fonteyn.
Ondanks de flop zou Fonteyn in het seizoen 1644-1645 tot voorzitter van de schouwburghoofden worden verkozen, ook al moest hij drie van zijn goede vrienden in het college, Jacob Block, Kasper Vinckel en Simon Engelbrecht uitwuiven en de heren Isaac Commelin, Marten Kretser en W.D. Hooft begroeten als nieuwe leden. Het is mogelijk dat hij alweer verkozen was voor het seizoen 1645-1646, toen hij in juni 1645 overleed. Hoe dan ook: het regentschap vervulde hem van een enorme trots. Dit blijkt uit een tamelijk curieuze tekst, die hij in die periode schreef en die een paar jaar na zijn dood, in 1649, door zijn broer Anthony werd uitgegeven, Per oratio poëtica, in laudem poësios, of ’t Lof der rym-kunst. Deze tekst is een toespraak op rijm, gericht aan de volledige magistraat van Amsterdam, aan de opper-schout, de burgemeesteren, de oud-burgemeesteren, de heren tresoriers, de schepenen, de heren zes-en dertig raden, de regenten van het weeshuis, de regenten van het oude mannen- en vrouwenhuis en de hoofden en de liefhebbers van de schouwburg. Het is een merkwaardig en onevenwichtig stuk. Het is voornamelijk een traditionele lof van de poëzie, waarin Fonteyn zijn feitenkennis aangaande de klassieke oudheid kwijt kon, en waarin hij het verplichte nummer van het Horatiaanse nut en vermaak mengt met Aristotelische literatuuropvattingen. Hier en daar klinkt P.C. Hoofts Reden vande waerdicheit der poesie er in door, een tekst die weliswaar pas in 1728 zou worden uitgegeven, maar die ca. 1615 binnen de Oude Kamer circuleerde en waarin Hooft zich, net als Fonteyn nu, richtte tot de magistraat van Amsterdam. Hooft trachtte hen over te halen hun medewerking te verlenen aan de stichting van een ‘aensienlijcker & bequamer toonneel’. Fonteyns vader was destijds factor van de Oude Kamer en kan in het bezit zijn geweest van een afschrift van de tekst, of zich deze nog lang hebben kunnen herinneren. Hoe dan ook: die schouwburg stond er nu ook, mede dankzij die magistraat, en dokter Bernard Fonteyn mag daar voorzitter van de schouwburghoofden van zijn! Er komen ook passages voor in de tekst, waarin hij verwijst naar de grote contemporaine schrijvers. Dit zijn wonderlijk genoeg voornamelijk de lieden die met zijn vader in de clinch hadden gelegen tijdens de ruzies in de Oude Kamer, die zouden resulteren in het uit de kamer stappen van deze mannen om in 1617 met de Nederduytsche Academie een nieuwe en vernieuwende weg in te slaan, zoals Bredero, Coster en de koopman Cornelis van Kampen. Het is vooral sportief om ook Bredero te noemen, die, net als Tengnagel (zie op 6 april 1643) het toneelstuk Het verloren schaap, alsmede de overige poëtische uitingen van zijn vader Jan Fonteyn in een venijnig gedichtje, Ian de Voor-looper, belachelijk maakte. Wat werkelijk opmerkelijk is in deze tekst is de uitbundige lofzang op Cornelis van Campen (1564-1636). In een buitenproportioneel lang stuk zingt hij de lof van deze koopman, die een grote rol heeft gespeeld in de Oude Kamer. Hij was de oom van de bekende bouwmeester, Jacob van Campen, die de ontwerper van het gebouw van de nieuwe schouwburg was, de neef van Roemer Visscher, bevriend met o.a. Bredero en P.C. Hooft en behoorde tot de rijksten van zijn tijd. Toen in 1612 de Oude Kamer zich begon te professionaliseren, door zich vooral te gaan toeleggen op toneelproducties en die niet meer gratis op te voeren, maar drie stuivers toegang te heffen, heeft hij, getuige de woorden van Fonteyn, het initiatief genomen de winst af te dragen aan het Oude Mannenhuis. Fonteyn roemt zijn welsprekendheid en vele deugden. De toenemende invloed van de werkelijk getalenteerden binnen de kamer, zoals Bredero, Coster en P.C. Hooft, werd echter door Van Campen even hartelijk gesteund als door vader Jan Fonteyn verafschuwd, waarna de hiervoor vermelde afscheiding plaatsvond.
De zoon heeft ongetwijfeld meer succes gehad dan de vader, ook al was dat succes niet al te groot, zoals we gezien hebben in deze en in de beide voorafgaande afleveringen van dit weblog. Zijn laatste stuk, Romilius en Pelagia, verhaalt van de liefde van de edelman Romilius voor Pelagia. Zijn vader, Victorius, is ernstig tegen een huwelijk met deze schone. Om de zinnen te verzetten gaat Romilius met zijn vriend Arnulphus op jacht. Zij horen herders en herderinnetjes zingen, dansen en pret maken, waarna zij zich erbij aansluiten nadat zij zich in herderskledij hadden gestoken. Arnulphus wordt smoorverliefd op het herderinnetje Galathea. De knecht van Romilius, Francotrijpe, die mee was op jacht, is de jongens uit het oog verloren en keert terug naar Victorius, die hem er onmiddellijk weer op uit stuurt om ze te zoeken. Francotrijpe wordt door Arnulphus misleid die hem door middel van een imitatie van een echo suggereert naar de toveres Debora te gaan. Zij verwijst hem echter door naar de kluizenaar Xenophilus. Francotrijpe gaat echter in de fout door met behulp van één van Debora’s toverboeken allemaal duiveltjes tevoorschijn te roepen. Debora komt op zijn gegil af en jaagt de duivels weg. Victorius is inmiddels zelf ook op pad gegaan en zoekt Xenophilus op, die hem doorverwijst naar de nog steeds feestvierende herders. Hij ontdekt in hun midden zijn zoon en geeft hem toestemming om met Pelagia in het huwelijk te stappen. Eind goed, al goed in dit vrolijke stuk. De vele liedjes die erin gezongen worden vind men terug in de Nederlandse Liederenbank.