Saturday, April 14, 2007

Op dinsdag 14 april 1643 ging Fortunatus soonen, Op en onder-gangh. Tweede deel  in première. Het eerste deel, Fortunatus beurs en wensch-hoedt was, zoals we hiervoor op 6 april zagen, acht dagen eerder voor het eerst vertoond. De tweede voorstelling was op 7 april geweest en de derde op 13 april. De eerste twee opvoeringen van dat stuk brachten aardig wat geld in het laatje (respectievelijk ruim 282 en 221 gulden), de derde opvoering leverde 141 gulden en 14 stuivers op*. De première van het tweede deel op 14 april bracht 125 gulden en 1 stuiver op. Op 20 april werd het eerste deel weer gespeeld, met een opbrengst van iets meer dan 135 gulden, op 23 april gevolgd door het tweede deel met een opbrengst van 121 gulden en tien stuivers, op 27 april volgde weer het eerste deel met 69 gulden. Op 4 mei stond het tweede deel geprogrammeerd. Opbrengst: 86 gulden en 12 stuivers. Tijdens de kermis in september van dat jaar werden beide stukken vlak achter elkaar, op de 21ste en 22ste van die maand opgevoerd en zoals vaak tijdens de kermis waren de recettes hoog: respectievelijk 252 gulden en 16 stuivers en 294 gulden en 6 stuivers. Het eerste deel had dus zes voorstellingen beleefd en het tweede deel vier, met voor beide stukken de kermis als grande finale. Beide stukken zouden niet meer op het repertoire worden genomen. Dit zal alles te maken hebben met de wisseling van de wacht bij de hoofden van de Schouwburg. Toen Fonteyn in het seizoen 1642-43 tot hoofd van de Schouwburg werd gekozen waren slechts twee van de oude bestuursleden, de chirurgijn Mr. Jacob Block (1600/1-1664) en Kasper Vinckel, van het seizoen 1641-42 aangebleven. Block behoorde met Fonteyn en Jan Harmensz. Krul tot de zogenaamde conservatieve en ‘romantische’ stroming van de Oude Kamer. Zij waren niet bepaald bevriend met een eerder uit de Oude Kamer naar de Brabantse Kamer overgelopen medelid, W.D. Hooft, die wij op 27 februari al tegen kwamen. Deze Hooft, die niet door één deur kon met Krul, kon dat kennelijk ook niet met Fonteyn. Want het was vanaf 1632 óf Hooft óf Fonteyn, die zitting had in het college van hoofden van de nieuwgevormde kamer, dan wel vanaf 1638 de Schouwburg, met uitzondering van Fonteyns laatste seizoen, toen Hooft zich weer een plaatsje had verworven tussen de hoofden. Toen Fonteyn in juni 1645 stierf, en zijn herbenoeming voor het seizoen 1645-46 daarmee verviel, nam Hooft meteen diens positie van voorzitter in, terwijl er maar één lid, de historieschrijver Isaac Commelin, niet vervangen werd van het zeskoppige gezelschap. Met de lange toneelstukken van Fonteyn was het toen afgelopen. Alleen zijn klucht zou nog doorgespeeld worden. Er was in het geval van de avonturen van de beurs en het wenshoedje geen aanleiding ze van het toneel te halen op basis van de inkomsten, die bepaald niet tot de slechtste behoorden.

 

Andolosia, die met de beurs vertrokken was, had met de koning van Engeland dapper gevochten tegen de Schotten. Na de overwinning richt Andolosia een groot feestmaal voor 600 personen aan, waarbij het gehele hof aanwezig is. Iedereen staat versteld van de pracht en praal en de exotische gerechten die worden opgediend. Het koninklijk paar is nieuwsgierig naar de schat, die Andolosia moet bezitten. Zij sturen hun dochter Agrippina, op wie Andolosia natuurlijk verliefd is, op hem af om dat te onderzoeken. De door liefde blinde Andolosia laat haar de beurs zien en legt haar uit hoe die werkt. Zij maakt een romantisch afspraakje met hem en dient hem een slaapdrankje toe. Wanneer hij slaapt verwisselt zij de beurs voor een andere. Zodra hij dit bemerkt reist hij naar zijn broer op Cyprus om de wenshoed te halen. Intussen kibbelt de Koninklijke familie over wie de beurs mag hebben. Agrippina wenst hem niet af te staan. Zijn broer Ampedo voelt er weinig voor om de wenshoed af te staan, maar Andolosia neemt hem toch mee. Hij wenst zich kostbaarste juwelen uit Florence, Genua en Venetië, en gaat die op de markt verkopen. Door zijn vermomming wordt hij niet herkend. Agrippina koopt een aantal juwelen en terwijl zij hem betaalt, grijpt hij haar vast en wenst hen beide naar de wildernis. De ook bij de koop aanwezige koningin gelooft haar ogen niet: haar dochter is zomaar verdwenen! In de wildernis krijgt Agrippina dorst. Andolosia klimt in een boom om appelen te plukken en zet zolang de muts op haar hoofd. Zij verzucht dat zij graag weer in Engeland zou zijn en verdwijnt zo met wenshoed en al. Andolosia is nu alles kwijt: beurs, wenshoed en Agrippina. Hij eet een appeltje en voelt hoe er op zijn voorhoofd plotseling horens gaan groeien. Hij ontmoet een kluizenaar, pater Benedictus, die niet echt blij is met zijn komst, want hij heeft al in dertig jaar niemand gezien. Maar als goede pater helpt hij Andolosia en vertelt hem dat hij een andere appel moet eten om weer van die horens af te komen. Andolosia gaat met beide appelsoorten terug naar Londen, verkleed zich als boer en verkoopt de prachtige appeltjes aan de hebberige Agrippina en nog enige hovelingen. Zij krijgen allemaal horentjes op het voorhoofd. De koning laat een wonderdokter uit Kantelberg komen, van wie hij heeft gehoord. Dit is natuurlijk weer een opnieuw vermomde Andolosia. Als een echte kwakzalver spreekt hij een koddig soort Duits. Hij geeft een stukje appel, waardoor de horens ietsje kleiner worden, maar nog niet geheel verdwijnen. Hij vraagt nog meer geld om medicijnen te kopen, maar ontdekt dan de wenshoed, die hij opzet en waarmee hij zichzelf en Agrippina weer elders wenst. Ze komen in een bos, waar hij haar de beurs ontneemt. Hij dreigt haar te doden, krijgt toch medelijden en stuurt haar terug naar huis, met nog een beetje horens op haar voorhoofd. Hij keert terug naar Cyprus, waar hij door twee weinig edele edelen voor zijn beurs wordt gedood. Door de dood van Andolosia verliest de beurs echter zijn kracht en werkt niet meer. De edelen krijgen ruzie en de één doodt de ander. Ampedo vindt intussen het lijk van zijn broer. Hij besluit de alleen maar ongeluk brengende wenshoed te verbranden, zodat niemand deze in handen zal krijgen na zijn dood. Daarna wordt hij ziek en gaat dood. Het stuk eindigt met een monoloog van de godin Providentia, die de toeschouwers nog maar eens wijst op de daden van de godin Fortuna die van armen rijken maakt en omgekeerd.

 

 

*Deze opbrengsten vereisen enige uitleg. De hier gegeven bedragen zijn de bedragen die de regenten van het Weeshuis ontvingen. Het Weeshuis was de instelling waarmee Samuel Coster in 1617 in zee was gegaan, toen hij de Nederduytsche Academie oprichtte. Er kwam destijds een verdeelsleutel voor de recettes van de voorstellingen, na aftrek van de kosten die gemaakt waren voor het spel. Nadat Coster het bijltje er in 1622 bij had neergegooid, kwam het Weeshuis in het bezit van het theater. Zij lieten de Brabantse Kamer de opvoeringen verzorgen, en ontvingen daarvoor tweederde van de recettes. De Kamer ontving ter bestrijding van de kosten een derde deel. De Brabantse kamer was rond 1630 een zachte dood gestorven en had ruimte gemaakt voor de ‘nieuwe’ academisten van de Amsterdamsche Academie, die dezelfde regeling hadden. In 1632 werd op last van de overheid de Oude Kamer en de Amsterdamsche Academie samengevoegd in de Amsterdamsche Kamer om met meer succes de opvoeringen op het toneel van de Academie te verzorgen. De Oude Kamer had altijd ten behoeve van het Oudemannenhuis gespeeld. De nieuwe verdeelsleutel werd nu tweederde voor het Weeshuis en eenderde voor het Oudemannenhuis. De voor de opvoeringen gemaakte kosten werden overeenkomstig verdeeld. Omdat we uitgaan van de boekhouding van de regenten van het Weeshuis zijn de hier genoemde bedragen dus tweederde van de feitelijke opbrengst.

posted @ 8:11 AM | Feedback (1)