Op maandag 6 april 1643 ging Fortunatus beurs en wensch-hoedt, het bly-droef-eyndend spel van de arts Bernard (ook: Barend) Fonteyn (1602/3-1645) in première.
Fonteyn kwam uit de kring van de Oude Kamer In Liefd’ Bloeyende, die in 1632 was gefuseerd met de Amsterdamse Academie, het samenraapsel van de oude en nieuwe academisten en de leden van de Brabantse Kamer. Hij wordt in 1633 en 1634 genoemd als hoofd van de uit deze fusie voortgekomen Amsterdamsche Kamer en in 1642-43 duikt hij weer op als regent van de Schouwburg, wat hij in totaal drie seizoenen tot aan zijn dood in juni 1645 zal blijven. Het laatste seizoen, 1644-1645 stond hij zelfs boven aan de lijst van regenten. In de jaren dat hij actief betrokken was bij het theater schreef hij ook voor het toneel: in 1633 een klucht en een droef-blijeindend spel, in 1643 twee treurspelen en in 1644 een herdersspel. De lange spelen flopten, de klucht, Mr. Sullemans soete vriagi, zou een redelijk succes kennen, maar daarover en over het spel uit 1633, Tranquilli de Mont droef bly-eyndent-spel, en Fortunati geluck en ongeluck meer op 22 augustus 1633. De treurspelen uit 1643 en 1644 zullen achter elkaar behandeld worden: vandaag Fortunatus beurs en wensch-hoedt, op 14 april Fortunatus soonen, op ende onder-gangh en op 23 mei a.s. Romilivs en Pelagia, bly-eyndend'-spel.
Bernard Fonteyn kwam uit een familie van artsen en rederijkers. Zijn vader, Jan Fonteyn, was 30 jaar lang lid geweest van de Oude Kamer en is daar prins en factor geweest. Hij schijnt Latijnse poëzie te hebben geschreven en een treurspel onder de titel Het verloren schaap, maar dat is niet overgeleverd. Gelukkig hebben we de (weinig vleiende) getuigenis van de zeventiende-eeuwse toneelchroniqueur, De geest van M.G. Tengnagel, In d'andere werelt by de verstorvene Poëten over dit stuk (vers 329-340):
'K moet'er ietwes af verhalen.
d'Oudst wist van 't verloren schaep.
Dat belachlijk spel te malen.
d'Heer noemt zijn Discipels knaep:
Zy den Baes hem weder, even
Of't een Mets'laer was, de Heer.
Vraegt hy naer des volcks leven,
Zonder beet'ring, zy dan weer.
Het is al verloren fluyten,
Als het paert niet pissen wil,
D'Heer daer op; loopt dat niet buyten?
't Euangely zwijgt dat stil?
Iets eerder presenteert de Geest naast de vader ook de zoons Barend (Bernard) en Nicolaas (vers 313-328):
'K zie drie Artzen van ter zijen;
Barent, Klaes, en Ian Fonteyn,
Die wel eer de rijmerijen
Achten groot en maekten kleyn.
'T waren minnaers in haer darmen
Van de Poësy: maer, Ach!
Zouj'er over niet ontfarmen,
Datz'er by in Armoe lag?
Z'hadden haer, eylaes! ontogen,
Al haer glants, en al 't cieraed,
Datze als naakt stont voor diens oogen,
Die'er kon in het gewaet:
Daerze Hooft wel eer in kleden,
Daerze Huygens mee verrijkt;
Daerze Vondel in doet treden,
En daer zy door Kats in prijkt.
Bij Nicolaas kwam hij kennelijk over de vloer (vers 341-344):
Klaes dee my zo vaakmael zwijmen,
Als ik in zijn huys moest treên,
Door het lezen van zijn rijmen;
Was ik niet, hy was te vreên.
Over Barend is hij iets milder, maar hij legt wel meteen bloot, waar deze mis gaat in zijn stukken: hij houdt zich niet aan de regels van de kunst die voorschrijven dat er o.a. eenheid van plaats moet zijn in een treurspel (vers 345-352):
Barent droeg zig wat bedachter,
Rijmd' ook niet in overdaed.
't Dokterschap maekt hem gheachter,
Dan d'onnoosle Fortunaet.
Hy bespringt wel twintig Steden,
In zijn speeltijt op zijn reys.
'T was een lamte in 't spel zijn leden;
Schoon het anders had zijn eysch.
Fonteyn had voor de Schouwburg een heel korte soap bedacht, in twee delen, dus in tien bedrijven (want aan de klassieke indeling hield hij zich, in tegenstelling tot in 1633, nu wel). Het eerste deel, dat vandaag behandeld wordt, werd zes keer opgevoerd, het tweede deel zou vier keer worden opgevoerd. De stukken werden samen gedrukt, maar wel ieder met een eigen titelpagina en een eigen paginering.
In Aen den Leser verwijst Fonteyn naar zijn bron, zonder de naam te noemen: “het geschicht-Boeck in onse tael beschreven”. Het was echter bij iedereen in die tijd bekend: het is het volksboek Een nieu historie van Fortunatus borse, ende van sijnen wensch-hoet, dat vele drukken beleefde in de 16de en 17de eeuw. Die bekendheid blijkt bijvoorbeeld uit een passage in Bredero’s Moortje, waarin de kinderen met Sinterklaas volksboekjes krijgen met “de moye stoorien / Van Fortunates Buersje, van Blancefluer, van Amadis de Gauwelen” (vers 2644-5). Fonteyn deelt echter mee, dat hij zich niet echt aan de tekst heeft gehouden: hij kortte in en breidde uit naar eigen inzicht. En, hij meldt het maar even voor de zuiveren in de leer, hij heeft zich niet kunnen houden aan de eenheid van plaats en tijd, want door de onuitsprekelijke macht van die wenshoed moet je wel vele jaren doorlopen en in veel koninkrijken verschijnen. Vervolgens wordt het stuk vereerd met vijf drempeldichten, onder anderen van zijn vrienden uit de Oude Kamer, Mr. Jacob Block en Jan Harmensz. Krul.
Fortunatus, tot armoede vervallen, verlaat Famagusta op Cyprus, met achterlating van zijn vrouw Cassandra en twee zoontjes Ampedo en Andolosia. Hij komt in een bos, waar hij eerst een beer omlegt en zich in leven houdt met diens bloed. Hij beklaagt zijn lot in een monoloog, die telkens wordt onderbroken door een echo, die wordt uitgesproken door de godin Fortuna. Hij valt in slaap. Fortuna komt dan het toneel op met een stelletje historische ongeluksvogels, Dionysius, ooit koning van Syracuse, nu schoolmeester, Bellisarius, eens overste der Romeinen, nu een blinde bedelaar, Perseus, voor deze koning van Macedonië, nu smit, Christophorus, ooit paus, nu een arme monnik, en Suadocopus, eens koning van Moravië, inmiddels balling. Hier blijkt dat Fonteyn zijn klassieken kende. De heren komen allen voor in de catalogus van onfortuinlijke grootheden van Joannes Ravisius Textor in diens Officinae epitome, in het hoofdstuk Qvi ex prospera Fortvna ad humilem et miseram redacti sunt (p. 310-312). Zij vervloeken Fortuna. En Fortuna leert ze nog even een lesje. Ze kiest Fortunatus uit om bij hem het lot weer ten goede te keren. Ze laat hem kiezen uit wijsheid, rijkdom, gezondheid, kracht, een lang leven en schoonheid. Hij kiest voor rijkdom, omdat hij denkt hiermee ook de andere vijf zaken te kunnen verwerven. Hij krijgt een beurs, waaruit hij telkens als hij zijn hand er in steekt, tien goudstukken zal halen. Providentia spreekt hem vervolgens belerend toe en stelt drie eisen: op iedere verjaardag van deze dag moet hij zich mooi aankleden, een mooie vrouw die zich aanbiedt afslaan en een arme vrouw of weduwe 400 goudstukken geven uit Fortuna’s naam. Dan wijst zij hem de weg het bos uit, waarbij hij niet om mag kijken. Onderweg ontmoet hij een arme oude edelman, Leopoldus, die hij in dienst neemt. In Byzantium logeren zij bij een waard, Mala-testa, die hen ’s nachts berooft. Fortunatus jokt dat er in de beurs een wisselbrief zit. Mala-testa laat ze de beurs onder het bed vinden. Fortunatus test de beurs, die nog goed werkt, en hij trakteert Lesbia, een arm meisje, die met de koopman in worsten (metworst en saucijzen) Meso-matto, wil trouwen, op de goudstukken. Tijdens de voorbereidselen van het huwelijk probeert de waard nogmaals de heren te beroven, maar Leopoldus is wakker gebleven en velt hem met het zwaard. Ze vluchten weg en na vele omzwervingen door Perzië, China, India en Rome komen ze bij de “Soudaen, Keyser van Turkyen”. Deze toont hem een wenshoed. Fortunatus veronderstelt dat deze wel heel zwaar zal zijn. De soudaen ontkent dit en laat hem de hoed op zetten. Fortunatus is blij verrast, houdt hem op en doet de wens om er mee naar zijn galei te gaan, waarmee hij huiswaarts wil keren. En zo is de soudaen zijn hoedje kwijt. Een gezantschap van de soudaen reist naar Famagusta, waar Fortunatus inmiddels weer thuis zit bij vrouw en kinderen, en probeert vergeefs de hoed terug te krijgen. Dan overhandigt de Turkse admiraal Marcholandus Fortunatus een brief, waarop vergif is aangebracht. Cassandra sterft als eerste en Fortunatus vertelt voordat hij sterft de geheimen van de beurs en het hoedje aan zijn zonen. Hij drukt ze op het hart beurs en hoed niet van elkaar te scheiden. Maar na zijn dood krijgen zij natuurlijk ruzie en gaan ieder huns weegs, Andolosia wil reizen, Ampedo wil thuisblijven. Uiteindelijk vertrekt Andolosia voor zes jaar met de beurs, met achterlating van een aantal kisten met geld, en Ampedo blijft achter met het wenshoedje.
WORDT VERVOLGD!