Friday, March 30, 2007

Op maandag 30 maart 1665 werd de klucht Klucht van Jean de la Roy, of d’Ingebeelde rijke voor het eerst opgevoerd. Dat gebeurde in de ‘drooghbak’ gedurende de sluiting van de Schouwburg op de Keizersgracht, die toen verbouwd werd. In de droogbak werd het nog twee keer opgevoerd. Zoals we gezien hebben bij de opvoering van de Palamedes hiervoor hadden in die periode de toneelspelers zeggenschap in de keuze van het repertoire, in tegenstelling tot de praktijk bij de Schouwburg waar de regenten het voor het zeggen hadden. Des te opmerkelijker is het dat er in die korte periode, namelijk van 13 januari tot en met 22 mei vier premières waren, twee treurspelen van Vondel, Palamades en Koning Edipus uit Sofokles, het herdersspel Den dollen Amintas, oft Verloste minne-plaag van Daniël Wels en deze klucht van Joost van Breen. Dit wordt nog opmerkelijker, wanneer we zien dat deze stukken geen van vieren vervolgens op het repertoire werden gehouden. Alleen Edipus en Den dollen Amintas worden in 1666 nog gespeeld, al weten we niet wanneer precies en hoe vaak. Alleen de gepimpte Palamedes zou in de achttiende eeuw een revival kennen.

 

Joost van Breen, wiens leefjaren niet bekend zijn, was waarschijnlijk leraar in de stuurmanskunde te Amsterdam. Hij gaf op dat gebied een leerboek uit, Stiermans gemack, ofte Een korte beschrijvinge vande Konst der Stierlieden (1662), waaraan was toegevoegd de beschrijvinge en 't gebruyck van een nieuwe geinventeerde graetboog, een eigen uitvinding, uitgevoerd in koper. Hij zou tevens de auteur zijn van Galgenschrift voor Olivier Cromwell (1650) en Triumpherend Rijk (1666), maar deze werkjes heb ik nog niet terug kunnen vinden.

Daarnaast schreef hij vijf kluchten, Bedroge jalouzy (1659, 2e druk na 1739), Klucht van 't kalf (1656, 2e druk ca. 1748), Jean de la Roy, of d'Ingebeelde ryke (1665), De ziende blindeman (1748) en De swarte minnaers (uitgegeven zonder plaats en jaar, maar met een vignet met de tekst De Min vindt middel, gegraveerd door de bekende tekenaar en graveur Jan Wandelaar (1690-1759), vermoedelijk ook te dateren rond 1748). Van deze kluchten is, naast Jean de la Roy alleen Bedroge jalouzy nog opgevoerd. We weten van één opvoering op 28 april 1659.

De revival van de kluchten van Van Breen rond ongeveer 1740-1748 is opvallend: een herdruk van Bedroge jalouzy ('gedrukt voor de Liefhebbers' te Leiden, met een vignet op de titelpagina, gedateerd 1739 en ondertekend met Labore et Diligentia) en de Klucht van ’t kalf (gedrukt 'voor de liefhebbers') en twee nooit eerder verschenen stukken, De ziende blindeman (1748) en De swarte minnaers (ca. 1748). De uitgave van De ziende blindeman is gebeurd op verzoek van ‘Liefhebbers der Tooneel-Poëzy’ naar het handschrift dat door Joan Seba Marcus in ‘enige geschrevene Papieren’ werd gevonden, zoals in dit werkje valt te lezen. Deze J.S. Marcus is voor toneelhistorici geen onbekende. Hij was de leermeester in de declameerkunst van zijn vriend, de beroemde toneelspeler Marten Corver (1727-1794). Deze geeft een fraaie beschrijving van hem in zijn Tooneel-aantekeningen (1786) op p. 41-42:

“Mijn Leermeester [Marcus], aan wien ik de gronden mijner kunst te danken heb, die onder den Professor Vrijhof, (die een groot Tooneelkundige was,) gestudeerd hadt, en zelfs veel in 't Latijn, uit genie, en, mag ik zeggen, uit raazenden drift voor het Tooneel, geschreeven heeft, enkel om zich kundig in hetzelve te maaken, die mij en andere Liefhebbers onderweezen heeft, die over mij vijf jaaren lang een streng regter is geweest, heeft, in Julius Caesar en Kato, in de Rol van Kato, Brinkman* met zijne kundige goedkeuring zoodanig vereerd, dat hij publiek in den Schouwburg betuigd heeft, te twijffelen, of het wel verbeterd kon worden. Deze Heer, schoon hij somtijds hakkelde, kon zelf wel declameeren, en zeer goed: hij was extra streng in zijn onderwijs, gantsch niet toegeevend, en onpartijdig in zijn oordeel; hij maakte een zeer goed vers, zelfs in de Grieksche en Latynsche Taal, en verstondt het Grieks en Latijns Tooneel, doch heeft nooit iets deswegens willen uitgeeven: ook heeft hij naderhand den Schouwburg, alwaar hij vijf jaaren uitkooper** geweest was, niet meer bezogt, dan nu en dan eens bij toeval, en heeft eindelijk zijn Vaderland verlaaten, […]”. Wellicht heeft Marcus geprobeerd om De ziende blindeman op de Schouwburg gespeeld te krijgen.

 

In de Klucht van Jean de la Roy is Jean een fantast die zich inbeeldt dat in het schip van schipper Tjeerd Hart in’t Lijf een lading zou zijn aangevoerd die zijn eigendom is. Er zouden 50.000 gouden kronen in zitten, en onder andere ook (en dan komt Van Breens oude liefde Cromwell om de hoek kijken):

                                                           […], ses baelen sijdegaeren,

                        Die de vorst van Cina in drie jaer heeft gegaert

                        Van seven Zij-wormen: waer van dat elck een staert

                        Hadt als een Engels man: maer sie, je moet oock weeten,

                        Se hebben eertijds vast aen Cromwels-poort geseeten.

Intussen zijn er scènes met de welbekende man-vrouwtaferelen, waarbij de man drinkt en een nietsnut is en de vrouw een meppende haaibaai. Jean legt zich dan te slapen bij een pakhuis, omdat hij denkt dat de daar opgeslagen goederen van hem zijn en betrapt de reeds geïntroduceerde dames op het stelen van een vaatje wijn, waarna ze het vaatje met zijn allen leegdrinken. Daarna wordt hem op de mouw gespeld dat er een schat op de bodem van een droge put ligt, nog uit de Spaanse tijd (een bekend motief in kluchten, waarbij de grootste sukkels kon worden wijsgemaakt dat een voorvader op die wijze zijn geld had verstopt voor de Spanjool). Hij laat zich er in zakken en wordt opgehaald met een grote ton, die hij voor duizend pond aan de koopman Floor Snap-op verkoopt. Er blijken uiteindelijk slechts glasscherven in de ton te zitten. Maar Jean heeft toch maar een klein vermogen binnengehaald. Van Breen ondertekende niet voor niets met “Al rollende”.

 

 

*Gerrit Brinkman debuteerde in 1733 op de Schouwburg als toneelspeler en kwam tijdens de Schouwburgbrand van 1772 om het leven. Hij stond er om bekend zijn rollen vaak niet te hebben geleerd, maar dat was geen beletsel voor zijn grote populariteit.

**Men kocht voor 42 gulden per jaar een plaats in de Schouwburg, met uitsluiting van de loges, en kon dan gratis een voorstelling bezoeken, mits de plaatsen niet bezet waren. In de zeventiende eeuw kon men ook ‘penningen’ aanschaffen die voor een half of heel jaar recht gaven op een plaats in de Academie of Schouwburg. Ten tijde van de bespeling van de Academie door de Brabantse Kamer werden zij ‘beminders’ genoemd, en zij konden ook voor het ‘kamertje’ (een loge met een gordijntje!) kiezen.

 

posted @ 5:46 PM | Feedback (1)