Tuesday, February 27, 2007

Op zondag 27 februari 1628 werd het Cluchtigh-spel, Andrea de Piere, peerde-kooper van Willem Dirksz. Hooft (1594-1658) voor de eerste keer opgevoerd. Op dat moment werd het Academietoneel bespeeld door de leden van de Brabantse Kamer. W.D. Hooft was glasschrijver van beroep, vermoedelijk katholiek van geloof, ambitieus van aard en zeker geen familie van P.C. Hooft. Hij was in 1622 begonnen bij de Oude Kamer, maar hij kon daar al snel niet meer door één deur met de even ambitieuze Jan Harmensz. Krul, die ongeveer gelijk met hem bij de Oude Kamer was gekomen. W.D. Hooft was ook een praktisch man. Als gedoodverfde opvolger van de betreurde Bredero zocht hij zijn onderdak bij de kamer die in feite de opvolger van de Nederduytsche Academie was geworden. Dat bracht als voordeel ook nog eens mee dat hij nu een beter geoutilleerd theater had voor zijn toneelstukken. Hij rolleerde zijn eigen stuk en verdiende daar een dikke vier gulden mee.

In 1629, toen de Academiegeest de toch al uitgeholde Brabantse Kamer geheel overnam en men op de titelpagina’s van de vertoonde spelen meedeelde dat deze waren gespeeld ‘op den Nederduytsche Academie’, hetgeen in 1630 werd gewijzigd in ‘op de Amsterdamsche Academie’, werd Hooft gekozen in het college van de hoofden van die nieuwgevormde Kamer. In 1630 verscheen zijn laatste toneelstuk. Hij schreef in totaal drie kluchten en twee kluchtige spelen van langere adem. Van slechts één klucht, Door-trapte Meelis uit 1623, de enige klucht, waarvan we een moderne teksteditie hebben, hebben we geen speeldata kunnen vinden, maar het zal zeker op de Oude Kamer zijn gespeeld. Overigens had er eigenlijk maar één stuk een enorm succes, Stijve Piet, dat ook al in 1628 in première zou gaan. Hooft zou, aansluitend op zijn functie bij de Amsterdamse Kamer, die hij van 1630-1637 bekleedde, regent van de Schouwburg worden van het seizoen 1637-38 tot en met 1641-42, 1644-45 tot en met 1646-47 en tenslotte nog in het seizoen 1651-1652.

Kennelijk nam hij bij zijn overstap in 1628 ook zijn uitgever, de boekhandelaar C.W. Blaeu-laken, mee, die van 1628 tot en met 1632 vrijwel alle op de Amsterdamse Kamer gespeelde stukken zou uitgeven. Hiermee had de instelling voor het eerst een eigen uitgever, ook al heeft hij die functie in 1628-29 nog moeten delen met Josephus van der Nave, die echter al spoedig naar Leiden verhuisde. In de komende eeuwen zouden de schouwburgdrukken altijd aan een bepaalde drukker/uitgever gegund worden, met van overheidswege toegekende privilegiën. Overigens zou Blaeu-laken dit voorrecht bij de samensmelting in 1632 van de Amsterdamse Kamer met de Oude Kamer (wat op last van hogerhand gebeurde!) alweer kwijtraken. Dirck Cornelisz Hout-haeck, die in zijn plaats kwam, was als toneelspeler aan de Amsterdamse Kamer en later ook aan de Amsterdamsche Schouwburg verbonden en leverde niet alleen de drukken, maar ook bier, boeken, pennen en inkt. Gezien zijn honorarium speelde hij voornamelijk bijrollen.

 

Het spel Andrea de Piere, peerde-kooper was geen klucht, maar presenteert zich op de titelpagina als Cluchtigh-spel, naar het voorbeeld van de Warenar van P.C. Hooft en Samuel Coster, dat op de titelpagina de karakterisering Cluchtighe comedie had meegekregen. Maar waar Hooft & Coster volgens de klassieke regels hun blijspel hadden verdeeld in vijf bedrijven, daar heeft W.D. Hooft gekozen voor geen enkele indeling. Er zijn alleen toneelaanwijzingen aangebracht tussen de tekst, en dat voor een stuk dat in 1628 uit 1355 regels bestond en na uitbreiding door Hooft zelf voor de opvoeringen in 1634 uit 1652 regels. Ter vergelijking: de Warenar heeft 1486 regels. Het spel brengt ook de te jong gestorven blijspeldichter G.A. Bredero in gedachten. Volgens de dichter en toneelschrijver Andries Duirkant is Hooft de nieuwe Bredero. In het voorwerk voor het spel staat van hem het volgende korte gedicht:

            Is Bredero van ons berooft, die ons so soet kon stichten!

            Men siet hier Bred’roos Geest, in Hooft, met sijn boertigh gedichten.

We zullen voorbijgaan aan het feit dat ook Bredero zijn blijspelen keurig in vijf bedrijven opdeelde. Een andere aanwijzing dat Hooft met zijn voeten nog stevig in de rederijkerij staat is het feit dat op de titelpagina de wijze les van het stuk is weergegeven:

                   Op de Regel,

            Hoe seer den armen Mensch in 't onluck is verlegen,

            Noch komter (soo men seyt) wel een geluck weer tegen.

 

Hoofts bepaald niet onaardige stuk had als hoofdrol een Spaanse Brabander, ofwel een Antwerpenaar, net als Bredero’s Spaanschen Brabander Ierolimo. Maar, Bredero’s Brabander was een schelm, een oplichter, een armoedzaaier. Hoofts Brabander was een jongen van goeden huize, rijk en erg naïef. Het verhaal is in het kort: Andrea, de Brabander, is in Amsterdam om voor 500 gouden dukaten een Napolitaans paard te kopen. De hoer Margrietje lokt hem in de val door hem wijs te maken dat ze zijn halfzuster is op basis van de informatie die ze had verkregen van een oud besje, dat ooit als dienstmeisje in dienst was geweest van zijn ouders. Hij geniet de maaltijd bij haar, laat zich overhalen te blijven slapen en valt, voordat haar pooier hem kan vermoorden, in zijn ondergoed in het kakhuis door de vloer. Margrietje kan hem nu zonder hem om zeep te laten helpen beroven van zijn geld. Andrea maakt flink stampij, maar wordt natuurlijk niet meer binnengelaten in haar huis. Hij wordt slapend aangetroffen door twee dieven, die van plan zijn om een graf te beroven en hem daarvoor willen gebruiken. Het graf is van een katholieke geestelijke en bevindt zich in de kerk van Sint Nicolaas. Deze is in zijn mantel en met een ring met een robijn begraven. De dieven laten Andrea het graf in gaan om deze spullen te stelen. Hij geeft ze alleen de mantel en beweert dat er geen ring is. De dieven laten het deksel terugvallen op het graf, zodat Andrea er niet meer uit kan komen. Gelukkig zijn er nog meer dieven, die het graf willen schenden. Wanneer zij de steen weer optillen trekt Andrea er één aan diens benen het graf in. De ander rent weg in de veronderstelling dat het de duivel is. Andrea gaat tenslotte met de robijn aan de haal en krijgt het advies zijn ouders thuis te vertellen dat hij geen paardenkoper, maar een juwelier is geworden. Hooft heeft het verhaal ontleend aan De eerste Historie van Coornherts Vijftigh lustighe historien oft nieuwigheden Joannis Boccatij, de vertaling van Boccaccio's vijfde novelle van de tweede dag uit de Decamerone.

Grafdelven in de Oude Kerk te Amsterdam, de plaats van het misdrijf

 

Het stuk speelt zich af in de tijd dat Amsterdam nog katholiek was. Er is sprake van een katholieke geestelijke en zijn begrafenis in de Sint Nicolaaskerk. Deze kerk zou na de alteratie van 1578 in gebruik worden genomen voor de protestantse eredienst onder de naam Oude Kerk. Van de drie optredende vrouwen, die naar de begrafenis gaan, is er één niet katholiek, maar ‘Consestorisch’, protestants, maar dat vinden de andere twee geen punt. Het speelt zich af rond Vastenavond. Er worden Vastenavondliedjes in gezongen en het besje wordt door Margriet met een Vastenavondmunt de deur uit gestuurd. Het spel is in 1628, 1634, 1646 en 1647 dan ook rond Vastenavond gespeeld.

posted @ 4:03 PM | Feedback (0)