Op donderdag 26 februari 1665 werd Palamedes, een stuk dat Vondel in 1625 geschreven had, voor het eerst in Amsterdam opgevoerd. De wereldpremière was dit niet: de troep van Jan Baptist van Fornenberg zou het stuk al in 1663 of 1664 in Rotterdam hebben laten opvoeren. Van Fornenberg was in die periode in een hevige concurrentiestrijd terechtgekomen met de machtigste man van de Amsterdamse Schouwburg, Jan Vos, die vanaf het seizoen 1647-48 tot en met het seizoen 1666-67 (hij overleed in 1667), met slechts een onderbreking van één seizoen, regent van de Schouwburg was geweest. Vondel en Vos waren ook al geen vrienden. Fundamentele verschillen in hun toneelopvattingen zouden ervoor zorgen dat Vondel zich niet tot zijn recht voelde komen, omdat het door Vos vereiste spektakel in zijn stukken nu eenmaal ontbrak. Volgens Vondel zou Vos hem tegenwerken en de slechtste toneelspelers in zijn stukken laten optreden, nog geheel afgezien van de Vondels afkeer van de aanpassingen (vertoningen) die Vos maakte om Vondels stukken aantrekkelijk te maken voor het publiek. In 1663 had Van Fornenberg een poging gedaan om directeur van de Amsterdamse Schouwburg te worden, wat echter niet doorging, waarschijnlijk tot verdriet van Vondel die een goede verstandhouding had met Van Fornenberg. Het is niet ondenkbeeldig dat juist hierdoor Van Fornenberg het idee opvatte de Palamedes als eerste op te voeren. De tegen deze opvoeringen protesterende predikanten kregen geen poot aan de grond bij de Rotterdamse magistraat.
De schouwburg in Amsterdam werd intussen volledig verbouwd, zodat er van juli 1664 tot eind mei 1665 niet meer zou worden gespeeld. De toneelspelers duurde dit te lang en zij kregen toestemming van het stadsbestuur om in de tussentijd in de ‘drooghbak’ bij de teertuinen bij de Haarlemmerpoort te spelen. De spelers bepaalden dus het repertoire, niet de regenten van de schouwburg. Zij hebben naar het zeggen van Vondels biograaf, Geeraerdt Brandt, het stuk op het repertoire genomen zonder daarvoor toestemming te vragen, maar ook zonder dat er geklaagd werd en zonder dat het verboden werd. Het zal geen toeval zijn dat naast de drie voorstellingen van Palamedes ook Vondels Koning Edipus uit 1660 twee keer ten tonele werd gebracht. Palamedes had succes. De recettes die werden binnengehaald behoorden tot de top vier.

Er was dus nogal wat veranderd in veertig jaar. Hoe zal Vondel zich gevoeld hebben toen hij op 77 jarige leeftijd het stuk zag opvoeren dat hij als 37 jarige in al zijn felheid had zitten schrijven?
Op 23 april 1625 was Maurits overleden. Vondel was toen al bezig met zijn voor Maurits zo hatelijke stuk, dat in het najaar zou verschijnen. Het stuk speelt zich af tijdens het beleg van Troje. Odysseus beschuldigt Palamedes (Oldenbarneveldt) op basis van door hem gefabriceerde bewijzen van omkoping van verraad, waarna Agamemnon (Maurits), die maar wat graag van Palamedes verlost wil worden, ervoor zorgt dat er een krijgsraad komt die hem ter dood zal veroordelen. Het stuk is een doorn in het oog van de contraremonstrantse predikanten, die zichzelf er ook nog eens in konden herkennen. Het stuk wordt verboden en Vondel dreigt vervolgd te worden. Hoe hij na tijdelijk ondergedoken te zijn geweest om uitlevering aan Den Haag te voorkomen door het Amsterdamse stadsbestuur met een milde straf, namelijk een boete van 300 gulden, ervan af kwam is uitgebreid te lezen in Brandts Leven van Vondel. Ook kan men hier lezen hoe Maurits’ opvolger, Frederik Hendrik, die de remonstranten wel een goed hart toedroeg, zich het stuk tot zijn grote genoegen liet voorlezen. In 1626 zou Vondel zich nogal uitbundig richten op Frederik Hendrik met een Princelied op de melodie van het Wilhelmus, met een Begroetenis ter gelegenheid van de aanvaarding van het stadhoudersschap door Frederik Hendrik, met portretdichten op Frederik Hendrik en zijn vrouw Amalia van Solms, met een 992 verzen tellende Geboortklock Van Willem van Nassav naar aanleiding van de geboorte van hun zoontje en nog een paar kleinere gedichtjes. Maar ondanks de veranderde verhoudingen kon de Palamedes toen nog niet worden opgevoerd, zoals wel de minder aanstootgevende Baeto, zoals we op 18 januari 1626 gezien hebben. Het zal overigens geen toeval zijn dat ten tijde van de opvoeringen in 1663 er geen Oranje aan het roer zat, maar dat het toen het eerste stadhouderloze tijdperk was.
Pas in 1707, tijdens het tweede stadhouderloze tijdperk, werd het stuk weer vier keer opgevoerd, met veel succes, maar het zou tot 1720 duren voordat het werd hernomen, nu met vertoningen van Pieter Langendijk. Het zou nog tot 1747 worden doorgespeeld, met deze en nog andere vertoningen. In 1734 verscheen de eerste echte schouwburgdruk van het stuk. Het exemplaar dat zich bevindt in de UB Leiden bevat naast de vertoningen van Langendijk nog twee vertoningen en een door de toneelspeler Anthony Spatsier geschreven en voorgedragen Aanspraak aan de hele magistraat van Weesp, die de voorstelling bijwoonde op 31 oktober 1739. Spatsier memoreert het zitvlees dat de toeschouwers moeten hebben gehad:
Het heeft u dan behaagt, ô waarde Burger Heeren!
Om ons vier uuren, met uw byzyn te vereeren.
En dan te bedenken dat op dat moment het naspel, een klucht, nog gespeeld moest worden.