Sunday, February 18, 2007

Op zondag 18 februari 1629 werd Bredero’s Klucht van de koe uit 1612 opgevoerd, na de opvoering van de drie delen van Claas Kloet van Nicolaes Biestkens. Het is de eerste van wellicht een korte reeks van 11 opvoeringen in februari en maart 1629, wanneer we aannemen dat het verder is doorgespeeld achter Bredero’s Spaanschen Brabander Ierolimo, dat van 25 februari tot 25 maart tien keer werd opgevoerd. Omdat meestal alleen de titel van het vertoonde pièce de résistance, dus het blij- of treurspel, werd vermeld en helaas slechts zelden de titel van de klucht waarmee de voorstelling altijd werd afgesloten, weten wij slechts weinig van het aantal opvoeringen. In het geval van de Klucht van de koe is deze datum de eerste die wij kennen. Maar het stuk, dat dateert uit 1612, beleefde in dat jaar ongetwijfeld zijn première op de Oude Kamer In Liefd’ Bloeyende en zal op die kamer meerdere jaren zijn opgevoerd. Ook op de Nederduytsche Academie in de tijd van Samuel Coster (1617-1622) zal de klucht zijn opgevoerd. Ook de gegevens van de opvoeringen van kluchten op de Schouwburg zijn verre van compleet. Wij weten slechts van zes opvoeringen in 1646. En daar boffen we ook nog mee: van de overige kluchten van Bredero, Symen sonder Soetigheyd, Den Molenaer, en De Quacksalver kennen we geen enkele opvoerdatum.

 

 

 De boer, de koe en de gauwdief

 

De eerste druk van de Klucht van de koe dateert pas van 1619, na Bredero’s dood in 1618. De uitgever, Cornelis Lodewijcksz. vander Plasse, had al het nog niet gepubliceerde werk van Bredero voor veel geld en met nog meer moeite verzameld en presenteert de kluchten als opvrolijkende leesstof voor de lange winteravonden. De uitgave is dus niet gerelateerd aan een opvoering. Pas vanaf halverwege de jaren twintig zal het praktijk worden dat een opgevoerd stuk gelijktijdig wordt uitgegeven. Onder de tekst heeft Bredero geschreven: ‘Gheschreven, gherijmt, ende verdeylt, door my, Gerbrant Adriaensz. in Bredero, Den 6. Augustus 1612’. Dit houdt in dat hij zelf het stuk heeft gerolleerd, dat wil zeggen dat hij alle rollen apart heeft uitgeschreven voor de toneelspelers. Dit betekent dat hij zich toentertijd actief bezighield met de toneelopvoeringen bij de Oude Kamer. In 1629 ontving Cornelis Bolswaerdus, in het dagelijks leven chirurgijn, voor het rolleren van de Spaanschen Brabander en Klucht van de koe ruim zeven gulden.

 

 

 

De stof voor zijn klucht heeft Bredero gehaald uit een kluchtboekje, Een Nyeuwe Cluchtboeck, dat in 1554 te Antwerpen was gedrukt. Een gauwdief steelt midden in de nacht van een boer, bij wie hij nota bene gastvrij onderdak had gekregen, diens prachtige, vetgemeste koe en stalt die tijdelijk bij het huis Kostverloren bij Ouderkerk aan de Amstel. De volgende morgen gaan zij samen op pad voor de zaken die de dief te doen heeft. Deze haalt de koe op en, ook al vindt de boer de koe wel erg op de zijne lijken, hij laat zich in zijn goedgelovigheid overhalen deze voor de dief te verkopen. De dief wacht op hem in een herberg, waar zich de waardin Giertje en een ‘optrekker’ (lapzwans) bevinden. Zodra hij het geld heeft gaat de dief ervandoor met medeneming van twee schotels van de waardin en de jas van de optrekker. De boer blijft achter in de herberg en laat zich kennen als een echte rederijker, die gedichten declameert met veel Franse leenwoorden in de tekst, waar de optrekker niets van verstaat. Het zoontje van de boer komt huilend binnen, omdat de koe verdwenen is. De boer krijgt nu door dat hij is beetgenomen en begint te jeremiëren. De waardin laat de boer en de optrekker het gelag betalen.

 

posted @ 4:52 PM | Feedback (0)