Mirko's blog

over alles wat me opvalt en bezighoudt
posts - 70, comments - 82, trackbacks - 0, articles - 0

Tuesday, February 13, 2007

bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Santiago_Calatrava

Santiago Calatrava

Santiago Calatrava (Valencia, 28 juli 1951) is een Spaanse architect die afstudeerde aan het Instituut voor architectuur in Valencia (1974) en als ingenieur aan het Instituut voor Technologie (ETH) in Zürich (1981). In Zürich heeft hij zijn kantoor gevestigd.

Door de combinatie van constructieleer en architectuur kan Calatrava in beide richtingen gemakkelijk zijn weg vinden. Hij creëert veel vernieuwende werken met oog voor zowel de vormgeving als de structuur. Met zijn grondige kennis van de constructieleer is hij in staat om de meest ongewone vormen te ontwerpen.

In 1979 won hij de Auguste Perret award omdat hij de kwaliteit van Perrets werk op het gebied van structuren opnieuw leven inblies, en omdat hij opnieuw de nadruk legde op het belang van het hebben van een basisstructuur om een uiteindelijke vorm te creëren.

 

Bouwwerken

De Turning Torso in Malmö, ontworpen door Santiago Calatrava
De Turning Torso in Malmö, ontworpen door Santiago Calatrava

Gebouwen

- Overkapping van het Olympisch Stadion
- Overdekte wielerbaan
  • 2003: 80th South Street Tower, New York
  • 2003: WTC Path Terminal, New York

Bruggen

Zie ook

Externe link

 

posted @ 9:36 PM | Feedback (7)

Friday, February 02, 2007

Frans architectenbureau: http://www.odbc-paris.com/web/

 Odile Decq

Op 6 februari geeft Odile Decq een lezing in de Brakke Grond: zie www.arcam.nl Helaas zit ik dan in Parijs, dus daar kan ik niet naartoe.

 

posted @ 6:43 PM | Feedback (13)

Thursday, January 25, 2007

http://www.ijsvogels.nl/

ijsvogel02_33

posted @ 8:52 AM | Feedback (1)

Thursday, December 28, 2006

Bijzonder gebouw in Londen.

posted @ 11:03 PM | Feedback (1)

Saturday, November 25, 2006

Jamie en Ste uit Beautiful Thing:

posted @ 8:30 PM | Feedback (22)

Dit is zo'n geweldige film! Ik wist niet dat ik 'm nog had op video. Heb 'm net zitten kijken en opnieuw zitten genieten.

posted @ 8:12 PM | Feedback (2)

Thursday, November 09, 2006

posted @ 9:46 PM | Feedback (2)

Ontzettend leuke site gevonden:

http://www.freakface.com/DrsP/

 

Drs. P bezit dichterskwaliteiten die hij vaak met een kwinkslag toepast. Zo maakte hij bijvoorbeeld een parodie op het bijna klassieke gedicht "Oogstlied" van Staring :

A.C.W. Staring

Sikkels klinken;
Sikkels blinken
Ruischend valt het graan.
Zie de bindster gaâren!
Zie, in lange scharen,
Garf bij garven staan!

Drs. P

Sikkels klinken,
Sikkels blinken,
Ruisend valt het graan.
Als je iemand weg ziet hinken,
Heeft hij 't fout gedaan.

Eenzelfde lot moet een gevoelig gedicht van de dichter Willem Kloos ondergaan als onze Drs. er een meer materialistische wind door laat waaien. Het resultaat is onderstaand pareltje :

Willem Kloos

Ik ween om bloemen in de knop gebroken
En vóór de ochtend van haar bloei vergaan.
Ik ween om liefde die niet is ontloken
En om mijn harte dat niet werd verstaan.


Drs. P

Ik ween om bloemen in de knop gebroken
En vóór de ochtend van haar bloei vergaan.
Ik had er zeven vijftig in gestoken 
Je zou zo'n rotzak ongelukkig slaan.

Een laatste voorbeeld van een gedicht dat een dergelijk ongelukkig lot ondergaat is er een van Hubert Korneliszoon Poot over het onbekommerde plattelandsbestaan. Onze Drs. is van mening dat het er voor de boeren niet makkelijker op wordt met de opgelegde regels en wetten :

H.H. Poot 

Hoe genoeglijk rolt het leven
Des gerusten landmans heen
Die zijn zalig lot, hoe kleen,
Om geen koningskroon zou geven!


Drs. P 

Hoe genoeglijk rolt het leven
Des gerusten landmans heen.
De geruste landman echter
Is een zeldzaam fenomeen.
Tegenwoordig zijn ze net zo
Ongerust als iedereen.

posted @ 9:30 PM | Feedback (1)

Nog zo'n film waarvan ik denk dat we er allemaal naartoe moeten!


We feed the world

Regie: Erwin Wagenhofer


Vinger op verkeerde zere plek


LEO BANKERSEN


Wie wel eens gniffelt om stadskinderen die niet weten dat melk van de koe komt, moet als een haas de documentaire We feed the world van de Oostenrijker Erwin Wagenhofer gaan zien. Dan zal namelijk blijken dat wij zelf ook geen flauw idee hebben hoe tegenwoordig ons voedsel wordt geproduceerd. Wagenhofer neemt ons in zijn sterk aansprekende film mee op een indrukwekkende ontdekkingsreis.


Hij laat zien hoe traditionele vissers en boeren plaatsmaken voor wereldwijd opererende zaadveredelaars, onafzienbare kassencomplexen en kippenfarms van industriële omvang. Fraai gefotografeerde impressies brengen die onbekende wereld binnen handbereik. Rustig laat hij direct betrokkenen en verontruste deskundigen aan het woord, en lardeert het hier en daar met een saillante wetenswaardigheid.

Wist u dat het merendeel van het Zwitserse brood gebakken wordt van graan uit India, een land waar een groot deel van de bevolking honger lijdt?

Maar wat is er eigenlijk mis met graanexport uit India? En waarom moeten wij ons verbazen over het feit dat graan net zo weinig kost als strooizand voor gladde wegen? Is het niet prachtig dat onmisbaar voedsel voor zo'n lage prijs geproduceerd kan worden? Dat zou je namelijk kunnen concluderen.

Ogenschijnlijk doet Wagenhofer niets anders dan alles op een rij zetten en laat hij de conclusies aan de kijker over. Maar is dat wel zo? Hoewel nergens expliciet gesteld, wekt de manier waarop Wagenhofer de zaken presenteert regelmatig de suggestie dat we behoorlijk verkeerd bezig zijn. Het is onthutsend om al het brood dat de stad Wenen weggooit bij elkaar te zien. Wagenhofer zet overvloed en verspilling naast schrijnend gebrek, maar leveren zijn krachtige beelden ook inzicht op?

Als u het mij vraagt is honger geen kwestie van voedselproductie, maar van armoede, werkloosheid en incompetente overheden. Zoals met alles in de wereld is er ongetwijfeld ook veel mis met het voedselbedrijf, de EU, de wereldhandel en de smaak van modern gekweekte aubergines. We feed the world heeft echter veel moeite de vinger op de juiste zere plek te leggen en stelt niet altijd de goede vragen.

bron: http://www.parool.nl/film/2006/recensies/110806-feedworld.html

posted @ 9:18 PM | Feedback (3)

Fantastisch! Er is in Wenen een instituut dat onderzoek doet naar graffiti.

 

ifg, Institut für Graffiti-Forschung

Matznergasse 27/17
A-1140 WIEN
0043 699 8139 0029
graffiti@web.de 

 

Hun website: http://www.graffitieuropa.org

(Rechtsonder op de hoofdpagina vind je meer graffiti-links)

Das Institut für Graffiti-Forschung (ifg) wurde 1996 in Wien gegründet und basiert auf dem seit 1978 bestehendem internationalem Graffiti- und Street-Art-Archiv - http://www.graffitieuropa.org/archiv.htm . Das ifg ist eine Vereinigung von Wissenschaftlern, Künstlern und interessierten Laien, fungiert als Dachorganisation der wissenschaftlichen Graffiti-Forschung und erstreckt seinen Tätigkeitsbereich auf die ganze Welt.

posted @ 6:25 AM | Feedback (1)

Wednesday, November 08, 2006

http://sidde.ic.cz/GrafittiArt/

posted @ 10:38 PM | Feedback (2)

Monday, November 06, 2006

Wie heeft welke Voetafdruk?

De wereldvoorraden zijn niet onuitputtelijk. Grondstoffen en bruikbare gronden zijn er maar in beperkte mate. Dat is geen probleem, zolang we die met z'n allen niet te snel opmaken en er goed mee omgaan. Als alle bruikbare ruimte op aarde verdeeld wordt over alle mensen en we geven de natuur voldoende ruimte om te overleven, dan heeft elke bewoner gemiddeld recht op 1,8 hectare (18.000 m², ongeveer drie voetbalvelden). Dit heet het het Eerlijk Aarde-aandeel. Die 1,8 hectare is inclusief de nodige ruimte voor het behoud van de mondiale biodiversiteit.

Wie de Voetafdrukken van de verschillende landen naast elkaar legt, zal al snel één ding duidelijk zien: de Voetafdruk van rijke landen is veel groter dan die van arme landen. Als iedereen op aarde zou leven als de gemiddelde Noord-Amerikaan, dan zouden we twee extra wereldbollen nodig hebben.

Hoe groot is de Mondiale Voetafdruk van de gemiddelde inwoner in verschillende landen?

Noord-Amerika 9,5 hectare
België 4,9 hectare
Nederland 4,7 hectare
Hongarije 3,5 hectare
Turkije 2,0 hectare
Eerlijk Aarde-aandeel 1,8 hectare
China 1,5 hectare
Kenia 0,9 hectare
India 0,8 hectare


Klik hier voor het Living Planet Report 2004 (pdf) met de voetafdrukken van 148 landen.

bron: http://www.voetenbank.nl/WieWelke.htm

Meet u eigen voetafdruk:

http://www.voetenbank.nl/UwVoetafdruk.htm

posted @ 7:34 PM | Feedback (2)

Tuesday, October 31, 2006

Gevonden op Krispy's Blog:

In Engeland is er gisteren een rapport van 575 pagina's uitgekomen waarin wordt voorgerekend dat het broeikaseffect ons duur kan komen te staan. Volgens de berekeningen van de Stern Review Report on the Economics of Climate Change zijn de kosten van niets doen tussen de 5% tot 20% van het huidige Bruto Binnenlands Product per jaar. De kosten van actie ondernemen bedragen 'slechts' 1% van het BBP per jaar. Het hele rapport heb ik niet gelezen (beetje veel pagina's), maar de boodschap is net als in de film van Al Gore helder en duidelijk: Actie nu! Enig verschil: dit keer is het een econoom die 't zegt in een onafhankelijk onderzoek in opdracht van de Engelse overheid.

Dit is een samenvatting van de conclusies:

STERN REVIEW: The Economics of Climate Change

Summary of Conclusions

There is still time to avoid the worst impacts of climate change, if we take strong action now.

The scientific evidence is now overwhelming: climate change is a serious global threat, and it demands an urgent global response.

This Review has assessed a wide range of evidence on the impacts of climate change and on the economic costs, and has used a number of different techniques to assess costs and risks. From all of these perspectives, the evidence gathered by the Review leads to a simple conclusion: the benefits of strong and early action far outweigh the economic costs of not acting.

Climate change will affect the basic elements of life for people around the world – access to water, food production, health, and the environment. Hundreds of millions of people could suffer hunger, water shortages and coastal flooding as the world warms.

Using the results from formal economic models, the Review estimates that if we don’t act, the overall costs and risks of climate change will be equivalent to losing at least 5% of global GDP each year, now and forever. If a wider range of risks and impacts is taken into account, the estimates of damage could rise to 20% of GDP or more.

In contrast, the costs of action – reducing greenhouse gas emissions to avoid the worst impacts of climate change – can be limited to around 1% of global GDP each year.

The investment that takes place in the next 10-20 years will have a profound effect on the climate in the second half of this century and in the next. Our actions now and over the coming decades could create risks of major disruption to economic and social activity, on a scale similar to those associated with the great wars and the economic depression of the first half of the 20th century. And it will be difficult or impossible to reverse these changes.

So prompt and strong action is clearly warranted. Because climate change is a global problem, the response to it must be international. It must be based on a shared vision of long-term goals and agreement on frameworks that will accelerate action over the next decade, and it must build on mutually reinforcing approaches at national, regional and international level.

Climate change could have very serious impacts on growth and development.

If no action is taken to reduce emissions, the concentration of greenhouse gases in the atmosphere could reach double its pre-industrial level as early as 2035, virtually committing us to a global average temperature rise of over 2°C. In the longer term, there would be more than a 50% chance that the temperature rise would exceed 5°C. This rise would be very dangerous indeed; it is equivalent to the change in average temperatures from the last ice age to today. Such a radical change in the physical geography of the world must lead to major changes in the human geography – where people live and how they live their lives.

Even at more moderate levels of warming, all the evidence – from detailed studies of regional and sectoral impacts of changing weather patterns through to economic models of the global effects – shows that climate change will have serious impacts on world output, on human life and on the environment.

All countries will be affected. The most vulnerable – the poorest countries and populations – will suffer earliest and most, even though they have contributed least to the causes of climate change. The costs of extreme weather, including floods, droughts and storms, are already rising, including for rich countries.

Adaptation to climate change – that is, taking steps to build resilience and minimise costs – is essential. It is no longer possible to prevent the climate change that will take place over the next two to three decades, but it is still possible to protect our societies and economies from its impacts to some extent – for example, by providing better information, improved planning and more climate-resilient crops and infrastructure. Adaptation will cost tens of billions of dollars a year in developing countries alone, and will put still further pressure on already scarce resources. Adaptation efforts, particularly in developing countries, should be accelerated.

The costs of stabilising the climate are significant but manageable; delay would be dangerous and much more costly.

The risks of the worst impacts of climate change can be substantially reduced if greenhouse gas levels in the atmosphere can be stabilised between 450 and 550ppm CO2 equivalent (CO2e). The current level is 430ppm CO2e today, and it is rising at more than 2ppm each year. Stabilisation in this range would require emissions to be at least 25% below current levels by 2050, and perhaps much more.

Ultimately, stabilisation – at whatever level – requires that annual emissions be brought down to more than 80% below current levels.

This is a major challenge, but sustained long-term action can achieve it at costs that are low in comparison to the risks of inaction. Central estimates of the annual costs of achieving stabilisation between 500 and 550ppm CO2e are around 1% of global GDP, if we start to take strong action now.

Costs could be even lower than that if there are major gains in efficiency, or if the strong co-benefits, for example from reduced air pollution, are measured. Costs will be higher if innovation in low-carbon technologies is slower than expected, or if policy-makers fail to make the most of economic instruments that allow emissions to be reduced whenever, wherever and however it is cheapest to do so.

It would already be very difficult and costly to aim to stabilise at 450ppm CO2e. If we delay, the opportunity to stabilise at 500-550ppm CO2e may slip away.

Action on climate change is required across all countries, and it need not cap the aspirations for growth of rich or poor countries.

The costs of taking action are not evenly distributed across sectors or around the world. Even if the rich world takes on responsibility for absolute cuts in emissions of 60-80% by 2050, developing countries must take significant action too. But developing countries should not be required to bear the full costs of this action alone, and they will not have to. Carbon markets in rich countries are already beginning to deliver flows of finance to support low-carbon development, including through the Clean Development Mechanism. A transformation of these flows is now required to support action on the scale required.

Action on climate change will also create significant business opportunities, as new markets are created in low-carbon energy technologies and other low-carbon goods and services. These markets could grow to be worth hundreds of billions of dollars each year, and employment in these sectors will expand accordingly.

The world does not need to choose between averting climate change and promoting growth and development. Changes in energy technologies and in the structure of economies have created opportunities to decouple growth from greenhouse gas emissions. Indeed, ignoring climate change will eventually damage economic growth.

Tackling climate change is the pro-growth strategy for the longer term, and it can be done in a way that does not cap the aspirations for growth of rich or poor countries.

A range of options exists to cut emissions; strong, deliberate policy action is required to motivate their take-up.

Emissions can be cut through increased energy efficiency, changes in demand, and through adoption of clean power, heat and transport technologies. The power sector around the world would need to be at least 60% decarbonised by 2050 for atmospheric concentrations to stabilise at or below 550ppm CO2e, and deep emissions cuts will also be required in the transport sector.

Even with very strong expansion of the use of renewable energy and other lowcarbon energy sources, fossil fuels could still make up over half of global energy supply in 2050. Coal will continue to be important in the energy mix around the world, including in fast-growing economies. Extensive carbon capture and storage will be necessary to allow the continued use of fossil fuels without damage to the atmosphere.

Cuts in non-energy emissions, such as those resulting from deforestation and from agricultural and industrial processes, are also essential.

With strong, deliberate policy choices, it is possible to reduce emissions in both developed and developing economies on the scale necessary for stabilisation in the required range while continuing to grow.

Climate change is the greatest market failure the world has ever seen, and it interacts with other market imperfections. Three elements of policy are required for an effective global response. The first is the pricing of carbon, implemented through tax, trading or regulation. The second is policy to support innovation and the deployment of low-carbon technologies. And the third is action to remove barriers to energy efficiency, and to inform, educate and persuade individuals about what they can do to respond to climate change.

Climate change demands an international response, based on a shared understanding of long-term goals and agreement on frameworks for action.

Many countries and regions are taking action already: the EU, California and China are among those with the most ambitious policies that will reduce greenhouse gas emissions. The UN Framework Convention on Climate Change and the Kyoto Protocol provide a basis for international co-operation, along with a range of partnerships and other approaches. But more ambitious action is now required around the world.

Countries facing diverse circumstances will use different approaches to make their contribution to tackling climate change. But action by individual countries is not enough. Each country, however large, is just a part of the problem. It is essential to create a shared international vision of long-term goals, and to build the international frameworks that will help each country to play its part in meeting these common goals.

Key elements of future international frameworks should include:

  • Emissions trading: Expanding and linking the growing number of emissions trading schemes around the world is a powerful way to promote cost-effective reductions in emissions and to bring forward action in developing countries: strong targets in rich countries could drive flows amounting to tens of billions of dollars each year to support the transition to low-carbon development paths.
  • Technology cooperation: Informal co-ordination as well as formal agreements can boost the effectiveness of investments in innovation around the world. Globally, support for energy R&D should at least double, and support for the deployment of new low-carbon technologies should increase up to five-fold. International cooperation on product standards is a powerful way to boost energy efficiency.
  • Action to reduce deforestation: The loss of natural forests around the world contributes more to global emissions each year than the transport sector. Curbing deforestation is a highly cost-effective way to reduce emissions; largescale international pilot programmes to explore the best ways to do this could get underway very quickly.
  • Adaptation: The poorest countries are most vulnerable to climate change. It is essential that climate change be fully integrated into development policy, and that rich countries honour their pledges to increase support through overseas development assistance. International funding should also support improved regional information on climate change impacts, and research into new crop varieties that will be more resilient to drought and flood.

posted @ 9:06 AM | Feedback (0)

Saturday, October 21, 2006

Wat is waterstof?
Waterstof is de Nederlandse naam voor het chemische element Hydrogenium. Het is geurloos en kleurloos en onder normale omstandigheden (bij kamertemperatuur en onder normale atmosferische druk) is het gasvormig. Waterstof werd in 1766 door Henry Cavendish herkend. Het chemische symbool is H (van Hydrogenium).

Waterstof is het kleinst en lichtste element in het heelal. Toch maakt waterstof circa driekwart uit van het gewicht van alle materie in het heelal. Het is dus de meest voorkomende substantie. Ook op aarde komt waterstof in grote hoeveelheden voor, maar bijna uitsluitend in verbinding met andere chemische elementen. Het merendeel komt voor in de verbinding met zuurstof: H2O. Water dus.

Duurzame waterstofproductie
Waterstof komt bijna uitsluitend voor in verbinding met andere chemische elementen. Dat betekent dat waterstof 'gemaakt' moet worden. Alle steden die meedoen aan CUTE doen onderzoek naar duurzame productiemethoden. Dat wil zeggen: productiemethoden waarbij niet of nauwelijks CO2 vrijkomt.

Het Amsterdamse Afval Energiebedrijf heeft onderzoek gedaan naar de productie van waterstof uit slib dat achter blijft bij waterzuivering. Dit is mogelijk. Voor de duur en de omvang van het project is deze methode echter nog te duur. Daarom heeft GVB gekozen voor een andere duurzame methode: elektrolyse. Op het terrein van de GVB busgarage in Noord is speciaal hiervoor een waterstofproductie-unit gebouwd.

De waterstofproductie-unit
De waterstofproductie-unit bij garage Noord is gebouwd door Hoek Loos, dochter van het Europese concern Linde Gas BV. De unit bestaat uit een aantal delen:

  • De elektrolyser, waar de waterstof wordt gemaakt
  • Het compressorstation, waar de waterstof onder druk in cilinders wordt gebracht
  • Het opslagstation, waar de cilinders met waterstof staan
  • Het vulstation, waar de bussen de waterstof kunnen tanken. Dit vulstation is vergelijkbaar met een benzine- of LPG-pomp.

Elektrolyse
Door middel van elektrolyse kan water worden gesplitst in waterstof en zuurstof. Dat gebeurt met een kathode (+) en een anode (-). Deze manier van waterstof maken kost veel elektriciteit. Energieconcern Nuon levert hiervoor de groene energie: elektriciteit gemaakt met waterkracht. Op deze manier komt bij het hele proces - van productie tot verbruik in de brandstofcelbus - geen CO2 vrij. En daarmee zijn de GVB brandstofcelbussen 100 procent schoon.

De bus
De brandstofcelbussen waarmee GVB twee jaar lang gaat rijden, zijn standaard Citaro stadsbussen van Mercedes Benz. Evobus.

De inrichting, de plaats van de (elektro-)motor, de versnellingsbak en de stuurinrichting zijn hetzelfde als bij de gewone Citaro diesel. Het grootste verschil is de installatie op het dak. Daar liggen de negen waterstofcilinders, de brandstofcel en de koelinstallatie.
In iedere cilinder is 5 kg waterstof opgeslagen onder een druk van 250 bar, bij vertrek heeft de bus dus 45 kg waterstof in zijn tank. De cilinders zijn bestand tegen een druk van 1.200 bar.

De brandstofcel
In de brandstofcel vindt eigenlijk het omgekeerde van elektrolyse plaats. De waterstof wordt weer gemengd met zuurstof. Zo ontstaat weer water, maar ook de elektriciteit die nodig is voor de elektromotor van de bus. Je zou kunnen zeggen dat een brandstofcel een klein elektriciteitsfabriekje is.
De brandstofcellen van de Citaro stadsbus leveren 200 kW. Dit levert de elektromotor een acceleratievermogen op dat overeenkomt met dat van een gewone dieselmotor.

De elektromotor van de bus
De elektromotor zorgt ervoor dat de bus stiller is dan een normale dieselbus. Door de automatische transmissie en diverse innovatieve hulpmiddelen levert de motor maximaal rendement en comfort op. Sterker nog: het rendement van deze aandrijflijn is aanzienlijk hoger dan dat van een traditionele dieselbus.

posted @ 3:11 PM | Feedback (0)

BKF stoel, ontworpen door Antonio Bonet, J. Ferrari-Hardoy en J. Kurchan:

Googelen levert weinig informatie op (in een voor mij leesbare taal, uiteraard wel in het Spaans.) Wie weet er meer over deze architect?

22/10 Hij leefde van 1913-1989 en werkte in Argentinie.

posted @ 11:16 AM | Feedback (2)

Sunday, October 15, 2006

Ben je opzoek naar vis die je wel kan eten?

Op www.goedevis.nl vind je de Online Visgids met een overzicht van vissoorten onderverdeeld in:

  • Prima keuze
  • Tweede keuze
  • Liever niet

posted @ 5:54 PM | Feedback (0)

 

Door Carlijne Vos

Kabeljauw kunnen we met goed fatsoen niet meer eten. Ook paling, tong, zwaardvis en zeewolf horen niet meer op het menu. De vissen zijn zwaar overbevist of worden gekweekt op dubieuze wijze. Toch liggen de vissen gewoon op de viskraam of in de supermarkt.

‘Het milieubewustzijn wat betreft vis staat nog in de kinderschoenen’, zegt Esther Luiten van Stichting De Noordzee. Ze heeft er wel een verklaring voor. ‘De zee is ver weg; mensen staan er niet bij stil wat er onder water gebeurt.’ Bovendien, zegt ze, is de cultuur onder vissers anders dan onder boeren. ‘Het zijn echte jagers die generaties lang leven van de visvangst: de afstand tot de consument is te groot.’
Maar er is een kentering in zicht. Het milieubewustzijn onder consumenten groeit. Greenpeace liet een kaartje maken ter grootte van een creditcard dat mensen bij het boodschappen doen uit hun portemonnee kunnen halen. Op de ‘Vis-a-card’ staan vissoorten aangeduid met een groen, oranje of rood bolletje. Groen betekent prima vis, oranje twijfelachtig en rood ‘niet kopen’.

De informatie is gebaseerd op gegevens van Stichting De Noordzee. Vorig jaar verscheen op initiatief van die stichting De Goede Visgids – vis eten met een goed geweten’, een boek van Wouter Klootwijk met alle ins en outs over al dan niet verantwoorde vis. De feiten zijn om te gruwelen: 70 procent van alle vissoorten ter wereld is overbevist. Sommige soorten als Noordzee-kabeljauw, wijting, schelvis, tonijn en schol worden zo jong gevangen dat ze zich niet meer kunnen voortplanten en dus uitsterven.
Dan de vismethoden. Bijvangst heeft ervoor gezorgd dat alle soorten zeeschildpadden met uitsterven zijn bedreigd en jaarlijks duizenden dolfijnen, haaien en walvissen vast komen te zitten in de visnetten. Om over de vernietiging van koralen nog maar te zwijgen.

Minder bekend is de milieuschade door kweekvis – resultaat van de snelst groeiende voedselproductie ter wereld. Gemiddeld wordt drie tot vijf kilo wilde vis – niet duurzaam – gevangen om een kilo kweekvis te voeden, bossen worden gekapt voor de kwekerijen en de wateren vervuild met chemicaliën en pesticiden.
 
VERANTWOORDE VIS

In Frank’s Smoke House in Amsterdam vinden we de enige vis in Nederland met een MSC-Keurmerk. De wilde zalm uit Alaska wordt milieuvriendelijk gevangen en geëxporteerd en kost dan ook 7,30 euro per ons. De winkel verkoopt ook heilbot, makreel en sablefish uit kleinschalige kwekerijen. ‘Het gaat mij om de vis en niet om het keurmerk’, zegt eigenaar Frank Heijn. Zijn tonijn komt uit de - nog niet overbeviste – Malediven en wordt met de lijn gevangen in plaats van netten. Kabeljauw komt er bij hem niet in, en met de paling in de vitrine heeft hij moeite. ‘Het liefst gooi ik die uit het assortiment, maar wat is een rokerij zonder paling?’

Ook andere viszaken verkopen in beperkte mate ‘duurzame’ vis. Die vis is afkomstig uit niet overbeviste wateren, wordt duurzaam gevangen of in kleinschalige milieuvriendelijke kwekerijen gekweekt. Probleem is echter dat deze informatie moeilijk aan de consument is over te brengen. De sinds kort in viszaken verplichte bordjes met de herkomst van de vis, zeggen weinig.

Wie met een goed geweten vis wil eten, moet zelf op zoek naar informatie. De Vis-a-card of de uitgebreide lijst op www.goedevis.nl biedt uitkomst. Zo leren we dat we wel gekweekte Tilapia uit Nederland kunnen eten, maar beter niet de wilde uit Zuid-Amerika of Zuid-Afrika omdat de vis daar inheemse vissoorten verdringt.

Hoki is een goed alternatief voor de praktisch uitgestorven kabeljauw. De vis, zo lezen we in De Goede Visgids, wordt in Nieuw-Zeeland duurzaam gekweekt. Andere vissen die wel mogen: Zeeuwse oester, mossel (kweek), meerval, haring, makreel en sprot.
 
VIS MET EEN LUCHTJE
 
Met de Vis-a-card in de hand wordt de keuze voor verantwoorde vis ineens fors beperkt. Standaardvissen zoals Noorse zalm, koolvis, sardines of garnalen blijken ineens een luchtje te hebben. In de Atlantische oceaan is de wilde zalm vrijwel uitgeroeid. Verder wordt hij ernstig bedreigd door zeeluis en ziektes van ontsnapte zalmen uit kwekerijen die andere genetische eigenschappen bezitten.

Bijna alle zalm komt uit kwekerijen. De vissen worden gehouden in enorme manden in kustwateren en worden gevoerd met (niet duurzaam geproduceerd) vismeel en visolie. De vissen zitten op een kluitje waardoor ze vatbaar zijn voor ziektes en produceren enorme hoeveelheden mest die weer zorgt voor ongewenste (giftige) algengroei. De zee wordt verder vervuild met bestrijdingsmiddelen en antibiotica. In Noorwegen weten de kwekerijen dankzij strenge milieu-eisen nu redelijk duurzaam te werk te gaan.

Ook garnalen blijken niet zonder meer verantwoord, ook al is de garnalenstand in de Noordzee redelijk gezond en de vangstmethode in orde. De meeste Noordzee-garnalen ondergaan eerst een retourtje Marokko om te worden gepeld. Wie bewust wil consumeren, kan dus beter zelf zijn garnalen pellen.
 
VERBODEN VIS
 
Van sommige vissoorten is bekend dat ze ernstig zijn overbevist, maar toch blijven ze populair. Neem de tonijn. In de Noordzee is tonijn al uitgestorven, elders in de wereld wordt de vis ernstig bedreigd.

Vooral de grote soorten zoals blauwvintonijn zijn overbevist, zeldzaam en dus duur: een exemplaar – vooral gewild voor sushi – kan vijftienduizend euro opbrengen. Bij andere tonijnsoorten, die worden gebruikt om in te blikken, is het probleem dat dolfijnen in de netten verstrikt raken. Gekweekte tonijn blijkt geen alternatief. De vissen worden gevangen voordat ze zich hebben kunnen voortplanten en verder vetgemest met kostbare – eetbare – vis zoals makreel.

Ook tong hoort niet op het menu. De vissen liggen al op het bord voordat ze de leeftijd hebben bereikt zich voort te planten en de soort sterft dus uit. Hetzelfde geldt voor schol, tarbot, heilbot, zeeduivel of zwaardvis. Het gemiddelde gewicht van de laatste vis is in de laatste 25 jaar gedaald van 130 naar 25 kilo.

Van paling weten we dat nog slechts 1 procent wordt geboren van het aantal uit de jaren tachtig. Overbevissing en vervuiling lijken de belangrijkste boosdoeners.

Nijl baars – in de jaren vijftig uitgezet in het Victoriameer met als gevolg dat tientallen oorspronkelijke vissoorten uitstierven – mogen we toch eten. Het ecologisch drama is toch niet meer terug te draaien, menen de deskundigen.

posted @ 5:45 PM | Feedback (0)

Friday, October 06, 2006

Andreas Gursky
Geboren: 1955 Leipzig

Gursky, zoon van een fotograaf, studeerde eind jaren zeventig aan de Folkwangschule in Essen. Directeur Otto Steinert stimuleerde de persoonlijke creativiteit van zijn studenten, in de geest van de Bauhaus-beweging uit de jaren twintig.

Van 1980 tot 1987 zette Gursky zijn studie voort aan de kunstacademie van Düsseldorf, waar hij net als Thomas Struth en Thomas Ruff sterk beïnvloed werd door het echtpaar Bernd en Hilla Becher, die beroemd werden met juist onpersoonlijke zwart-wit 'portretten' van anonieme industriële bouwwerken als verlaten mijnen en spoorwegemplacementen.

Gursky vervaardigt van 1981 - 1984 seriele werken. Hij werkt aanvankelijk in de stijl van Becher, maar vervangt al snel het zwart-wit door kleur en begint vanaf 1984 enkelvoudige werken met mensen in plaats van gebouwen te fotograferen. Hardlopers, zwemmers, en andere sportbeoefenaars worden zijn onderwerp.

In 1987 heeft hij zijn eerste solotentoonstelling op de luchthaven van Dusseldorf.

In 1989 wint Andreas Gursky de 'Erster Deutscher Photopreis' en neemt deel aan de eerste internatonale Photo-Triennale in Esslingen.

1990 Deelname Biennale van Venetie.

Pas in 1990 neemt zijn stijl weer een radicale wending, met een foto van de beurs in Tokio: een combinatie van een - afstandelijk gefotografeerde - mensenmassa en een gebouw. Sinds dit werk reist Gursky de hele wereld af om dit soort publieke domeinen te fotograferen.

1991 Gursky wint de Bremer Kunstpreis en de Renta-prijs van de Kunsthalle in Nurnberg.

1994 Solotentoonstelling in de Deichtorhallen, Hamburg.

De foto's van Andreas Gursky zijn gezien hun standpunt het best te omschrijven als panorama's. Afstand, ordening en overzicht spelen een grote rol. Zijn werkwijze is die van zijn docenten, de Duitse fotografen Bernd en Hilla Becher, tenminste als we letten op het documentaire karakter en de camera instelling. Een groot verschil met het werk van deze beroemde voorgangers is het gebruik van kleur, het grote formaat en de aanwezigheid van mensen. De verhouding tussen de mens en de organisatiestructuur van zijn omgeving is een van de centrale thema's van Gursky. Gursky foto's gaan over gebouwen, openbare ruimte (binnen én buiten), massacultuur en natuur. De concentratie op dit aspect van de werkelijkheid levert adembenemende kunstwerken op, zoals een gezicht op een 'dealing room' in de beurs van Hong Kong of een foto van het interieur van het Duitse parlementsgebouw. Wie goed kijkt, ziet op alle foto's van Gursky sporen van menselijke activiteit. Het meest treffend zijn de platen (sommige zelfs 2 bij 5 meter groot) van imposante natuur- of stadsgezichten waar de mens zijn sporen, hoe nietig ook, heeft nagelaten. Voor Gursky is de beeldtaal belangrijker dan het experimenteren met fotografische technieken.

bron: http://www.kunstbus.nl/verklaringen/andreas+gursky.html

posted @ 9:54 AM | Feedback (0)

Jo Crepain

Belgische architect (1950),

www.jocrepain.com

Sinds zijn eerste woning, die hij nog als student had ontworpen, in 1974 met de belangrijkste Belgische architectuurprijs werd gelauwerd, heeft Jo Crepain een indrukwekkend oeuvre uitgebouwd. In België, en later ook in Nederland, dat momenteel voor het overgrote deel van zijn opdrachten tekent.
De grote verscheidenheid en onophoudelijke vernieuwing in zijn oeuvre moeten daarbij gezien als het gevolg van een niet aflatende zoektocht, die enkele van de meest markante gebouwen uit de recente Belgische architectuurgeschiedenis heeft opgeleverd.
Bouwen is voor hem allereerst een psychisch fenomeen en de woning de laatste plek om een stukje paradijs te heroveren. Niet alleen ten behoeve van de happy few, maar pour le plus grand nombre.

De meest gelauwerde Belgische architect schreef ruim 35 eerste prijzen en wedstrijden op zijn naam en is ondertussen over heel Nederland actief, voornamelijk in de woningbouwsector en in historische kernen. In België bestaat het opdrachtpakket vandaag voornamelijk uit kantoren waarmee hij in 1993 en 2003 de prijs voor het beste bedrijfsgebouw in België won.

1950 Geboren te Brugge, België
1968/1973 Hoger Architectuur Instituut van het Rijk te Antwerpen, afdeling Architectuur
1974/1977 Hoger Architectuur Instituut van het Rijk te Antwerpen, afdeling Stedebouw
1982 notoriëteit docent
Docent
1982 Stedelijk Hoger Architectuur Instituut van de stad Gent,architectonisch ontwerpen
1975/1985 Academie voor Bouwkunst te Maastricht, gastdocent
1982 Academie voor Bouwkunst te Rotterdam, docent theorie van de architectonische vormgeving
1983/1984 Unité Pedagogique d'Architecture de Nantes, gastdocent
1985 Hoger Architectuur Instituut van het Rijk te Antwerpen,docent architectonisch ontwerpen
1985/- Workshop ‘The Presence of Urban Space' met Jo Coenen en Wiel Arets te Heerlen
Praktijk
1973/1975 privé-praktijk
1975/1981 SILO ontwerp-coöperatief i.s.m. Etienne Hoeckx, John Moens, Steven Stals, interieurarchitect
en Gilbert Van Looveren, tuinarchitect
1982/1985 privé-praktijk
1986/- Jo Crepain Architect NV, het bureel telt momenteel 42 medewerkers

De eerste architecturale realisaties van Jo Crepain tonen verwantschap met het oeuvre van o.a. Bob van Reeth. Vervolgens hanteert hij een postmodern vocabularium. Zijn oeuvre uit de jaren 1990 wordt gekenmerkt door een strakkere vormentaal.

2005 tentoonstelling Architectuur Centrum Nijmegen
De tentoonstelling in het Architectuur Centrum Nijmegen ( ACN ) biedt binnen de beperkte ruimte enkele highlights uit de 30-jarige carrière en een blik op enkele op stapel staande spraakmakende projecten.

bron: http://www.kunstbus.nl/verklaringen/jo+crepain.html

posted @ 8:50 AM | Feedback (0)

Thursday, October 05, 2006

Bart van der Leck

Bart van der Leck (Utrecht, 1876 - 1958) was een Nederlands kunstschilder en vormgever.

Van der Leck werkte enkele jaren in studio's waar glas in lood werd vervaardigd. In Amsterdam begon hij met het bestuderen van schilderijen. Zijn vroege werk werd onder andere beïnvloed door de Art nouveau en het Impressionisme. Vanaf 1910 begon hij echter een eigen stijl te ontwikkelen die bestond uit gestileerde en vereenvoudigde vormen. Hierin liet hij perspectief weg en zijn onderwerpen verwerden tot geometrische vormen in primaire kleuren. Ondanks deze abstrahering van de onderwerpen was het nog steeds mogelijk om bijvoorbeeld een vrouw die naar de markt gaat te herkennen.

In 1916 ontmoet van der Leck Mondriaan en werd hij een van de stichters van de stijl. In deze periode was zijn stijl compleet abstract en leek het sterk op dat van Mondriaan en van Doesburg. In 1918 verlaat van der Leck de groep om weer terug te keren naar zijn vroegere stijl van onderwerpen in geometrische vormen vertaald.

In de jaren '20 ging hij ook patronen voor stoffen ontwerpen en in de jaren '30 en '40 hield hij zich bezig met binnenhuisarchitectuur en keramiek.

In 1919/1920 was hij verantwoordelijk voor het interieurdesign van Jachtslot St. Hubertus (gebouwd door Berlage) van de familie Kröller-Müller. Van der Leck werd gedurende zijn hele carrière gesponsord door Helene Kröller-Müller, wier collectie nu te zien is in het Kröller-Müller museum.

Bart van der Leck ontwikkelde zijn eigen kleurschema, bestaand uit grijs, wit en de kleuren rood, blauw en geel-groen. Deze kleur geel-groen is dominant aanwezig op deuren en betimmeringen in Huis Sonneveld (behorend bij architectuur museum Rotterdam) dat door Gispen en Metz is gemeubileerd. Metz & co was opdrachtgever van van der Leck. In de jaren '50 stalen wandmeubels van Gispen komen de vijf van der Leck hoofdkleuren weer terug.

posted @ 7:00 PM | Feedback (0)

posted @ 6:49 PM | Feedback (0)

Apeldoornse Courant (nu de Stentor), 24 juli 1976:

Apeldoornse huisschilder was de rechterhand van Bart van der Leck

,,Meester Karman” zag het met ,,De ruiter” niet zo zitten.

APELDOORN – Het is al weer zo’n dikke halve eeuw geleden, maar de nu 82-jarige C. Karman weet het nog precies. Met rond de dertig collega’s van het Haagse schildersbedrijf Brouwer werkte de Apeldoornse schildersgezel eind 1919 begin 1920 in het bijna voltooide door de bouwmeester H.P. Berlage ontworpen jachtslot St. Hubertus op De Hoge Veluwe.

Van de kunstverzamelaarster mevrouw Kröller-Müller had de schilder Bart van der Leck de opdracht gekregen kleurontwerpen voor het huis te maken en omdat deze toen nog vrij onbekende kunstenaar iemand als assistent wilde die iets van kleur wist en Karman zo iemand was – hij had trouwens ook de akte handtekenen op zak – trokken kunstschilder en huisschilder zo’n vijf maanden met elkaar op.

Het was in die tijd dat v.d. Leck de Apeldoorner eens meenam naar de kamer van mevrouw Kröller-Müllers rechternand Sam van Deventer en hem wees op een schilderij dat daar hing.

Karman nu in zijn woning aan de Antilopestraat: ,,Kijk, zei v.d. Leck toen. Dat schilderij is van mij. Hoe vind je dat nou? Kun je zien wat het is? Ik moest even goed kijken, maar toen zag ik dat het een ruiter te paard voorstelde. Mooi vond ik het niet. Dat heb ik hem gezegd ook”.

Het schilderij, waarover v.d. Leck Karman’s oordeel wilde horen was ,,De ruiter”, dat hij het jaar daarvoor – in ’18 – gemaakt had. Het werk onderstreepte zijn breuk met ,,De Stijl”.

In 1917 was Bart van der Leck medeoprichter en medewerker van het tijdschrift ,,De Stijl” geweest. In het eerste nummer had hij een artikeel geschreven dat als zijn geloofsbelijdenis beschouwd kon worden. Het heette ,,De plaats van het moderne schilderen in de architectuur”. Citaat daaruit: ,,De schilderkunst heeft zich in de loop der tijden, afgescheiden van de bouwkunst, zelfstandig ontwikkeld en is door experiment en destructie van het natuurlijke en oude, geestelijk zowel als vormelijk tot haar eigen wezen gekomen. Zij heeft evenwel altijd het vlak nodig en het zal haar eindwens blijven, het noodzakelijk praktische vlak, dat door bouwkusnst ontstaat, direct te benutten. Meer dan dat, zij zal in haar uitbreiding van afzonderlijkheid tot algemeenheid de gehele kleur- en bij het schilderen behorende vormconceptie aan het gebouw gaan opvragen als haar rechtmatig domein. Zien de architecten uit naar een schilder die het verlangde beeld zal brengen, de moderne schilder ziet niet minder uit naar een architect die de geschikte voorwaarden biedt, gezamenlijk tot wezenlijke eenheid van beelding te komen”.

Al gauw kreeg v.d. Leck echter in de gaten dat hij een iets ander uitgangspunt had dan zijn Stijl-collega’s Mondriaan en Theo van Doesburg. Het eerste manifest weigerde hij te ondertekenen. Het was een complete worsteling om tot een standpunt te komen. Het geheel loslaten van de realiteit ging hem te ver. Zijn eigen manifest werd toen het schilderij ,,De ruiter”, waarme hij duidelijk stelde dat de werkelijkheid weliswaar geabstraheerd, in ieder geval aanwezig en zichtbaar moest blijven. ,,Het schilderen is voor mij altijd geweest de representant van het visuele leven”, zou hij later zeggen.

C. Karman: ,,Het moet een moeilijke tijd voor hem geweest zijn.

Trouwens, ik geloof dat hij het zichzelf niet gemakkelijk maakte. Hij ging hardnekkig zijn eigen weg. Ik heb hem wel eens gevraagd wat hij met zijn kunst wilde. Hij heeft het me toen uitgelegd. Als de mens geleefd heeft en daarna de grond is ingegaan bljft er altijd nog wel iets van hem over. Dat wilde hij vastleggen”.

De schildersgezel – zelf een verdienstelijk amateur-schilder die les gehad heeft van Pieter Puype en Persijn – werkte intensief samen met Van der Leck tijdens de werkzaamheden in het jachtslot dat eigenlijk één brok kunst werd omdat alles, maar dan ook alles door kunstenaars ontworpen was. Met name Berlage zette zijn stempel op het gebouw in het park dat door zakenman Anton Kröller gesticht was. Berlage had bijvoorbeeld ook de schoorsteenmantels ontworpen. Maar toen mevrouw Kröller v.d. Leck vroeg hoe hij ze vond en de schilder te kennen gaf er weinig enthousiast over te zijn, moesten ze prompt uit de muur gehakt worden.

Bart van der Leck was geen grote prater. Karman: ,,Meestal staarde hij voor zich uit of floot een melodietje. Alleen als hij in een goede bui was kon ik een babbeltje met hem maken. Hij was autoritair en voelde zich ver verheven boven het werkvolk. Gek eigenlijk, want zijn vader was toch ook een gewone huisschilder. Mij noemde hij ,,Meester Karman” en hij vroeg wel eens wat ik nou eigenlijk met de akte l.o. tekenen deed. Een vreemde kerel was hij. Op een dag vroeg hij mij ,,Verdien je evenveel als de anderen?”

Toen ik dat beaamde zorgde hij ervoor dat ik wat meer in het loonzakje kreeg.

Van der Leck was in Hoenderloo in pension. Hij wandelde vaak daar in de bossen. Karman: ,,Hij piekerde dan vaak, kreeg ik de indruk. De schilderijen die hij toen maakte zijn, geloof ik, met veel moeite tot stand gekomen. Ik heb overigens wel het een en ander van hem geleerd, vooral wat het kleurgebruik betreft. Zijn grijs bijvoorbeeld, prachtig was die kleur. Hij zei: ,,Voor iedereen is er wel een grijs”. Het grijs dat hij in de toiletkamer van mevrouw Kröller-Müller gebruikte was een juweeltje. Die kamer werd de mooiste van het gehele jachtslot”.

Na vier, vijf maanden in het jachtslot gewerkt te hebben vertrok v.d. Leck. ,,Opeens was hij weg, naar Spanje, omdaar iets voor de firma Muller te doen. Hij vroeg mij of ik zin had mee te gaan, maar daar is niets van gekomen. Ik heb hem nooit meer teruggezien”, zegt Karman, die zich de Hubertus-periode herinnert als een plezierige tijd, waarin hij veel gezien heeft, met veel bijzondere mensen gepraat heeft en veel heeft opgestoken.

http://www.bartvanderleck.nl/interview.html

posted @ 6:45 PM | Feedback (0)

Tuesday, October 03, 2006

posted @ 11:41 AM | Feedback (0)

Saturday, September 30, 2006

Ontzettend jammer, maar Kaap Kot is dicht. Het was vanaf het begin duidelijk dat ze daar (op het uiterste puntje van Zeeburg) niet altijd zouden kunnen blijven, maar nu is het opeens zover. Vrijdag was de laatste dag dat ze open waren. Over een maand moet alles afgebroken zijn. Daarna begint Zeeburg met grondwerkzaamheden. Er komen woningen. Hoogstwaarschijnlijk betekent dat ook dat we niet meer zullen kunnen wandelen op de strekdam. Werkelijk dieptreurig is het!

posted @ 1:23 PM | Feedback (0)

Friday, September 22, 2006

Op de laatste dag van ons uitstapje naar de Hoge Venen zag ik, net toen ik m'n wandelschoenen aan het uittrekken was, een grote vlinder voorbij vliegen. Veel groter dan de vlinders die je normaal in Nederland ziet vliegen. Qua kleuren (zwarte tekening met daartussen bijna doorzichtig geelwit) had hij wat we van een koninginnepage, maar of het er ook een was zal ik nooit weten. Om er nu op mijn sokken achteraan te gaan rennen ...

posted @ 11:34 AM | Feedback (0)